Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-06
ECLI:NL:RBROT:2026:1509
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,796 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:1509 text/xml public 2026-02-27T10:54:21 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-06 11585212 CV EXPL 25-5326 (E) Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1509 text/html public 2026-02-27T10:53:01 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1509 Rechtbank Rotterdam , 06-02-2026 / 11585212 CV EXPL 25-5326 (E) In 2020 hebben gedaagden in opdracht van eisers keukens en maatkasten geleverd en geplaatst in hun woning. Voor dit werk is in totaal € 185.971,20 betaald, waarvan € 30.000,- contant. Vanaf augustus 2022 is tussen partijen een discussie ontstaan over de uitvoering van het werk. Volgens eisers is namelijk een deel daarvan niet goed of niet volledig gebeurd en gedaagden zijn het daarmee niet eens. Op verzoek van eisers heeft een deskundige onderzoek gedaan. Dat heeft geleid tot een rapport. In het rapport zijn herstelpunten genoemd, waarvan de kosten zijn begroot op € 8.210,-. Omdat gedaagden niet tot herstel zijn overgegaan, vorderen eisers (na eiswijziging) dat bedrag als vervangende schadevergoeding. Daarnaast vorderen zij betaling van € 5.650,61 als vervangende schadevergoeding voor niet uitgevoerd werk, € 30.000,- op grond van onverschuldigde betaling en € 2.268,65 aan deskundigenkosten, een en ander met rente en kosten. Gedaagden betwisten deze vorderingen en vorderen in reconventie betaling van € 7.800,- voor montagekosten. Eisers zijn het hiermee niet eens. De vorderingen van eisers worden gedeeltelijk toegewezen en de vordering van gedaagden wordt afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11585212 CV EXPL 25-5326 datum uitspraak: 6 februari 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van 1. [persoon A] , 2. [persoon B] , woonplaats: [woonplaats 1] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, gemachtigde: mr. C.J.H. Anker, tegen 1. [V.O.F. C] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , 2. [persoon C 1] , 3. [persoon C 2] , woonplaats: [woonplaats 2] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, gemachtigde: mr. R. Wouters. De partijen worden hierna ‘ [persoon A] c.s.’ en ‘ [V.O.F. C] c.s.’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 25 februari 2025, met bijlagen; het antwoord tevens eis in reconventie, met bijlagen; het antwoord in reconventie, tevens akte eiswijziging, met bijlagen. 1.2. Op 8 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. In 2020 heeft [V.O.F. C] c.s. in opdracht van [persoon A] c.s. keukens en maatkasten geleverd en geplaatst in de woning aan de [adres] in Rockanje. Voor dit werk is in totaal € 185.971,20 betaald, waarvan € 30.000,- contant. Vanaf augustus 2022 is tussen partijen een discussie ontstaan over de uitvoering van het werk. Volgens [persoon A] c.s. is namelijk een deel daarvan niet goed of niet volledig gebeurd en [V.O.F. C] c.s. is het daarmee niet eens. Op verzoek van [persoon A] c.s. heeft TOP Expertise onderzoek gedaan. Dat heeft geleid tot een rapport van 10 januari 2024 (hierna: het rapport). In het rapport zijn herstelpunten genoemd, waarvan de kosten zijn begroot op € 8.210,-. Omdat [V.O.F. C] c.s. niet tot herstel is overgegaan, vordert [persoon A] c.s. (na eiswijziging) dat bedrag als vervangende schadevergoeding. Daarnaast vordert zij betaling van € 5.650,61 als vervangende schadevergoeding voor niet uitgevoerd werk, € 30.000,- op grond van onverschuldigde betaling en € 2.268,65 aan deskundigenkosten, een en ander met rente en kosten. [V.O.F. C] c.s. betwisten deze vorderingen en vorderen in reconventie betaling van € 7.800,- voor montagekosten. [persoon A] c.s. zijn het hiermee niet eens. De vorderingen van [persoon A] c.s. worden gedeeltelijk toegewezen en de vordering van [V.O.F. C] c.s. wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom. In conventie Herstelkosten 2.2. Dit deel van de vordering baseren [persoon A] c.s. op het rapport. [V.O.F. C] c.s. hebben de bruikbaarheid daarvan weersproken. Volgens hun is het partijdig omdat de deskundige is ingeschakeld door [persoon A] c.s. en zij niet bij de inspectie aanwezig zijn geweest. Over dit laatste is toegelicht dat is gereageerd op de uitnodiging van de deskundige voor 19 december 2023 met een mail van 15 december 2023 dat die dag niet uitkwam en met het om een andere datum. Hierop is geen reactie gekomen en de inspectie heeft vervolgens op 19 december 2023 zonder [V.O.F. C] c.s. plaatsgevonden. Uit een mail van (het kantoor van) de deskundige van 23 december 2023 volgt dat die mail van 15 december 2023 daar niet bekend was en dat daarom de inspectie op de geplande datum is doorgegaan. 2.3. Anders dan [V.O.F. C] c.s. lijkt te betogen, wordt geen reden gezien uit deze gang van zaken af te leiden dat opzettelijk is voorkomen dat zij de inspectie zouden kunnen bijwonen. Hoewel het de voorkeur zou hebben gehad dat zij daarbij aanwezig zouden zijn geweest, betekent hun afwezigheid niet dat het onderzoek van de deskundige dus partijdig is geweest. Dat hij in opdracht van [persoon A] c.s. het onderzoek heeft uitgevoerd, maakt dat niet anders. Het gaat hier om een professioneel bureau dat ook door [V.O.F. C] c.s. zelf had kunnen worden ingeschakeld. Hierbij komt bovendien dat de wijze waarop de bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in het rapport geen enkele aanleiding geeft om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de deskundige. Het rapport wordt dan ook gebruikt bij de beoordeling. Inhoudelijk is [V.O.F. C] c.s. niet ingegaan op het rapport of hebben zij, zoals over het aanpassen van de afzuigunit, gezegd dat zij begrijpen waar dat vandaan komt. Vastgesteld wordt dan ook dat de herstelkosten die de deskundige op basis van de bevindingen heeft begroot op € 8.210,- niet of onvoldoende zijn weersproken. Vaststaat verder dat [V.O.F. C] c.s. niet heeft gereageerd op de ingebrekestelling van 18 maart 2024 om tot herstel over te gaan en dat [persoon A] c.s. vervolgens bij brief van 9 april 2024 hun aanspraak op herstel hebben omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding. De conclusie is dan ook dat die vordering kan worden toegewezen. Niet uitgevoerd werk 2.4. Op de zitting is duidelijk geworden dat een deel van het werk niet is uitgevoerd. Het gaat daarbij over een keukenblok bij het zwembad. Omdat [V.O.F. C] c.s. ook na ingebrekestelling niet tot uitvoering is overgegaan, maken [persoon A] c.s., na een omzetting op grond van artikel 6:87 BW, aanspraak op vervangende schadevergoeding van € 5.650,61. Dat bedrag is gebaseerd op een offerte van [bedrijf X] van 16 mei 2023. In het rapport staat hierover: ‘ De offerte van [bedrijf X] gaat uit van het grotendeels vervangen van keukenmeubelen, bladen en het leveren van apparatuur, dat is ons inziens niet noodzakelijk. ’ De deskundige heeft voor ‘ Zwembadmeubel completeren incl. kastje ’ vervolgens een bedrag van € 650,- begroot en dat bedrag is dus meegenomen in de herstelkosten waarover hierboven al is geoordeeld. Hoe dit zich verhoudt tot het geoffreerde bedrag waarop daarnaast aanspraak wordt gemaakt, is onduidelijk gebleven. Niet kan dan ook worden gezegd dat [persoon A] c.s. op dit punt hun vordering voldoende hebben geconcretiseerd. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Onverschuldigde betaling 2.5. Partijen zijn het erover eens dat [persoon A] c.s. op 18 maart 2020 € 30.000,- contant heeft betaald aan [V.O.F. C] c.s. Zij verschillen echter van mening over de vraag voor welk deel van het werk deze betaling was bedoeld. Volgens [persoon A] c.s. was het voor een sauna met kasten. Omdat dat nooit is uitgevoerd, is het bedrag, zo is gesteld, onverschuldigd betaald. [V.O.F. C] c.s. heeft dit betwist en aangevoerd dat de betaling te maken had met, kort gezegd, overeengekomen meerwerk. Om te beginnen wordt vastgesteld dat niet het hele bedrag betrekking kan hebben op een sauna. Bij de stukken bevindt zich namelijk een mail van [persoon A] c.s. aan [V.O.F. C] c.s. van 2 februari 2022 over wat er wel en niet is betaald.
Volledig
Daarin wordt gesproken over ‘ de sauna van 17k ’. Verder zijn verklaringen overgelegd van twee getuigen die bij de overhandiging van het geld zouden zijn geweest en in die verklaringen staat dat de contante betaling was bedoeld voor de bouw van een sauna en voor kastenwerk in de woning. Dat dat kastenwerk niet is uitgevoerd, is niet gesteld of gebleken. Gelet op dat wat hiervoor staat, wordt het standpunt van [persoon A] c.s. zo begrepen dat € 17.000,- onverschuldigd is betaald omdat de afgesproken sauna niet is gebouwd. Vastgesteld wordt dat die betaling inderdaad samenhing met een sauna. Dit is aan de hand van de hiervoor genoemde mail en verklaringen voldoende onderbouwd en door [V.O.F. C] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist. Bij de verdere beoordeling is dan ook het uitgangspunt dat € 17.000,- is betaald voor het realiseren van een sauna. 2.6. Vaststaat dat [V.O.F. C] c.s. geen sauna heeft gebouwd. Uit de mail van 2 februari 2022 die hierboven is aangehaald, blijkt dat de reden daarvoor was dat [persoon A] c.s. de sauna ‘ niet meer hoefden en wilden afnemen ’, omdat ze een stoombad wilden en [V.O.F. C] c.s. die niet kon bouwen. Door deze afspraak, die niet is weersproken, is met terugwerkende kracht de rechtsgrond voor de betaling van € 17.000,- komen te vervallen en is dat bedrag dus onverschuldigd betaald. Hoewel de mail van [persoon A] c.s. geen duidelijkheid geeft over de terugbetaling van het bedrag, is van de kant van [V.O.F. C] c.s. niets aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat daarover tussen partijen eventuele afwijkende afspraken zijn gemaakt. Het gesprek op de zitting heeft wat dat betreft evenmin iets opgeleverd. Er is daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan als bepaald in artikel 6:203 lid 2 BW, namelijk dat als de onverschuldigde betaling een geldsom betreft een gelijk bedrag moet worden teruggegeven. Dit deel van de vordering wordt dan ook toegewezen tot een bedrag van € 17.000,-. 2.7. [V.O.F. C] c.s. hebben nog een beroep op verjaring gedaan. Dat faalt. In artikel 3:309 BW is bepaald dat ‘ een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. ’ Duidelijk is dat deze termijnen niet zijn verstreken, zelfs als zou worden uitgegaan van 18 maart 2020, de datum waarop is betaald, als start van de verjaringstermijn. De brief van de gemachtigde van [persoon A] c.s. van 18 maart 2024 kan namelijk worden aangemerkt als stuitingshandeling, omdat daarin uitdrukkelijk aanspraak wordt gemaakt op terugbetaling. Deskundigenkosten 2.8. [persoon A] c.s vorderen betaling van de deskundigenkosten voor het opmaken van het rapport. Deze vordering is gebaseerd op artikel 6:96 lid 2, onder b, BW; vergoeding van ‘ redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid .’ Als onderbouwing is een factuur van 8 januari 2024 van € 2.268,65 overgelegd. [V.O.F. C] c.s. heeft zonder enige toelichting betwist deze kosten verschuldigd te zijn. De vordering wordt dan ook als onvoldoende gemotiveerd weersproken toegewezen. Hierbij wordt opgemerkt dat het factuurbedrag niet bovenmatig voorkomt en dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Incassokosten en rente 2.9. De vordering tot vergoeding van incassokosten wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). Wel wordt de hoogte daarvan berekend over de toe te wijzen hoofdsom van € 27.478,65. Dit betekent dat aan incassokosten € 1.270,25 wordt toegewezen. De rente over de hoofdsom en de incassokosten vanaf 9 augustus 2024, zoals gevorderd, wordt ook toegewezen, omdat [persoon A] c.s. voldoende hebben gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [V.O.F. C] c.s. dat niet hebben betwist. In reconventie Montagekosten 2.10. [V.O.F. C] c.s. vorderen betaling van een factuur voor montagekosten van 6 juni 2022 van € 7.800,-. Volgens [persoon A] c.s. is echter afgesproken dat zij deze kosten niet hoefden te betalen. Zij verwijzen daarvoor naar een mail van [V.O.F. C] c.s. van 1 februari 2022 waarin staat: ‘ Geschatte kosten montage voor het kastwerk € 7.200,-. Als jullie het goed vinden streep ik de montage weg, wel wil ik jullie vragen om het nog openstaande bedrag van € 14.875,- te voldoen (…) ’ Dit bedrag bleek echter al betaald te zijn. Dat doet echter volgens [persoon A] c.s. niets af aan de afspraak. [V.O.F. C] c.s. zien dat anders. Hun betoog komt erop neer dat als zij hadden geweten dat er geen bedrag meer openstond de afspraak niet was gemaakt. Met andere woorden; zij hebben gedwaald. Dat beroep kan echter alleen al niet slagen omdat niet gesteld of gebleken is dat het voor [persoon A] c.s. duidelijk moet zijn geweest dat het wel of niet openstaan van een bedrag voor [V.O.F. C] c.s. van beslissende betekenis was. Voor zover is aangevoerd dat [persoon A] c.s. het voorstel niet hebben aanvaard, kan dat [V.O.F. C] c.s. evenmin baten. [persoon A] c.s. hebben dit betwist en die betwisting vindt steun in het feit dat partijen nadat het voorstel was gedaan nog contact hebben gehad over het openstaande bedrag. Een en ander leidt tot conclusie dat partijen hebben afgesproken dat [V.O.F. C] c.s. afstand doet van hun aanspraak op vergoeding van montagekosten. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [persoon A] c.s. het gevorderde factuurbedrag verschuldigd zijn. De vordering wordt daarom afgewezen. In conventie en reconventie Proceskosten 2.11. De proceskosten komen voor rekening van [V.O.F. C] c.s. omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [persoon A] c.s. moeten betalen op € 288,94 aan (2 x dagvaardingskosten), € 732,- aan griffierecht, € 1.731,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten x € 577,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.886,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Uitvoerbaar bij voorraad 2.12 Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] c.s. dat eisen en [V.O.F. C] c.s. daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Hoofdelijkheid 2.13. [V.O.F. C] c.s. zijn hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming van de betalings-verplichtingen. Zij worden daarom hoofdelijk veroordeeld. 3 De beslissing De kantonrechter: in conventie 3.1. veroordeelt [V.O.F. C] c.s., hoofdelijk, om aan [persoon A] c.s. te betalen € 28.748,90 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald; in conventie en reconventie 3.2. veroordeelt [V.O.F. C] c.s., hoofdelijk, in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] c.s. worden begroot op € 2.886,94; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken. 568