Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-01-20
ECLI:NL:RBROT:2026:1179
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,676 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBROT:2026:1179 text/xml public 2026-02-20T16:47:05 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-20 C/10/711590 / JE RK 25-2569 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1179 text/html public 2026-02-20T16:46:30 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:1179 Rechtbank Rotterdam , 20-01-2026 / C/10/711590 / JE RK 25-2569 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/711590 / JE RK 25-2569 Datum uitspraak: 20 januari 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west , gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [naam vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 december 2025, door de rechtbank ontvangen op 11 december 2025; het bericht van de moeder van 21 december 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: - een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] . 1.3. De moeder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De vader is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. De kinderrechter stelt vast de vader wel juist is opgeroepen. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft bij een Kamertrainingscentrum (KTC) van [naam instelling] . 2.3. Bij beschikking van 29 juli 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 29 juli 2025 tot 29 juli 2026. Bij deze beschikking is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 29 juli 2025 tot 29 januari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de GI De GI handhaaft op de zitting het verzoek. [minderjarige] verblijft sinds kort bij een KTC van [naam instelling] . Zij past zich daar goed aan en pakt de begeleiding goed op. [minderjarige] houdt zich over het algemeen aan de regels, maar test deze soms nog uit. Zij heeft nog steeds contact met haar vriendje. Hoewel [minderjarige] liever niet naar het KTC had gewild, is deze plaatsing noodzakelijk bevonden vanwege de zorgen omtrent haar vriendje en de samenstelling van haar eerdere groep. [minderjarige] heeft een bijbaantje en is gemotiveerd om haar school af te maken. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder verloopt positief en de moeder werkt goed samen met de GI. De moeder is betrokken geweest bij de verhuizing naar het KTC. Contact tussen de vader en [minderjarige] is er nog niet. [minderjarige] volgt stapsgewijs therapie waarbij de bedoeling is om gedurende de behandeling -maar dan op een later moment- ook met de traumabehandeling te starten. Youz is betrokken bij haar therapie en pakt ook de specialistische begeleiding op het gebied van seksuele ontwikkeling en gedrag op. [minderjarige] toont motivatie om haar behandeling voort te zetten. De GI zal het traject in de komende periode nauwlettend blijven monitoren. Zowel [minderjarige] als de moeder zijn het eens met het onderhavige verzoek van de GI. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] recent is geplaatst bij een KTC. Vooralsnog lijkt [minderjarige] daar goed op haar plek te zitten. De begeleiding verloopt positief en [minderjarige] laat vooruitgang zien in haar ontwikkeling. Zij toont duidelijke motivatie om haar school af te ronden, haar therapie te volgen en haar bijbaantje voort te zetten. De behandeling vanuit Youz wordt momenteel gefaseerd ingezet om haar problematiek aan te pakken. Naar verwachting zal [minderjarige] ook op termijn starten met traumabehandeling. Het contact tussen de moeder, [minderjarige] en de GI verloopt positief. De moeder heeft de kinderrechter schriftelijk laten weten dat zij instemt met het onderhavige verzoek van de GI. Hoewel er op nog geen contact met de vader is, wordt door de GI bekeken of en zo ja op welke wijze dit in de toekomst kan worden vormgegeven. Gelet op de positieve ontwikkelingen en de duidelijke motivatie van [minderjarige] om haar hulpverleningstraject voort te zetten, oordeelt de kinderrechter dat het verblijf van [minderjarige] op het KTC in de komende periode dient te worden gecontinueerd. Dit maakt het mogelijk dat [minderjarige] haar traject op een verantwoorde en gestructureerde wijze kan voortzetten. 5.3. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 29 juli 2026; 6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. J.S. van den Berge, kinderrechter, in aanwezigheid van A.L.I. Janssens als griffier, en op schrift gesteld op 5 februari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.