Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-05
ECLI:NL:RBROT:2026:1215
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,040 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:1215 text/xml public 2026-04-01T13:42:05 2026-02-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-02-05 11735841 HA VERZ 25-34 Uitspraak Beschikking NL Dordrecht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2026/75 AR-Updates.nl 2026-0291 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0291 JAR 2026/82 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1215 text/html public 2026-02-23T10:53:23 2026-02-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1215 Rechtbank Rotterdam , 05-02-2026 / 11735841 HA VERZ 25-34 Ontbinding slapend dienstverband op verzoek van werknemer. Toekenning van een (schade-)vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding (Xella uitspraak). Geen opbouw van vakantiedagen in derde ziektejaar, dus geen uitbetaling van deze dagen bij einde arbeidsovereenkomst. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11735841 HA VERZ 25-34 datum uitspraak: 5 februari 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoeker] , woonplaats: Rotterdam, verzoeker, gemachtigde: mr. J. Keizer, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VERM Services B.V., vestigingsplaats: ‘s-Gravendeel, verweerster, die zelf procedeert. Partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘VERM’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van [verzoeker] (ontvangen op 5 juni 2025), met producties; de aanvullende productie van [verzoeker] ; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 september 2025; de akte vermeerdering van verzoek; de schriftelijke reactie van VERM van 20 oktober 2025; de akte nadere uitlating van [verzoeker] , ontvangen op 13 november 2025. 1.2. De uitspraak van deze beschikking is (nader) bepaald op vandaag. 2 Het geschil van partijen en de beoordeling daarvan De kern van de zaak 2.1. Het gaat in deze zaak in de kern om het volgende. [verzoeker] is op 1 april 2017 bij VERM in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. Zijn salaris bedraagt € 2.504,09 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. [verzoeker] is sinds 12 oktober 2022 arbeidsongeschikt. Sinds die datum heeft hij niet meer gewerkt voor VERM. Sinds 9 oktober 2024 ontvangt hij een WIA-uitkering (IVA). [verzoeker] vraagt nu ontbinding van de arbeidsovereenkomst, betaling van de transitievergoeding en betaling van de eindafrekening. Zijn vorderingen worden hierna puntsgewijs besproken. Ontbindingsverzoek werknemer 2.2. Een werknemer kan ontbinding van de arbeidsovereenkomst vragen. Artikel 7:671c BW bepaalt dat dan sprake moet zijn van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. 2.2.1. In dit geval is sprake van een zogenaamd slapend dienstverband. [verzoeker] is namelijk al meer dan twee jaar arbeidsongeschikt en het staat vast dat hij niet meer aan het werk kan voor VERM. Niet gebleken is dat VERM een redelijk belang heeft bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet VERM daarom als goed werkgever meewerken aan een einde van dat slapende dienstverband en daarbij aan [verzoeker] een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding te betalen . Alhoewel [verzoeker] hier meerdere keren om heeft gevraagd, heeft VERM hieraan geen medewerking verleend. Gelet hierop is sprake van omstandigheden zoals hiervoor omschreven. Het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Datum einde arbeidsovereenkomst 2.3. Dan moet het tijdstip worden bepaald waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Gelet op het feit dat inmiddels sprake is van een slapend dienstverband, wordt de arbeidsovereenkomst met ingang van vandaag ontbonden. De vergoeding 2.4. [verzoeker] verzoekt dat VERM wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding. VERM moet, zoals hiervoor onder 2.2.1. al gezegd, een bedrag ter hoogte van de transitievergoeding betalen. Dit is een schadevergoeding, omdat VERM zich niet als een goed werkgever heeft gedragen door te weigeren mee te werken aan de beëindiging van het slapende dienstverband (onder toekenning van een vergoeding). Voor de berekening van de vergoeding wordt het dienstverband fictief bekort tot het moment waarop de bevoegdheid tot opzegging is ontstaan. Dat is 9 oktober 2024, de datum van einde wachttijd. Uitgaande van de hiervoor genoemde datum van indiensttreding en bruto loon, vermeerderd met 8% vakantiebijslag, bedraagt de vergoeding het netto equivalent van € 6.783,25 bruto. Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 9 oktober 2024. Vakantiebijslag 2.5. Op grond van artikel 8.2 van de arbeidsovereenkomst heeft [verzoeker] recht op 8% vakantiebijslag, die jaarlijks in mei wordt uitbetaald. [verzoeker] stelt dat na mei 2024 geen vakantiebijslag meer is betaald. VERM heeft dat niet betwist. 2.5.1. [verzoeker] had recht op loon tot en met 8 oktober 2024. Daarom heeft hij ook recht op vakantiebijslag over de periode van juni 2024 tot en met 8 oktober 2024. Uit de overgelegde producties blijkt dat hij over deze maanden 70% van zijn salaris ontving, wegens zijn arbeidsongeschiktheid. Daarom wordt aan vakantiebijslag over deze maanden toegewezen een bedrag van € 597,10 bruto (€ 2.504,08 x 70% x 8% x 4 8/31e maand). 2.5.2. Over dit bedrag is VERM wettelijke rente verschuldigd vanaf 30 mei 2025. De wettelijke verhoging over dit bedrag wordt gematigd tot 10%, omdat de wettelijke verhoging vooral bedoeld is als een prikkel om het loon op tijd te betalen en niet zozeer als schadevergoeding. Afrekening vakantiedagen 2.6. Nu de arbeidsovereenkomst eindigt, moet ook een financiële afwikkeling plaatsvinden. Dat betekent onder meer dat opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen uitbetaald moeten worden. [verzoeker] vraagt, na vermeerdering van zijn verzoek, om uitbetaling van een totaal van 312 niet opgenomen uren. Dit verzoek valt uiteen in twee delen: 1) dagen die zijn opgebouwd tot einde wachttijd en 2) dagen die zijn opgebouwd na einde wachttijd, dus toen het dienstverband al slapend was. De vermeerdering van het verzoek is aan VERM betekend en zij heeft gelegenheid gekregen om daarop te reageren, dus deze wijziging is toelaatbaar. Opgebouwde dagen tot einde wachttijd 2.7. Volgens [verzoeker] was zijn verlofsaldo bij einde wachttijd 152 uren. VERM heeft dat niet betwist. Daarom wordt een bedrag van € 2.371,11 bruto (152 uren x € 14,45 bruto per uur x 8%) toegewezen. Over dit bedrag hoeft VERM geen wettelijke verhoging en wettelijke rente te betalen, omdat de betaling van de vakantie-uren pas opeisbaar is per vandaag. Opbouw na einde wachttijd 2.8. [verzoeker] verzoekt ook betaling van 160 opgebouwde uren, die volgens hem zijn opgebouwd na 9 oktober 2024. Artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt weliswaar dat alleen vakantiedagen worden opgebouwd over de periode waarin een werknemer recht heeft op loon, dus in dit geval tot 9 oktober 2024, maar deze bepaling moet buiten beschouwing worden gelaten, aldus [verzoeker] . Hij betoogt dat dit wetsartikel in strijd is met Europese regelgeving. In dat standpunt wordt hij niet gevolgd om de volgende redenen. 2.8.1. De nationale rechter moet een nationale regeling buiten beschouwing laten als deze in strijd is met artikel 31 lid 2 EU-Handvest . Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat iedere werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in Richtlijn 2003/88/EG. 2.8.2. De kantonrechter is bekend met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU over vakantierechten . In de uitspraak van 15 juli 2025 onderkent het HvJ EU echter dat er specifieke omstandigheden kunnen zijn die een afwijking van het fundamentele recht op (jaarlijks betaald) verlof rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is in geval van een slapend dienstverband naar Nederlands recht, om de volgende redenen. (1) Kenmerkend voor een slapend dienstverband is dat de kernverbintenissen van de arbeidsovereenkomst, te weten het verrichten van arbeid en het betalen van loon, niet meer kunnen en hoeven te worden nageleefd.