Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-22
ECLI:NL:RBROT:2026:1320
Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 83-193849-21 Datum uitspraak: 22 januari 2026 Datum zitting: 11 en 12 december 2025 en 22 januari 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1997 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats 1] . Advocaat van de verdachte: mr. P. Celikkal Officier van justitie: mr. J. Bezem Benadeelde partij: [benadeelde] Advocaat van de benadeelde partij: mr. G.C. Nieuwland Kern van het vonnis De verdachte heeft samen met anderen gefraudeerd met financiële overheidssteun in de coronaperiode. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift door 14 aanvragen inzake de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (hierna: TVL) vals op te maken, het witwassen van provisiebedragen die hij en de medeverdachten hebben ontvangen van de bij de fraude betrokken ondernemers, en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 21 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (hierna: [afkorting naam benadeelde] ) wordt niet beslist, omdat deze te complex is om in het strafproces te behandelen en de partijen daarover niet het volledige debat hebben kunnen voeren. Leeswijzer De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met de medeverdachten 14 TVL-aanvragen vals heeft opgemaakt, een bedrag van € 3.358.530,95 heeft witgewassen en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1. De beschuldiging is voor een deel bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren staan in hoofdstuk 2. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in bijlage 1. De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 3. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd. In hoofdstuk 5 staan de beslissingen over de inbeslaggenomen goederen. De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering. In hoofdstuk 6 wordt deze beslissing uitgelegd. In hoofdstuk 8 staan alle beslissingen in het kort. 1 Tenlastelegging De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat 1. hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 te 's-Gravenhage en/of Voorburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geschriften, die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten - een aanvraag TVL d.d. 16 oktober 2020 op naam van [naam bedrijf 1] . (DOC en DOC-110 nr. 109) en/of - een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [naam bedrijf 2] . (DOC-065 en DOC-110, nr. 18) - een aanvraag TVL d.d. 26 november 2020 op naam van [naam bedrijf 3] . (DOC-103 en DOC-110 nr. 141) - een aanvraag TVL d.d. 29 november 2020 op naam van [naam bedrijf 4] (DOC-014 en DOC-110 nr. 36) en/of - een aanvraag TVL d.d. 29-11-2020 op naam van [naam bedrijf 5] (DOC-106 en DOC-110, nr. 45) en/of - een aanvraag TVL d.d. 30 november 2020 op naam van [naam bedrijf 6] (DOC-077 en DOC-110 nr. 38) - een aanvraag TVL d.d. 6 december 2020 op naam van [naam bedrijf 7] (DOC-075 en DOC-110 nr. 139) - een aanvraag TVL d.d. 14 december 2020 op naam van [naam bedrijf 8] (DOC-018 en DOC-110 nr. 71) en/of - een aanvraag TVL d.d. 15 december 2020 op naam van [naam bedrijf 9] . (DOC-020 en DOC-110 nr. 124) en/of - een aanvraag TVL d.d. 16 december 2020 op naam van [naam bedrijf 10] (DOC-021 en DOC-110, nr. 113) - een aanvraag TVL d.d. 18 december 2020 op naam van [naam bedrijf 11] . (DOC-055 en DOC-110, nr. 103) - een aanvraag TVL d.d. 25-12-202 Bij het indienen van de TVL-aanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 moest een afschrift worden meegestuurd van de aangifte omzetbelasting van het vierde kwartaal van het voorgaande jaar. Van het totaal aantal valse aanvragen waren 121 aanvragen via IP-adres [IP-adres] ingediend. Feit 1 Identificatie verdachte in chats Het IP-adres [IP-adres] is te herleiden naar het woonadres van de moeder van de verdachte, waar de verdachte in de pleegperiode woonde. Bij een doorzoeking op dit adres werd naast het bed in de slaapkamer van de verdachte een telefoon gevonden en in beslag genomen. In de Whatsapp-communicatie die in de telefoon werd aangetroffen, werd de gebruiker van de telefoon aangesproken als [voornaam verdachte] . Dat is de voornaam van de verdachte. Uit deze berichten bleek dat de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] informatie van verschillende ondernemingen aan de gebruiker van de telefoon doorgaven. De medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat dit het telefoonnummer van de verdachte was. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank, anders dan de verdediging, ervan uit dat de onderzochte telefoon bij de verdachte in gebruik was en hij dus de betreffende berichten heeft verzonden en ontvangen. Verweer onrechtmatig verkregen bewijs (Landeck) Door de verdediging is onder verwijzing naar het Landeck-arrest het verweer gevoerd dat de uit de telefoon van de verdachte verkregen Whatsapp-communicatie niet rechtmatig is verkregen en daarom niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Gelet op de mate van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte had de rechter-commissaris voor dit onderzoek namelijk toestemming moeten geven en dat is niet gebeurd. Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank is het wel met de verdediging eens dat te voorzien was dat het onderzoek in de telefoon van de verdachte een meer dan beperkte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer zou vormen en dat er daarom voor dit onderzoek voorafgaande toestemming aan de rechter-commissaris had moeten worden gevraagd. Nu die toestemming niet is gevraagd, is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim. De vraag is of en zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bewijsuitsluiting kan als rechtsgevolg aan de orde zijn als dat noodzakelijk is om een schending van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te voorkomen, of als er sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Van beide gevallen is in deze zaak geen sprake. Daarbij is van belang dat op het moment van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte het Landeck-arrest nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. De rechtbank past daarom geen bewijsuitsluiting toe. Strafvermindering kan alleen aan de orde zijn als de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft geleden. Dan moet de strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd zijn. De schending van het privéleven van de verdachte levert al een voldoende concreet nadeel op. De rechtbank weegt echter mee dat, zou een rechter-commissaris wel om toestemming zijn gevraagd voorafgaand aan het onderzoek in de telefoon, deze rechter-commissaris, gelet op de ernst en omvang van de verdenking, deze toestemming zonder nadere beperkingen had kunnen geven. De verdachte is daarom door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt dan de situatie waarin het vormverzuim zich niet had voorgedaan. De rechtbank vindt strafvermindering daarom niet op zijn plaats en zal aan het vormverzuim geen rechtsgevolgen verbinden. USB-stick is van verdachte Bij de g De rechtbank kan evenmin met voldoende zekerheid vaststellen dat de verdachte en de medeverdachten en/of de ondernemers op andere wijze (de optelsom van) het volledige door de [afkorting naam benadeelde] aan de ondernemers uitgekeerde bedrag (€ 3.286.530,95) hebben witgewassen. Gewoontewitwassen provisiebedragen wel bewezen Wel is uit de op de telefoon van de verdachte aangetroffen Whatsapp-communicatie gebleken dat de ondernemers een percentage aan provisie van de door hen ontvangen TVL-uitkering aan de verdachte en de medeverdachten moesten betalen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verdachte en de medeverdachten deze provisiebedragen, die uit oplichting van de [afkorting naam benadeelde] afkomstig zijn, verworven. De [afkorting naam benadeelde] heeft voorschotten uitgekeerd op de TVL-aanvragen die via het IP-adres van de verdachte zijn ingediend. Dat er daadwerkelijk provisiebedragen bij de verdachte en de medeverdachten terecht zijn gekomen, volgt uit de stortingen op de bankrekeningen van de medeverdachte [medeverdachte 4] . Verder werd in de Whatsapp-communicatie meermaals gesproken over de verdeling van de provisie over verschillende personen en werd een overzicht van (verschillende) percentages gedeeld. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte en zijn medeverdachten over deze provisiebedragen hebben kunnen beschikken. Uit het dossier blijkt dat de fraude met de TVL-aanvragen omvangrijker was dan de 14 aanvragen die uiteindelijk onder feit 1 in de beschuldiging zijn opgenomen. Nu de (precieze) betrokkenheid van de verdachte bij elke afzonderlijke aanvraag onvoldoende uit het dossier blijkt, de verdachten en de medeverdachten telkens in wisselende samenstellingen samenwerkten en daarnaast de exacte hoogte van de provisiebedragen/-percentages niet kan worden vastgesteld, wordt het witwassen door het verwerven van “geldbedragen” in zijn algemeenheid bewezen verklaard. Omdat de verdachte dit meermalen en gedurende bijna een jaar heeft gedaan, is er sprake van gewoontewitwassen. Feit 2 De verdachte heeft gedurende meerdere maanden samengewerkt met de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] met het doel valse TVL-aanvragen in te dienen, en die samenwerking had een meer dan incidenteel karakter. Uit de op de telefoon van de verdachte aangetroffen Whatsapp-communicatie volgt dat de verdachte met de medeverdachten samenwerkte en dat zij de opbrengst van de fraude samen deelden. Dat samenwerken gebeurde weliswaar in wisselende samenstellingen, maar wel met het gezamenlijke oogmerk om de TVL-aanvragen vals op te maken en vervolgens de opbrengst van de fraude (oplichting) wit te wassen. De verdachte en de medeverdachten hadden ieder een eigen rol in de fraude. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] waren verantwoordelijk voor het voorbereiden en het indienen van de TVL-aanvragen, en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] waren verantwoordelijk voor het werven van ondernemers en het aanleveren van de bedrijfsgegevens. De medeverdachte [medeverdachte 2] gaf overigens ook instructies aan de verdachte. Daarmee is er sprake van een organisatie met een structuur, een duurzaam karakter en een gemeenschappelijk oogmerk om misdrijven te plegen. Niet kan worden vastgesteld dat de drie medeverdachten individueel betrokken zijn geweest bij alle 14 ten laste gelegde TVL-aanvragen, maar dat doet niet af aan het samenwerkingsverband in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachten heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Pleegperiode feiten 2 en 3 De einddatum van de bewezen pleegperiode zal voor wat betreft de feiten 2 en 3 worden bepaald op 12 oktober 2021, de datum waarop de verdachte is aangehouden. Er is geen bewijs voor de stelling dat de strafbare feiten daarna nog zijn gepleegd. 2.3.3. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: 1. hij in de periode van 1 oktober De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor gedupeerde mkb-ondernemers. De TVL-regeling was een overheidsmaatregel die in het leven geroepen werd in een periode waarin de gehele samenleving in grote onzekerheid verkeerde. In deze crisistijd heeft de overheid zich met snelle, laagdrempelige regelingen kwetsbaarder opgesteld dan gebruikelijk en zo voorrang gegeven aan de maatschappelijke belangen die speelden boven controleerbaarheid vooraf. De verdachte heeft hier, samen met zijn medeverdachten, schaamteloos misbruik van gemaakt. Uit de gesprekken die de verdachte en zijn medeverdachten voerden volgt dat zij wisten dat er achteraf controles zouden plaatsvinden en dat na enige maanden ‘de bom zou barsten’. Ze maakten daarbij afspraken hoe zij onder de radar zouden kunnen blijven. Het doel was om zo snel mogelijk zoveel mogelijk geld buit te maken, ten koste dus van gemeenschapsgeld. Chatgesprekken als "Laten we het snel doen, ik wil zwemmen in het geld", “we kunnen er dik aan verdienen” en “dan moeten we een geldtelmachine kopen” spreken daarbij boekdelen. Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de juistheid van geschriften zoals steun- c.q. subsidieaanvragen – juist in een periode van een wereldwijde pandemie – op ernstige wijze beschaamd. 4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 3 december 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf. 4.3.3. Redelijke termijn De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 12 oktober 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van vier jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden en de verdachte slechts kort in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf. Dit wordt hierna nader toegelicht. 4.3.4. Oplegging straf Bij het bepalen van de strafmaat wordt in fraudezaken vaak rekening gehouden met het benadelingsbedrag. De hoogte van het bedrag waarvoor de [afkorting naam benadeelde] is benadeeld, laat zich in deze zaak niet eenvoudig vaststellen. De fraude met de TVL-aanvragen is veel omvangrijker dan de 14 aanvragen die uiteindelijk ten laste zijn gelegd. Via het IP-adres van de verdachte zijn 121 TVL-aanvragen ingediend waarop de [afkorting naam benadeelde] een totaalbedrag van bijna 3,3 miljoen euro heeft uitgekeerd. Omdat niet voor alle aanvragen is onderzocht of de verdachte daarbij concreet betrokken was, en de verdachte en de medeverdachten telkens in wisselende samenstellingen samenwerkten, kan de verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden voor het totale benadelingsbedrag. Wel is bewezen dat de verdachte betrokken is geweest bij de 14 TVL-aanvragen onder feit 1. Op die TVL-aanvragen heeft de [afkorting naam benadeelde] in totaal een bedrag van ruim € 550.000,- uitgekeerd. De rechtbank zal bij het bepalen van de straf uitgaan van dit benadelingsbedrag. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past bij dit benadelingsbedrag een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur tussen de 18 en 24 maanden. De hierboven beschreven ernst van de feiten en de daarbij geschetste strafverzwarende omstandigheden van de coronatijd, rechtvaardigen de keuze om aan de bovenkant van die bandbreedte te gaan zitten. Daarom zal de rechtbank als uitgangspunt een gevangenisstraf van 24 maanden nemen. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zullen hierop drie maanden (10% met afronding) in mindering worden gebracht, waardoor een gevangenisstraf van 21 maanden resteert. Omdat de verdachte De individuele ondernemingen hebben in ieder geval hun bedrijfsgegevens aan de verdachten beschikbaar gesteld. Uit het dossier blijkt niet wat hun precieze(re) rol is geweest bij de aanvraag en verkrijging van de tegemoetkoming. Verder blijkt uit de aangifte van de [afkorting naam benadeelde] dat de door de [afkorting naam benadeelde] toegekende tegemoetkoming steeds op de bankrekening van de onderneming werd uitgekeerd. De verdachten hebben dus niet rechtstreeks de beschikking gekregen over de volledige tegemoetkoming. Uit het dossier blijkt dat zij voor hun handelingen een provisie hebben ontvangen van de ondernemingen. Hoeveel dat concreet was, per toegekende aanvraag, blijkt niet uit het dossier. De verdachten hebben daarover ook geen openheid van zaken gegeven. Daarbij speelt echter een rol dat de aard van het strafproces zich verzet tegen een volwaardig processueel debat over de civiele aansprakelijkheid, en in dit geval de omvang van de schadevergoedingsverplichting in het bijzonder, ook nu de behandeling van de ontnemingszaak is losgekoppeld van de behandeling van de strafzaak. Ook daardoor is niet eenvoudig vast te stellen voor welk deel van welke tegemoetkoming de verdachte aansprakelijk is. Dit betekent dat er veel juridische geschilpunten zijn. De rechtbank heeft deze kwesties nadrukkelijk aan de orde gesteld op de zitting. De rechtbank vindt – mede gelet op het recht om een zwijgende of ontkennende proceshouding aan te nemen – dat niet met zekerheid gezegd kan worden dat beide partijen in voldoende mate over deze vragen het debat hebben kunnen voeren. Dit maakt de vordering te complex voor behandeling binnen de strafrechtelijke procedure. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, een deel van de schade mogelijk op de individuele ondernemingen kan worden verhaald en de rechtbank deze omstandigheid niet kan betrekken in de beoordeling van de vordering. Het behoort in de strafrechtelijke procedure tot schadevergoeding niet tot de mogelijkheden om in geval van medeschuld een derde partij in vrijwaring op te roepen als zij niet als verdachten in de strafzaak zijn betrokken. Dit leidt tot de conclusie dat de [afkorting naam benadeelde] niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering en dat in deze procedure dus geen inhoudelijke beslissing op de vordering wordt genomen. Dit betekent dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank bepaalt dat de [afkorting naam benadeelde] en de verdachte ieder de eigen proceskosten betalen, omdat de [afkorting naam benadeelde] de vordering niet ten onrechte heeft ingesteld en er ook geen andere reden is waarom de [afkorting naam benadeelde] de kosten van de verdachten zou moeten vergoeden. 7 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57, 140, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. 8 Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straf Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Voorwaardelijk strafdeel bepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op één jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde dat: - de verda De aanvraagformulieren zijn door de aanvragers naar waarheid ondertekend. [naam bedrijf 6] : 11. Proces-verbaal van de politie TVL aanvraag In deze aanvraag las ik dat [naam bedrijf 6] : • in het 4e kwartaal van 2019 een omzet heeft behaald van € 581.258,10. Valse aangifte OB Ter onderbouwing is met bovengenoemde TVL aanvraag een aangifte omzetbelasting op naam van [naam bedrijf 6] van het tijdvak 4e kwartaal 2019 meegezonden. Deze aangifte OB is vals om de volgende redenen: • Het aangiftenummer [aangiftenummer 1] kan geen bestaand aangiftenummer voor een 4e kwartaal zijn. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering "B027340" dienen "9300" te zijn. • In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [naam bedrijf 6] een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 18.867 vermeld, en geen € 581.258. [naam bedrijf 4] : 12. Proces-verbaal van de politie TVL aanvraag Op de ingediende aanvraag van [naam bedrijf 4] las ik: • dat [naam bedrijf 4] in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 722.189 zou hebben behaald. Valse OB aangifte De aangifte OB die ter onderbouwing was meegestuurd met de TVL aanvraag, is vals, om de volgende redenen: • Het aangiftenummer, vermeld op de aangifte OB (eindigend op "9270"), kan geen bestaand aangiftenummer voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn. • De omzet, vermeld op de aangifte OB is € 722.189, terwijl de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, € 39.717 was. [naam bedrijf 5] . : 13. Proces-verbaal van de politie TVL aanvraag Op de ingediende aanvraag 3 van [naam bedrijf 5] . las ik: • dat [naam bedrijf 5] . in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 2.594.187 zou hebben behaald. Op de ingediende aanvraag 4 van [naam bedrijf 5] . las ik: • dat [naam bedrijf 5] . in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 1.667.397 zou hebben behaald. Valse OB aangifte De aangiften OB die ter onderbouwing zijn meegestuurd met de TVL aanvragen, zijn vals, om de volgende redenen: • De aangiftenummers, vermeld op de aangiften OB, kunnen geen bestaande aangiftenummers voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn. • De omzet, vermeld op de aangiften OB is velen malen hoger dan de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, te weten € 1.919. [naam bedrijf 11] . : 14. Proces-verbaal van de politie TVL aanvraag Op de ingediende aanvraag van [naam bedrijf 11] . (waaronder de meegestuurde aangifte OB 4e kwartaal 2019) las ik: • dat [naam bedrijf 11] . in het 4e kwartaal 2019 een omzet van € 1.749.624 zou hebben behaald. Valse OB-aangifte De aangifte OB die ter onderbouwing was meegestuurd met de TVL aanvraag, is vals, om de volgende redenen: • Het aangiftenummer, vermeld op de aangifte OB (eindigend op "8440"), kan geen bestaand aangiftenummer voor het 4e kwartaal 2019 zijn. De laatste vier cijfers van de codering dienen dan "9300" te zijn. • De omzet, vermeld op de aangifte OB is € 1.749.624, terwijl de omzet, bij de Belastingdienst aangegeven op de aangifte over het 4e kwartaal 2019, € 159.057 was. [naam bedrijf 9] . : 15. Proces-verbaal van de politie Aanvraagformulier TVL van [naam bedrijf 9] Voor [naam bedrijf 9] is op 15 december 2020 een TVL aanvraag gedaan. Op de TVL aanvraag zie ik dat als omzet over het vierde kwartaal 2019 een bedrag is vermeld van €2.616.248,15. Valse aangifte OB Om de hiervoor genoemde omzet van het vierde kwartaal 2019 te onderbouwen is bij de TVL aanvraag een afschrift meegestuurd van een valse aangifte OB over het vierde kwartaal van 2019 van [naam bedrijf 9] . lk zie op deze aangifte een bedrag staan van €2.616.248,-. Deze aangifte OB is vals, om de volgende redenen: Het aangiftenummer [aangiftenummer 2] is geen bestaand aangiftenummer voor een vierde kwartaal. De laatste vier cijfers van de tijdvakcodering B018440 dienen "9300" te zijn. lk raadpleegde op 7 De laatste vier cijfers van codering "B018340" dienen "9300" te zijn. • In de systemen van de Belastingdienst zag ik dat op naam van [naam bedrijf 3] . een aangifte OB van het 4e kwartaal 2019 is ingediend. In deze aangifte is een omzet van € 27.067 vermeld en geen € 1.247.477. [naam bedrijf 13] 21. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij [afkorting naam benadeelde] [naam bedrijf 13] Omzet november 2019 € 456.794,00 Omzet december 2019 € 466.673,00 22. Proces-verbaal van de politie [naam bedrijf 13] • Voor het 4e kwartaal van 2019 is bij de Belastingdienst een aangifte van € 9.654 ingediend. [naam bedrijf 12] : 23. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij [afkorting naam benadeelde] [naam bedrijf 12] Omzet 4e kwartaal 2019 € 2.868.246,00 24. Proces-verbaal van de politie lk heb een overzicht gemaakt van de op de USB-stick aangetroffen aangiften BTW/OB in relatie tot de ondernemers waarvoor de [afkorting naam benadeelde] aangifte heeft gedaan. lk voeg dit overzicht als bijlage 2 bij dit proces-verbaal. Bijlage 2: Naam OB aangifte RSIN/BSN Omzet 4e kwt 2019 voor [afkorting naam benadeelde] Omzet 4w kwt 2019 belastingdienst Uitgekeerde voorschotten door [afkorting naam benadeelde] [naam bedrijf 12] [nummer 2] € 2.868.246,00 Nihil aangifte € 72.000,00 [naam bedrijf 2] . 25. Schriftelijk stuk, gegevens ingediende TVL-aanvraag bij [afkorting naam benadeelde] Omzet 4e kwartaal 2019 € 1.134.749 26. Proces-verbaal van de politie In 2019 zijn er geen omzetgegevens van [naam bedrijf 2] . bekend bij de Belastingdienst. 27. Proces-verbaal van de politie Op geen enkele aangifte OB 4e kwartaal 2019 die naar de [afkorting naam benadeelde] is gestuurd staat een juist aangiftenummer vermeld. 28. Proces-verbaal van de politie Bevindingen USB-Stick Op de USB-stick trof ik een mapje aan met de naam: `Troep'. In dit mapje staan 253 items opgeslagen bestaande uit documenten in word- en pdf format. Veruit de meeste documenten hebben betrekking op het 4de kwartaal 2019. lk heb een overzicht gemaakt van de op de USB-stick aangetroffen aangiften BTW/OB in relatie tot de ondernemers waarvoor de [afkorting naam benadeelde] aangifte heeft gedaan. lk voeg dit overzicht als bijlage 2 bij dit proces-verbaal. Tevens heb ik de aangiften BTW/OB die op de USB-stick zijn aangetroffen vergeleken met de aangiften zoals deze zijn meegestuurd bij de aanvraag voor de TVL en heb geconstateerd dat deze overeenkomen. Documenteigenschappen In de document eigenschappen van zowel de Word- als de PDF versies staat in alle gevallen [verdachte] vermeld als de auteur. Alle documenten hebben als 'datum gemaakt': 28-10-2020. Bijlage 2: Handelsnaam/naam eigenaar of AH Omzet 4de kwt 2019 voor [afkorting naam benadeelde] Omzet 4de kwt 2019 belastingdienst [naam bedrijf 8] € 1.449.764,00 € 38.130,00 [naam bedrijf 3] € 1.247.477,00 nihil aangifte [naam bedrijf 1] € 1.717.893,00 - [naam bedrijf 9] . € 2.616.248,00 € 15.600,00 [naam bedrijf 6] € 581.258,00 € 31.976,00 [naam bedrijf 5] € 2.594.187,00 € 8.452,00 [naam bedrijf 7] € 1.249.357,00 - [naam bedrijf 13] € 923.467,00 nihil aangifte [naam bedrijf 10] € 2.634.672,00 € 10.908,00 [naam bedrijf 2] € 1.134.749,00 - [naam bedrijf 11] € 1.749.624,00 nihil aangifte [naam bedrijf 12] € 2.868.246,00 nihil aangifte 29. Proces-verbaal van de politie In de telefoon van [verdachte] is onderstaande WhatsApp-communicatie aangetroffen tussen [verdachte] en een contact genaamd ‘ [medeverdachte 2] abi’ ( [mailadres 3] abi): Bewijsmiddelen feit 2 (deelneming criminele organisatie) 30. Proces-verbaal van de politie Op 12 oktober 2021 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het woonadres van verdachte [verdachte] . Hierbij is een mobiele telefoon in beslag genomen ( [codenummer] ). Daarop zijn de volgende WhatsApp-berichten aangetroffen. 31. Proces-verbaal van de politie TVL Q4 Gelet op de tussen de verdachten onderling verstuurde WhatsApp-berichten kunnen er waarschijnlijk vanaf medio november 2020 TVL aanvragen