Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-20
ECLI:NL:RBROT:2026:1471
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11039 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres (gemachtigde: [persoon A] ), en de [verweerder] (gemachtigde: mr. D.J. van der Bij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 5.000,- die [verweerder] bij besluit van 19 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd vanwege een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid en evenredigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [verweerder] de boete terecht aan eiseres heeft opgelegd en dat de hoogte van de boete evenredig is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is [verweerder] bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. [verweerder] heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Eiseres heeft op 26 januari 2026 een nader stuk ingediend. 2.4. [verweerder] heeft op 29 januari 2026 en 10 februari 2026 nadere stukken ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van [verweerder] en [persoon B] , werkzaam als toezichthouder Diergeneesmiddelen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het besluit 3. [verweerder] heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen van 22 mei 2024 ( [rapportnummer] ), opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport van bevindingen staat onder meer het volgende: “(…) Aanleiding: (…) Op 23-04-2024, ontving ik (…) via de e-mail van de Inspecteur coördinator Diergeneesmiddelen, een VKI-melding. (…) Aan de betreffende e-mail was een bijlage met de naam “Formulier Dubieuze VKI” toegevoegd. (…) Gegevens VKI Naam veehouder : [persoon C] (…) Levensnummer dier : NL [nummer X] Datum aanvoer : 10-4-2024 Bevindingen AM en PM AM: littekens op het kopje van het onthoornen (herstellende brandgaten) (…) Reden melding: Onthoornd speenbokje aangeboden ter slacht wat zeer waarschijnlijk in de wachttijd zat van gebruikte middelen bij het onthoornen, terwijl op de VKI alle vragen met “NEE” waren beantwoord. (…) Bevindingen: Naar aanleiding van bovenstaande bevonden wij (…) ons op donderdag 2 mei 2024 omstreeks 11:30 uur op het erf van [bedrijf X] aan de [adres] , [postcode] te [plaats 1] , gelegen binnen de gemeente Hof van Twente. (…) Dhr. [persoon C] vertelde dat er bij de jonge geiten een visitebrief heeft van de dierenarts. (…) Dhr. [persoon C] overhandigde ons (…) een ordner met papieren. Ik (…) zag hier de handgeschreven visitebrieven van de dierenarts van de Dierenartsenpraktijk [naam praktijk] te [plaats 2] . Op het visiteformulier herkauwers van de datum 18 maart 2024, stond de volgende gegevens vermeld: Naam bedrijf: [bedrijf Y] Adres: [adres] Tijd: van 14:15 tot 16:20 Naam dierenarts: [persoon D] + [persoon E] Datum: 18-03-‘24 Bevindingen en adviezen: 109 lammeren onthoornd + Gudair (1cc), Meloxidyl (1cc), Albipen (0,5cc) 4 lammeren geëuthanaseerd i.v.m. pootproblemen Dhr. [persoon C] gaf aan dat het betreffende geitenbokje met ID-code [code] , op bovenstaande datum ook per abuis is onthoornd en dit geiten Naar aanleiding van de constatering op 10 april 2024 heeft eisers ook al een waarschuwing gekregen op 8 mei 2024. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. 4.1.1. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. In beginsel mag een bestuursorgaan uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarnemingen en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarnemingen waarderende elementen kennen. 4.1.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verweerder] mogen uitgaan van de bevindingen van de toezichthouder zoals die in het rapport van bevindingen zijn neergelegd. De toezichthouders hebben in het rapport van bevindingen duidelijk beschreven wat zij hebben waargenomen. Zij hebben naar aanleiding van een melding over een "dubieuze VKI" onderzoek gedaan op het bedrijf van eiseres. Tijdens dat onderzoek is gebleken dat het op 10 april 2024 ter slacht aangeboden geitenbokje (met levensnummer [code] ) op 18 maart 2024 was behandeld met de middelen Gudair (1cc), Meloxidyl (1cc) en Albipen (0,5cc). De wachttijd voor Albipen was in dit geval 42 dagen, omdat dit middel niet is toegelaten voor geiten en de reguliere wachttijd van 28 dagen daarom met 1,5 moet worden vermenigvuldigd. Dit volgt uit de Cascade voor voedselproducerende dieren. Op het moment van het aanbieden ter slacht liep de wachttijd nog 20 dagen. 4.1.3. De stelling dat het rapport van bevindingen niet correct is opgemaakt door de twee toezichthouders omdat het citaat niet de juiste weergave is van de geschreven verklaring, volgt de rechtbank niet. Het rapport van bevindingen bevat een verklaring van de heer [persoon C] , waaruit volgt dat hij tegen de toezichthouder heeft verklaard dat het geitenbokje onbewust is meegegaan en dat dit per ongeluk was. Deze verklaring komt overeen met het standpunt dat in deze procedure namens eiseres is ingenomen en vormt ook de kern van het standpunt dat als een citaat is weergegeven in het rapport van bevindingen. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres op de zitting gevraagd welke conclusies hij verbindt aan deze beroepsrond. Op deze vraag is de gemachtigde het antwoord schuldig gebleven. 4.1.4. Eiseres heeft het rapport van bevindingen voor het overige inhoudelijk niet betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen in het rapport te twijfelen. 4.1.5. Verder betekent het feit dat het bokje is vernietigd, niet dat er geen overtreding is gepleegd. Zoals [verweerder] ook terecht stelt, zou het vlees van het bokje zonder ingrijpen van de toezichthoudend dierenarts in het slachthuis, wel in de menselijke voedselketen terecht zijn gekomen. [verweerder] stelt terecht dat de consument er op moet kunnen vertrouwen dat het vlees dat hij eet veilig is. 4.1.6. Het standpunt dat het kwalijk is dat het rapport van bevindingen op 30 mei 2024 is gebruikt om een voornemen tot boeteoplegging uit te doen, terwijl de constatering is gedaan op 10 april 2024, volgt de rechtbank niet. De rechtbank begrijpt deze Uit de bijlage bij dit beleid (regel 03R012510) volgt dat overtreding 2 een zware overtreding is met een (risico op) ernstig gevaar voor dierenwelzijn, volksgezondheid en/of voedselveiligheid. De wetgever heeft in de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren vastgesteld welke boetes bij deze overtredingen evenredig worden geacht. Uit de bijlage bij artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat bij overtreding van artikel 5.3, eerste lid, van de Regeling diergeneesmiddelen 2022 een boete uit categorie 4 is aangewezen. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren bedraagt de boete van categorie € 5.000,-. [verweerder] heeft dus in overeenstemming met zijn beleid en de wettelijke voorschriften het standaardboetebedrag van € 5.000,- aan eiseres opgelegd. 5.1.5. Eiseres heeft verder geen gronden aangevoerd over de hoogte van het standaardboetebedrag. Zij heeft ook geen andere feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de hoogte van de boete onevenredig moet worden geacht. Daarom heeft [verweerder] geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb af te wijken van het wettelijk stelsel van gefixeerde boetes. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het boetebesluit in stand blijft omdat de overtreding vaststaat, het boetebedrag evenredig is en er geen reden is om een lagere boete op te leggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:41 Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Artikel 5:46, eerste en derde lid 1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. 3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Besluit diergeneesmiddelen 2022 Artikel 7.1, aanhef en onder c Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de uitvoering van EU-rechtshandelingen die betrekking hebben op bij die EU-rechtshandelingen aangewezen substanties over het houden van en de handel in dieren of dierlijke producten die deze substanties bevatten. Regeling diergeneesmiddelen 2022 Artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onder c Het is een ieder verboden landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren in de handel te brengen waarvoor in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten de daarvoor voorgeschreven wach