Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-19
ECLI:NL:RBROT:2026:1563
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/819 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres, en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: A.M.H. van de Wal). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 7.500,- die verweerder met het besluit van 26 april 2024 (het boetebesluit) aan eiseres heeft opgelegd voor overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder en [naam] en [naam] , beiden toezichthouders bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Eiseres is niet verschenen. Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 19 januari 2024 door een toezichthouder en een toezichthoudend dierenarts van de NVWA is opgemaakt. De toezichthouders beschrijven in het rapport – samengevat weergegeven – onder meer het volgende. Naar aanleiding van een melding van 17 mei 2023 over een fokker van Franse buldoggen onder de kennelnaam [naam] , gehuisvest op het woonadres van eiseres, zijn de toezichthouders een onderzoek gestart. Uit raadpleging van de Dutch Dog Databank van de Raad van Beheer en het I&R-systeem bleek onder meer dat bij eiseres in 2022 tenminste vier nesten geboren zijn en dat in het I&R-systeem geen meldingen van geboorte, aanvoer, afvoer en merkaanbrenging waren ingevoerd. Ook bleek de toezichthouders uit informatie die zij van Marktplaats hebben gevorderd dat op naam van eiseres op 7 maart 2023 en 23 maart 2023 advertenties waren geplaatst met als titel ‘Franse bulldog puppies’. Op 18 juli 2023 zijn de toezichthouders naar de woning van eiseres gegaan, maar troffen haar daar niet aan. Vervolgens zijn de toezichthouders op 9 augustus 2023 opnieuw naar de woning van eiseres gegaan, waar zij eiseres toen wel aantroffen en aldaar een inspectie hebben uitgevoerd. Daarbij hebben de toezichthouders verschillende bevindingen gedaan. Zo heeft de toezichthoudend dierenarts bij vijf honden van eiseres metingen verricht, waaronder bij reu [hond A] , die volgens registraties in de Dutch Dog Databank de afgelopen jaren is gebruikt voor verschillende door eiseres gefokte nesten. Bij het rapport zit een veterinaire verklaring waarin de toezichthoudend dierenarts concludeert dat [hond A] en de andere vier honden ( [naam] , [naam] , [naam] en [naam] ) ongeschikt zijn voor de fok, omdat meerdere uiterlijke kenmerken zo extreem zijn dat het fokken met deze honden het welzijn van zowel het ouderdier als de nakomelingen benadeelt. De toezichthouders hebben eiseres bij de inspectie medegedeeld dat het nest van 2023 niet had mogen worden gefokt omdat de snuit van v Eiseres betwist 29 kittens te hebben gekregen in 2022 zoals verweerder stelt. Ook betwist eiseres dat de expliciete verwijzing in het primaire besluit naar de controledatum 19 juli 2023 een kennelijke verschrijving betreft en dat er die dag geen inspectie is verricht. Volgens eiseres is het boetebesluit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu deze is gebaseerd op onjuiste feiten, onvoldoende is gemotiveerd en geen blijk geeft van een deugdelijke belangenafweging. 4.1. In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. 4.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring te twijfelen. In deze stukken is door de toezichthouders duidelijk beschreven wat zij hebben waargenomen bij de controle bij eiseres thuis op 9 augustus 2023 en wat zij op basis van raadpleging van systemen en dossiers van dierenartsen hebben geconstateerd. De enkele betwisting door eiseres biedt geen grond om niet van de conclusies van de toezichthouders te kunnen uitgaan. Voorts heeft verweerder niet vastgesteld dat eiseres in 2022 29 kittens heeft gefokt, zoals eiseres stelt en betwist, maar 26 kittens. Bovendien heeft verweerder gelet op dit aantal, evenals de in het rapport genoemde aantal gefokte pups, de omstandigheid dat eiseres met de dieren adverteerde en deze verkocht, terecht vastgesteld dat sprake was van bedrijfsmatig fokken van gezelschapsdieren. Niet in geschil is dat eiseres niet voldeed aan de verplichtingen die daaraan zijn verbonden en zijn neergelegd in artikel 3.7, artikel 3.10 en artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren. Ook staat vast dat hond Ursula viermaal een keizersnede heeft gehad en dat hond Cleo binnen een periode van twaalf maanden meer dan één nest heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht vastgesteld dat eiseres de vijf beboetbare feiten heeft begaan. 4.3. Dat in het primaire besluit een onjuiste inspectiedatum is genoemd maakt de boete niet onrechtmatig. In dit besluit wordt immers verwezen naar een rapport van bevindingen en daaruit blijkt duidelijk dat de controle bij eiseres thuis niet op 18 juli 2023 maar op 9 augustus 2023 heeft plaatsgevonden. Ook blijkt daaruit dat de gehele inspectie over een langere periode heeft plaatsgevonden en meer besloeg dan alleen het bezoek bij eiseres thuis. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit uitgelegd dat de inspectiedatum die in het boetebesluit wordt genoemd een kennelijke verschrijving is. Gelet op de inhoud van het rapport van bevindingen gaat de rechtbank daar ook van uit. 4.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres de vijf beboetbare feiten heeft begaan. Op grond van artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is voor deze vijf overtredingen de standaardboete per overtreding vastgesteld op € 1.