Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-08-31
ECLI:NL:RBROT:2026:10885
Eiser is medepleger van de door de onderneming begane overtreding van artikel 2:96 van de Wft (verlenen van beleggingsdiensten in Nederland zonder de daartoe benodigde vergunning van de AFM). De rechtbank heeft het boetebedrag gematigd vanwege bijzondere omstandigheden gelegen in de opstelling van eiser na het verdwijnen van de onderneming, de evenredigheid in het algemeen en overschrijding van de redelijke termijn. RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/4052 uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser, gemachtigde: mr. P.A. Bonaparte, en Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM) gemachtigden: mr. A.J. de Heer, mr. R. den Boer en mr. W.J. Poot. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de AFM eiser in de periode van 5 mei 2017 tot 29 oktober 2021 terecht als medepleger heeft gekwalificeerd van de door [onderneming 1] ( [onderneming 2] ) begane overtreding van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Eiser heeft het standpunt van de AFM betwist en hiertegen beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden heeft de rechtbank het beroep beoordeeld. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat tussen [onderneming 2] en eiser sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking bij het in strijd met artikel 2:96 van de Wft verlenen van beleggingsdiensten in Nederland zonder de daartoe benodigde vergunning van de AFM. De bijdrage van eiser is van voldoende gewicht geweest om van medeplegen van overtreding van dit artikellid te spreken. Eiser krijgt dus geen gelijk. Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien het boetebedrag te matigen vanwege bijzondere omstandigheden gelegen in de evenredigheid in het algemeen, de opstelling van eiser na het verdwijnen van [onderneming 2] en overschrijding van de redelijke termijn. Daarom is het beroep gegrond en is het boetebedrag gematigd tot € 203.500,-. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Eerst komt het procesverloop in deze zaak aan de orde, dan de feiten en totstandkoming van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt daarna. Aan het eind van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. De AFM heeft bij besluit van 11 september 2024 (het boetebesluit) aan eiser een bestuurlijke boete van € 256.000,- opgelegd wegens het medeplegen van overtreding van artikel 2:96 van de Wft door [onderneming 2] en besloten tot openbaarmaking van het boetebesluit (het publicatiebesluit). 3. Bij besluit van 8 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de AFM het bezwaar van eiser tegen het boetebesluit en het publicatiebesluit ongegrond verklaard. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. Op 7 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris beslist dat het verzoek van 13 augustus 2025 van de AFM tot beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van een aantal bij de rechtbank ingediende dossierstukken gerechtvaardigd is. Op 21 oktober 2025 heeft eiser toestemming gegeven dat de rechtbank mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doet. 6. De AFM heeft op 31 oktober 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 7. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak ROT 25/4054 (een vergelijkbare zaak van [naam 1] , tegen de AFM). Eiser en [naam 1] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. P.A. Bonaparte. De AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Tevens zijn namens haar verschenen: [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] , allen werkzaam bij de AFM. Feiten en totstandkoming van het bestreden besluit Achtergrond [onderneming 2] en de aan haar tegengeworpen overtreding 8. [onderneming 2] was een vennootschap, die gebruik maakte van de website [naam website] . Volgens haar website was [onderneming 2] gevestigd op Saint Vincent en de Grenadines en was haar (post)adres op de Marshalleilanden. [onderneming 2] bood aan (potentiële) beleggers een beleggingsrekening (een zogenoemde ‘managed account’) aan. Een ‘managed account’ kon bij [onderneming 2] worden geopend na het ondertekenen door de (potentiële) belegger van een ‘Client Trading Agreement’. Na het openen van een ‘managed account’ kon de belegger op die rekening een geldbedrag met een minimum van € 10.000,- storten. Met het ingelegde vermogen werd door [onderneming 2] automatisch belegd in valutaderivaten op de Forex-markt. De belegger kon via een inlogcode de door [onderneming 2] met behulp van een zogenoemde Forex-robot uitgevoerde transacties inzien op het platform MetaTrader4 (MT4). Beleggers moesten hun inleg minimaal een jaar laten staan en/of werden ontmoedigd opnames te doen. Winsten konden slechts onder voorwaarden worden opgenomen. De eerste inleg op een ‘managed account’ die de AFM heeft vastgesteld vond plaats op 28 juni 2016 en vanaf 29 oktober 2021 was [onderneming 2] niet langer bereikbaar. 8.1. [onderneming 2] zou als volgt werkzaam zijn geweest. [onderneming 2] detecteerde met behulp van een zelfontwikkeld algoritme, de Forex-robot (of Expert Advisor), arbitrage-mogelijkheden en deze Forex-robot nam gelijktijdig voor alle ‘managed accounts’ een (naar rato gelijke) positie in als zo’n mogelijkheid werd gedetecteerd. Deze strategie was gericht op het benutten van prijsverschillen in de koers van vreemde valutaparen. Posities stonden daarbij kortstondig open, het zogenoemde High Frequency Trading (HFT). Na van een koersschommeling te hebben geprofiteerd, werd het koersverschil bijgeschreven op de ‘managed accounts’ van de beleggers in de valuta die daarop werd aangehouden (Euro). De onderliggende vreemde valuta (doorgaans Britse pond of Japanse Yen) werden nooit fysiek geleverd. [onderneming 2] maakte gebruik van een hefboom (van maximaal 1:200) bij haar beleggingen. 8.2. [onderneming 2] maakte in de uitoefening van haar bedrijfsmodel gebruik van een ‘affiliate’ programma, waarbij Nederlandse agenten (‘agents’) Nederlandse beleggers introduceerden en aanbrachten bij [onderneming 2] . Deze ‘agents’ (ook wel ‘affiliates’ of ‘introducing brokers’ genoemd) gebruikten hun eigen netwerk of marketing kanalen (een eigen website of sociale media kanalen) om nieuwe beleggers aan te trekken en deze beleggers ertoe te bewegen zich te registreren en vermogen over te maken naar [onderneming 2] , zodat [onderneming 2] met dat vermogen kon handelen. De afspraken, rechten en verplichtingen tussen [onderneming 2] en deze ‘agents’ werden beschreven op de website van [onderneming 2] maar ook in een ‘Introducing Broker Agreement’ en in correspondentie tussen deze ‘agents’ en de contactpersoon van [onderneming 2] in Nederland. Deze contactpersoon noemde zichzelf [contactpersoon] (hierna: [contactpersoon] ). 8.3. Uit deze afspraken, rechten en verplichtingen tussen [onderneming 2] en deze ‘agents’ kan worden afgeleid dat de werkzaamheden en acties van deze ‘agents’ bestonden uit 1) het promoten van de diensten van [onderneming 2] , 2) het ondernemen van actie om potentiële beleggers te werven teneinde een provisie van [onderneming 2] te ontvangen, 3) het vermelden van een zogenoemde ‘referral link’ (een hyperlink bijvoorbeeld op de website van de ‘agent’ of in een e-mailbericht van de ‘agent’ aan de potentiële belegger, hierna: de aanmeld-link) waarmee beleggers zich bij [onderneming 2] konden aanmelden om een ‘managed account te openen en 4) het zich maximaal inspannen om beleggers te werven en te adviseren bij het inleggen van vermogen. 8.4. [onderneming 2] hanteerde een provisiestructuur, die tot gevolg had dat ‘agents’ er belang bij hadden dat de beleggers die zij bij [onderneming 2] aanbrachten zoveel mogelijk vermogen zouden inleggen. De ‘agent’ ontving 10% van de inleg van de door hem/haar aangebrachte belegger en ongeveer 10 tot 15% van de beleggingswinst van deze belegger. 8.5. Het bedrijfsmodel van [onderneming 2] was er op gericht dat potentiële (Nederlandse) beleggers zich via een Nederlandse ‘agent’ onder gunstiger voorwaarden konden aanmelden op de website van [onderneming 2] . Zo betaalden beleggers, als zij via een ‘agent’ instapten, een performance fee van 30% in plaats van 40% over het rendement dat zij op hun inleg behaalden. Nieuwe beleggers ontvingen na hun aanmelding bij [onderneming 2] , al dan niet via een ‘agent’, een e-mailbericht van [contactpersoon] namens [onderneming 2] met verder instructies om de registratie bij [onderneming 2] af te ronden. Nadat een belegger een ‘managed account’ bij [onderneming 2] had geopend, bleef de ‘agent’ betrokken en beschikbaar om vragen te beantwoorden en te assisteren in het geval zich een probleem voordeed. Ook deelde de ‘agent’ op verzoek van [onderneming 2] zogenoemde ‘credit promotions’, waardoor een belegger werd bewogen extra vermogen in te leggen. 8.6. De ‘agents’ beschikten over een zogenoemd ‘commission account’ bij [onderneming 2] waarop de door hen behaalde provisies werden gestort. Zo ontving een ‘agent’ bij het aanbrengen van een nieuwe Nederlandse belegger steeds 10% van de inleg aan provisie van [onderneming 2] . Daarnaast ontving een ‘agent’, nadat deze belegger vermogen had ingebracht, doorlopend de helft van de performance fee die de belegger over de behaalde winst moest betalen. Dus zowel [onderneming 2] als de ‘agent’ kregen ieder 50% van de performance fee. Ook ontving de ‘agent’ gedurende de dienstverlening aan deze beleggers additionele vergoedingen, bijvoorbeeld voor aanmeldingen van nieuwe beleggers die werden aangebracht door deze beleggers die op hun beurt als ‘agent’ waren opgetreden. Dit waren de zogenoemde circle 2- of circle 3-vergoedingen. Bij een circle 2-vergoeding ontving een ‘agent’ standaard 2,5% van het vermogen dat de nieuwe beleggers inbrachten als aanbrengvergoeding en vervolgens doorlopend 10% van de performance fee. Bij een circle 3-vergoeding ontving de ‘agent’ 1% als aanbrengvergoeding en geen percentage van de performance fee. 8.7. Sinds 29 oktober 2021 is [onderneming 2] en ook de contactpersoon [contactpersoon] onbereikbaar, is de website van [onderneming 2] offline en is MT4 is niet langer toegankelijk voor beleggers die vermogen op hun beleggingsrekening (‘managed account’) bij [onderneming 2] hadden gestort, waardoor beleggers het door hen aan [onderneming 2] toevertrouwde vermogen kwijt zijn. 8.8. De AFM heeft het vorenstaande gereconstrueerd uit de gesprekken met verschillende ‘financiële influencers’ (finfluencers) vanaf september 2021, het nadere onderzoek dat zij naar [onderneming 2] heeft verricht en de door ‘agents’ aan haar verstrekte gegevens. Een en ander is verder uitgewerkt in het door haar opgestelde Onderzoeksrapport van 7 augustus 2023. 8.9. Of [onderneming 2] daadwerkelijk beleggingsdiensten heeft verricht met het door haar beheerde vermogen van de beleggers die dit vermogen aan haar hadden toevertrouwd, kan overigens niet met zekerheid door de AFM worden vastgesteld omdat [onderneming 2] op 29 oktober 2021 is verdwenen en geheel ‘offline’ is gegaan. Achtergrond eiser 9. Eiser maakte gebruik van de websites [website 1] , [website 2] en [website 3] . Op 1 januari 2021 richtte hij een eenmanszaak op met de naam [website 2] . Hij publiceerde op zijn websites over zijn opgedane kennis en ervaringen met forex en crypto en promootte verschillende brokers, waaronder [onderneming 2] . Ook schreef hij nieuwsbrieven. 9.1. Eiser is via de website van ‘e-Forex’ op de website van [onderneming 2] terecht gekomen. Na enig onderzoek en contact met de contactpersoon [contactpersoon] van [onderneming 2] heeft eiser in januari 2017 een ‘managed account’ bij [onderneming 2] geopend en enkele stortingen gedaan op dit beleggingsaccount. In het ‘dashboard’ van zijn beleggingsaccount bij [onderneming 2] was een ‘refer-a-friend program’ opgenomen en op de website van [onderneming 2] stond informatie over ‘The [onderneming 1] Affiliate Program’. Begin mei 2017 heeft eiser zich aangemeld als affiliate (‘agent’) van [onderneming 2] en daarmee verkreeg hij een ‘commission account’. Sinds die tijd kreeg eiser van [onderneming 2] een vergoeding (provisie) op dit account gestort als (nieuwe) beleggers via zijn link een ‘managed account’ bij [onderneming 2] openden en geld stortten. In totaal heeft eiser een bedrag van € 256.000,- aan provisies ontvangen van [onderneming 2] . 9.2. Nadat [onderneming 2] offline was gegaan, heeft eiser met een aantal andere ‘agents’ op 29 oktober 2021 een e-mail gestuurd aan beleggers van [onderneming 2] waarin hij hen informeerden over het offline gaan van [onderneming 2] en de te nemen vervolgstappen. Ze hebben een onderzoeksbureau ingeschakeld die de potentiële locatie van [contactpersoon] heeft achterhaald en hebben een Telegramgroep opgericht, waaraan ongeveer 220 Nederlandse gedupeerden deelnamen. Aanleiding onderzoek 10. Tussen 26 maart 2019 en 2 februari 2021 ontving de AFM drie signalen over [onderneming 2] . Vanwege het hoge aantal meldingen over partijen die mogelijk zonder vergunning actief zijn in Nederland in het algemeen, de beperkte toezichtcapaciteit van de AFM, risico-gestuurde prioritering en onvoldoende onderbouwing van deze drie signalen zag de AFM niet direct aanleiding tot individueel onderzoek naar [onderneming 2] . Wel heeft de opkomst van zogenoemde ‘finfluencers’, signalen over promotie op sociale media en diverse mediapublicaties over finfluencers de AFM in 2021 aanleiding gegeven een thematisch onderzoeksproject te starten naar beleggingsaanbevelingen, - advies en trainingen door finfluencers. De AFM voerde in het kader van dit project gesprekken met enkele finfluencers. Tijdens zo’n gesprek op 10 september 2021 werd de AFM bekend met de provisiestructuur en de (hoogte van) provisies van [onderneming 2] die de tussenpersonen (‘agents’) betaald kregen. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoeksproject en vermoedens van illegaliteit die verband hielden met het bedrijfsmodel en de provisiestructuur van [onderneming 2] heeft de AFM op 11 oktober 2021 besloten tot nader onderzoek gericht op [onderneming 2] . 10.1. Nadat beleggers vanaf 29 oktober 2021 niet langer toegang tot hun beleggingsaccount konden krijgen en [onderneming 2] ook anderszins niet te bereiken was, zijn er veel meldingen bij de AFM gedaan door beleggers die hun geld verloren waren. Op 25 november 2021 heeft de AFM een openbare waarschuwing gepubliceerd tegen [onderneming 2] . Daarna volgden meerdere aangiftes tegen en meldingen over [onderneming 2] . Naar aanleiding daarvan heeft de AFM besloten om nader onderzoek te doen naar de rol van de tussenpersonen van [onderneming 2] . Dit onderzoek is in juni 2022 gestart. Procedure 11. Vanaf 30 juni 2022 heeft de AFM meerdere informatieverzoeken gedaan bij eiser, waarop hij in verschillende brieven heeft gereageerd. Eiser heeft de door de AFM gevraagde documenten overgelegd alsmede bankafschriften. 11.1. Op 28 augustus 2023 heeft de AFM een onderzoeksrapport opgesteld. Na bij brief van 22 september 2023 een voornemen tot boeteoplegging kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de zienswijze van eiser daarop, heeft de AFM de bestuurlijke boete opgelegd. De AFM stelt dat [onderneming 2] van 28 juni 2016 tot 29 oktober 2021 artikel 2:96 van de Wft heeft overtreden, omdat zij zonder vergunning van de AFM in Nederland individuele vermogens heeft beheerd ter belegging in financiële instrumenten, meer specifiek valutaderivaten (contracts for differences, CFD’s). De AFM heeft eiser tegengeworpen dat hij van 5 mei 2017 tot 29 oktober 2021 de overtreding door [onderneming 2] heeft medegepleegd. De AFM heeft met besluit van 8 april 2025 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Beoordeling door de rechtbank 12. De rechtbank beperkt zich zo veel mogelijk tot het beoordelen van de kern van de gronden en argumenten die eiser naar voren heeft gebracht. Volgens vaste rechtspraak hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden en argumenten in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. Voor zover eiser eerst ter zitting gronden heeft aangevoerd die zien op de openbaarmaking van het boetebesluit laat de rechtbank deze buiten beschouwing omdat eiser deze eerder in de procedure naar voren had moeten en kunnen brengen. 13. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Overtreding [onderneming 2] 14. Eiser betoogt dat [onderneming 2] geen vergunning nodig had en dat artikel 2:96 van de Wft niet is overtreden door [onderneming 2] . De AFM was daarom niet bevoegd een bestuurlijke boete aan eiser op te leggen. 15. Volgens artikel 2:96, eerste lid, van de Wft is het verboden in Nederland zonder een daartoe door de AFM verleende vergunning – voor zover hier relevant – beleggingsdiensten te verlenen. Vermogensbeheer 16. Volgens eiser handelde [onderneming 2] niet ‘in opdracht van’ beleggers. [onderneming 2] faciliteerde dat beleggers zelf konden beleggen. Beleggers namen hiervoor op eigen initiatief en uit eigen beweging contact op met [onderneming 2] via de Engelstalige website van Grina en maakten zelf een beleggingsaccount aan bij [onderneming 2] , openden zelf een beleggingsrekening en stortten daarop geld. Vervolgens belegden deze beleggers zelf via het softwareprogramma MT4 en maakten zij daarbij gebruik van de door [onderneming 2] aangeboden Expert Advisor/Forex Robot. Beleggers konden dus de ‘trading bot’ van [onderneming 2] gebruiken om zelf via MT4-software geautomatiseerd te beleggen. Als tegenprestatie voor deze diensten van [onderneming 2] werd een deel van de door beleggers behaalde rendementen, de zogenaamde ‘performance fee’, aan [onderneming 2] afgedragen. Er was volgens eiser geen sprake van een overeenkomst van opdracht tussen [onderneming 2] en haar beleggers, maar van een licentieovereenkomst op basis waarvan beleggers de ‘trading bot’ van [onderneming 2] konden gebruiken om zelf via MT4-software geautomatiseerd te beleggen. Ook is volgens eiser geen sprake van vermogensbeheer ‘op discretionaire basis’. De beleggingsbeslissing heeft volgens eiser niet steeds bij [onderneming 2] gelegen. De verantwoordelijkheid voor de transacties van de ‘trading bot’ lag contractueel bij de belegger zelf, en die kon volgens eiser steeds ingrijpen in ‘trades’ van de ‘trading bot’. 17. De AFM heeft aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd dat [onderneming 2] beleggingsdiensten verleende door het beheren van individueel vermogen als bedoeld in de definitie van artikel 1:1 van de Wft. De definitie van ‘het beheren van een individueel vermogen’ in de zin van dit artikel luidt als volgt: ‘ in de uitoefening van een beroep of bedrijf (…) op discretionaire basis voeren van het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven opdracht’ . 17.1. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van vermogensbeheer volgens de definitie van artikel 1:1 van de Wft al sprake is als een partij (in dit geval [onderneming 2] ) beheer voert over aan haar klanten ‘toebehorende middelen’ ter (dus: met als doel) belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze klant gegeven ‘opdracht’. 17.2. De AFM heeft vastgesteld dat tussen [onderneming 2] en haar klanten (nieuwe beleggers) een overeenkomst (‘Client Trading Agreement’) tot individueel vermogensbeheer tot stand kwam en dat [onderneming 2] voor deze klanten een zogenoemd ‘managed account’ had geopend. Op dit account hadden deze klanten hun inleg/gelden gestort met als doel met die gelden beleggingsdiensten (in dit geval geautomatiseerde transacties op de Forex-markt in valutaderivaten) te laten verrichten door [onderneming 2] . Via het MT4-platform, waartoe deze klanten toegang hadden gekregen van [onderneming 2] , konden zij de via de Forex Robot uitgevoerde trades achteraf inzien. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de klanten zelf transacties uitvoerden. Daarmee was evident sprake van een opdracht aan [onderneming 2] om op discretionaire basis het vermogen van de klant/belegger te beheren. Dat deze opdracht aan [onderneming 2] werd gegeven, is eveneens terug te vinden in artikel 2.3 van [onderneming 2] ’s Client Trading Agreement, waarin is bepaald – kort gezegd – dat [onderneming 2] naar eigen inzicht voor rekening en risico van de belegger mocht handelen. Ook blijkt dit uit de website van [onderneming 2] , waarop [onderneming 2] expliciet adverteerde met het feit dat de belegger niet zelf hoefde te handelen. Op haar website pagina ‘ about us ’ beschreef [onderneming 2] bijvoorbeeld dat zij haar beleggers de mogelijkheid bood om een ‘managed account’ te openen, waarmee met behulp van ‘advanced automated trading technology’ uitmuntende beleggingsresultaten werden beloofd. Ook uit de Nederlandstalige You Tube-video blijkt dat beleggingsbeslissingen namens de belegger discretionair door [onderneming 2] zouden worden genomen, op basis van een door [onderneming 2] ontwikkeld algoritme. 17.3. De rechtbank wijst er verder op dat ook uit uitingen van Nederlandse ‘agents’, waaronder eiser, richting potentiële beleggers blijkt dat [onderneming 2] op basis van de trading bot discretionair beleggingsbeslissingen nam. Zo beschreef eiser op zijn website [website 2] : “zonder enige kennis kan jij je geld laten renderen” en op zijn website [website 1] dat “het systeem van [onderneming 2] ‘automatisch’ trades opende”. 17.4. Het voorgaande wijst er niet op dat de beleggingsbeslissing voor iedere transactie steeds bij de belegger heeft gelegen. Dat sprake zou zijn van een licentieovereenkomst tussen [onderneming 2] en haar (potentiële) belegger, zoals door eiser betoogt, is verder door eiser niet nader onderbouwd. In Nederland 18. Eiser stelt verder dat niet aan het bestandsdeel ‘in Nederland’ van de aan [onderneming 2] tegengeworpen overtreding is voldaan. Hij stelt dat het initiatief om [onderneming 2] ’s diensten af te nemen bij de belegger lag, zodat artikel 1:19c, eerste lid, onder a, van de Wft van toepassing is. 19. Uit artikel 1:19c van de Wft volgt dat de “initiatieftest” geldt voor het bepalen of [onderneming 2] ‘ in Nederland ’ actief is geweest als vermogensbeheerder. De daarin bedoelde “initiatieftest” komt er op neer dat [onderneming 2] de vergunningsverplichting niet heeft overtreden als zij haar dienstverlening niet richtte op Nederland, maar haar diensten alleen aan in Nederland gevestigde beleggers heeft verleend die op eigen initiatief bij [onderneming 2] klant zijn geworden. Dit wetsartikel is een implementatie van artikel 42 van Richtlijn (EU) 2014/65 (MIFID II). Uit overweging 111 bij MIFID II blijkt dat van het eigen initiatief van de belegger echter geen sprake is als de beleggingsonderneming zijn diensten promoot in de lidstaat van de belegger. Ook volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie komt de initiatieftest erop neer dat moet worden nagegaan “ of vóór de eventuele sluiting van een overeenkomst met de consument (…) blijkt dat deze [ondernemer] van plan was om handel te drijven met consumenten die woonplaats hebben in één of meerder lidstaten, waaronder die waar deze consument woonplaats heeft, in die zin dat hij bereid was om met deze consumenten een overeenkomst te sluiten ”. 19.1. Met het bestanddeel ‘in Nederland’ heeft de wetgever aldus beoogd het verlenen van financiële diensten op de Nederlandse financiële markten via een vergunning te reguleren. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat daarvan sprake is als de vermogensbeheerder zich tot in Nederland woonachtige beleggers richt, waarbij zij niet in Nederland gevestigd hoeft te zijn. Ook is niet relevant of de vermogensbeheerder zich ook op beleggers in andere landen richt. Er is geen sprake van eigen initiatief van de belegger als deze diensten afneemt waarvoor op de Nederlandse markt promotie of reclame heeft plaatsgevonden. 19.2. Alhoewel de website van [onderneming 2] was opgesteld in de Engelse taal, beschikte [onderneming 2] over een YouTube kanaal met een Nederlandstalige video, waarin de dienstverlening van [onderneming 2] werd toelicht. Hiermee richtte [onderneming 2] zich rechtstreeks op de Nederlandse markt en deed zij haar aanbod om financiële diensten te verlenen aan in Nederland gevestigde beleggers. Daarnaast werkte [onderneming 2] samen met Nederlandssprekende tussenpersonen (‘agents’ of ‘affiliates’ genoemd), die via persoonlijk advies, Nederlandstalige websites en/of eigen sociale media accounts [onderneming 2] aanbevolen en promootten om actief beleggers in Nederland te werven. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het initiatief voor het vermogensbeheer in Nederland van [onderneming 2] kwam. [onderneming 2] bood aldus beleggingsdiensten in financiële instrumenten in Nederland aan en verleende (vermoedelijk) beleggingsdiensten in financiële instrumenten aan Nederlandse beleggers, zodat hiermee sprake is van een vergunningplicht voor [onderneming 2] op grond van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft. Conclusie overtreding [onderneming 2] 20. Nu [onderneming 2] voor het verlenen van beleggingsdiensten geen vergunning had van de AFM en zij zich daarbij niet kon beroepen op een vrijstelling, uitzondering of ontheffing van dat verbod, heeft de AFM zich - gelet op het voorgaande - terecht op het standpunt gesteld dat [onderneming 2] in strijd met artikel 2:96, eerste lid, van de Wft heeft gehandeld en er dus sprake is van een overtreding door [onderneming 2] van dit artikel van de Wft. Het betoog van eiser faalt. Medeplegen door eiser 21. Eiser stelt dat hij geen medepleger is van de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [onderneming 2] . Eiser betoogt daartoe het volgende. 21.1. Eiser stelt dat zijn betrokkenheid bij [onderneming 2] beperkt was. Hij heeft weliswaar [onderneming 2] gepromoot, maar uit niets blijkt dat hij beleggers bij [onderneming 2] heeft aangebracht en met hen intensief en persoonlijk contact heeft onderhouden. Volgens eiser hebben de beleggers op eigen initiatief en uit eigen beweging contact opgenomen met [onderneming 2] om daar te beleggen. Het feit dat hij [onderneming 2] vrijwillig heeft gepromoot en hiervoor hoge commissies (provisies) heeft ontvangen is inherent aan het promoten van dit soort financiële partijen, maar dat is niet voldoende om te concluderen dat sprake is van medeplegen. 21.2. Verder stelt eiser dat hij weliswaar met [onderneming 2] heeft samengewerkt, maar het ontbrak aan gezamenlijke uitvoering. Hoewel eiser zijn informatievoorziening best een rol kan hebben gespeeld voor beleggers om via [onderneming 2] te beleggen, betekent dat niet dat sprake is van een wezenlijke bijdrage. Er is geen sprake van een bijdrage van voldoende gewicht, zoals vereist volgens vaste jurisprudentie. Eisers situatie onderscheidt zich ook van hetgeen aan de orde was in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2022 waarin wel sprake was van medeplegen. Van een nauwe en bewuste samenwerking is hier geen sprake. 21.3. Eiser stelt daarnaast dat hij op zijn websites slechts zijn eigen ervaringen deelde over het gebruik van [onderneming 2] (en andere partijen) en een aanmeldlink van [onderneming 2] deelde met geïnteresseerden. Het is onjuist dat hij door zijn netwerk en websites een groot bereik had en het vertrouwen wekte bij potentiële beleggers. Er zijn slechts circa 20 van de 200 beleggers via eisers link bij [onderneming 2] ingestapt. Dit is relatief beperkt. Het was bekend dat eiser zijn informatie subjectief was en hij had een disclaimer op zijn website. Van illegaal vermogensbeheer was volgens eiser geen sprake en hij had geen kennis van de delictsomschrijving. Ook had hij niet dit oogmerk. Hij heeft geen potentiële beleggers actief benaderd. Hij heeft niemand geadviseerd of begeleid. Hij was niet bepalend voor het nemen van beleggingsbeslissingen van anderen. Telefoonsessies en huisbezoeken hebben eenmalig, op initiatief en verzoek van enkele bezoekers van zijn website plaatsgevonden, waarin eiser meer informatie heeft verstrekt over en de werking van [onderneming 2] . Eiser heeft nooit te beheren vermogens bij [onderneming 2] aangeleverd. Geïnteresseerde beleggers konden zelf een account openen en hun inleg op een account storten. Dat ging buiten eiser om. Ook heeft hij geen trading bot aangeboden of geïnstalleerd bij andere beleggers. 21.4. Er is volgens eiser geen schriftelijke overeenkomst tussen hem en [onderneming 2] tot stand gekomen en hij heeft geen contract (‘Introducing Broker Agreement’) met [onderneming 2] getekend. Hij fungeerde niet als aanspreekpunt voor [onderneming 2] . Eiser betwist dat hij inzage had in beleggingsaccounts van andere beleggers en dat hij de door hem bij [onderneming 2] aangebrachte beleggers zou hebben gemonitord. De AFM heeft dit niet met stukken onderbouwd. Het enige stuk dat de AFM aan deze stelling ten grondslag heeft gelegd is een bericht afkomstig van [contactpersoon] , die blijkbaar naar een andere belegger heeft geschreven dat ‘agents’ gebruik maakten een applicatie genaamd Plugit om inzage te krijgen in de beleggingsaccounts van door hen aangebrachte beleggers. [contactpersoon] is een onbetrouwbare bron. Dit toont ook niet aan dat eiser agent was. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij zelf ook is gedupeerd door het fraudeleus handelen van [onderneming 2] . Beoordeling door de rechtbank 22. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder ‘overtreder’ verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Medeplegen doet zich voor als twee of meer (rechts)personen gezamenlijk een overtreding begaan. Hiervoor is niet vereist dat de medeplegers ieder afzonderlijk alle bestandsdelen van het delict vervullen. Voor de vraag of sprake is van medeplegen, wordt aangesloten bij het strafrechtelijk kader van medeplegen, dat voortvloeit uit artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het strafrechtelijk kader is nader uitgewerkt in jurisprudentie. In zijn arrest van 2 december 2014 heeft de Hoge Raad (en zie ook de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) ) een overzicht gegeven. Voor medeplegen moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt op de samenwerking en minder op wie de feitelijke handelingen van de overtreding verricht. De beoordeling of een samenwerking voldoende nauw en bewust is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Aandachtspunt is dat de materiële of intellectuele bijdrage aan het delict van voldoende gewicht (wezenlijk) is. Per geval moet op grond van de relevante feiten en omstandigheden beoordeeld worden of een persoon is aan te merken als medepleger. Daarbij moet rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In een situatie als onderhavige, waarin een bestuurlijke boete is opgelegd, rust de bewijslast dat eiser de overtreding heeft medegepleegd, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. 22.1. Opzet op oplichting of een vergelijkbaar delict is niet de rechtsvraag die hier voorligt. De rechtsvraag die in onderhavige zaak centraal staat is of eiser in de periode van 5 mei 2017 tot 29 oktober 2021 als medepleger kan worden aangemerkt van de overtreding door [onderneming 2] van artikel 2:96, tweede lid, van de Wft, namelijk het verlenen van beleggingsdiensten in Nederland door [onderneming 2] zonder de daartoe vereiste vergunning. Daarbij is niet in geschil dat eiser de overtreding niet zelf feitelijk heeft uitgevoerd. Met de AFM is de rechtbank overigens van oordeel dat niet is gebleken dat eiser, voordat [onderneming 2] offline ging, zou hebben geweten van de oplichting door [onderneming 2] en/of [contactpersoon] . De rechtbank overweegt hierbij dat eiser eveneens is gedupeerd door het offline gaan van [onderneming 2] en zich na het verdwijnen van [onderneming 2] (tezamen met andere ‘affiliates’ van [onderneming 2] ) heeft ingespannen om de verblijfplaats van [contactpersoon] te achterhalen en aan te sporen tot internationaal onderzoek. Zo heeft hij beleggers van [onderneming 2] benaderd en verzocht om informatie aan te leveren voor het onderzoeksbureau dat zij hadden ingeschakeld en zelfs aangespoord om aangifte te doen. 22.2. Bij de beoordeling of een (rechts)persoon is aan te merken als medepleger moet rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van de overtreding, het belang van de rol, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van de overtreding in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook worden geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na de overtreding. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór de overtreding is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de gestelde medepleger van voldoende gewicht is geweest. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van de overtreding zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding. 22.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de AFM voldoende aangetoond dat eiser de overtreding heeft medegepleegd. De AFM heeft het toetsingskader gebruikt zoals hierboven is weergegeven. De samenwerking tussen [onderneming 2] en haar tussenpersonen (ook wel ‘agents’ of ‘affiliates’ of Introducing Brokers’ genoemd) verliep volgens een vast patroon en volgens overeengekomen voorwaarden. Hoewel niet vaststaat dat eiser de ‘Introducing Broker Agreement’ van [onderneming 2] (de overeenkomst) heeft ondertekend, beschrijft deze overeenkomst wel adequaat de rechten en verplichtingen die over en weer tussen eiser en [onderneming 2] golden. Uit deze overeenkomst volgt onder meer dat eiser verplicht was zich maximaal in te zetten om klanten te werven (‘ 4.3 To put forth maximal effort into acquiring clients to the Company’) en dat [onderneming 2] verplicht was aan eiser onder de genoemde voorwaarden commissie (provisie) uit te betalen (‘5.2 Pay out IB commission under the conditions of the Agreement’ ). Niet in geschil is dat eiser beschikte over een ‘commission account’ en dat hij op deze rekening (hoge) vergoedingen (commissie of provisie) ontving voor het aanbrengen van nieuwe beleggers. Hieruit volgt dat hij als ‘Introducing Broker’ (‘agent’) van [onderneming 2] kan worden aangemerkt. Tussen [onderneming 2] en eiser bestond verder een min of meer vaste taak- of rolverdeling, waarbij [onderneming 2] de delictsgedraging vervulde en eiser uitvoering gaf aan haar verplichtingen jegens [onderneming 2] uit hoofde van de overeenkomst, in die zin dat hij zich inspande om zoveel mogelijk klanten (beleggers) aan te brengen en deze klanten te laten beleggen bij [onderneming 2] dan wel om beleggers aan te sporen extra vermogen in te leggen door middel van zogenoemde ‘credit promotions’. 22.4. Eiser is ruim vier jaar actief geweest voor [onderneming 2] en diende volgens de overeenkomst minimaal 5 beleggers per 12 maanden aan te brengen. Hoewel het exacte aantal ingestapte beleggers bij [onderneming 2] via de aanmeld-link van eiser de AFM niet bekend is, heeft eiser naar eigen zeggen 24 (nieuwe) beleggers bij [onderneming 2] aangebracht. De AFM is dus niet ten onrechte uitgegaan van in ieder geval 20 beleggers. Naar aanleiding van het contact met en advies van eiser openden deze beleggers via de aanmeld-link van eiser een ‘managed account’ bij [onderneming 2] en maakten zij ieder afzonderlijk bedragen tussen de € 10.000,- en € 375.000,- aan [onderneming 2] over. Eiser heeft op deze wijze in de periode van 5 mei 2017 tot 29 oktober 2021 een bedrag van circa € 256.000,- aan provisies van [onderneming 2] ontvangen. De door [onderneming 2] gehanteerde provisiestructuur had tot gevolg dat eiser er belang bij had dat de beleggers die hij aanbracht bij [onderneming 2] zoveel mogelijk vermogen zouden inleggen. De bijdrage van eiser was de noodzakelijke en wezenlijke eerste schakel om de delictsgedraging (het illegale vermogensbeheer) door [onderneming 2] te kunnen uitvoeren. 22.5. Eiser wist dat [onderneming 2] niet over een vergunning van de AFM beschikte , maar toch besloot hij als ‘agent’ van [onderneming 2] op te treden. Dat eiser dacht dat een dergelijke vergunning niet nodig was, is onvoldoende om hem dit niet aan te rekenen. Eiser begaf zich op een streng gereguleerde markt. Een ieder die zich op de financiële markt begeeft is ervoor verantwoordelijk om zich ervan te vergewissen en zeker te stellen dat de verrichte activiteiten voldoen aan de voorschriften uit het toezichtrecht. Aan deze eigen verantwoordelijkheid kan eiser zich niet onttrekken. Het lag op de weg van eiser om te onderzoeken of de partij die hij promootte en met wie hij samenwerkte, en haar activiteiten legaal waren. Eiser heeft dit nagelaten, ondanks de wetenschap dat [onderneming 2] niet over een vergunning van de AFM beschikte en een ondoorzichtig bedrijfsmodel voerde dat bestond uit hoge rendementen op basis van risicovolle beleggingen en tegelijkertijd het toekennen van significante provisies aan ‘agents’ die beleggers aanbrachten. Eiser was ermee bekend dat [onderneming 2] vermogens van beleggers beheerde ter belegging in financiële instrumenten, dat [onderneming 2] in valutaderivaten handelde door middel van een Forex-robot en dat er een hefboom werd gebruikt. Daarnaast wist eiser dat [onderneming 2] in Nederland actief was en Nederlandse ‘agents’ inzette om Nederlandse beleggers te werven. Kritische vragen en zorgen van beleggers beantwoordde hij met geruststellende boodschappen en hij heeft hierin geen aanleiding gezien om zijn samenwerking met [onderneming 2] onder de loep te nemen of zelfs te beëindigen. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee op de hoogte was van alle gedragingen van [onderneming 2] die de delictsomschrijving van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft vormen. 22.6. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser ten onrechte op zijn websites vermelde dat [onderneming 2] gereguleerd werd door de Malta Financial Services Authority (MFSA), de enige toezichthouder op financiële diensten in Malta, en later op weg was naar een regulering door de Financial Conduct Authority (FCA), de toezichthouder in het Verenigd Koninkrijk. Dat eiser naar eigen zeggen hierbij enkel op de informatie van [contactpersoon] is afgegaan, komt voor zijn rekening en risico. Zoals hiervoor al is aangegeven, begaf eiser zich op een streng gereguleerde markt. Van hem had verwacht mogen worden dat hij meer onderzoek had gedaan en op de hoogte was van de betekenis en risico’s van het beheren van vermogen zonder vereiste vergunning en het verrichten van handelingen voor een dergelijke partij. Te meer omdat eiser zich verdiepte in en in brede zin publiceerde over (zijn ervaringen met) financiële producten. 22.7. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser [onderneming 2] promootte door op zijn website(s) voornamelijk positief over [onderneming 2] te berichten en op zijn website(s) wervende teksten met zijn aanmeld-link naar [onderneming 2] te plaatsen. Het is daarbij kwalijk te noemen dat eiser richting potentiële beleggers stelde dat hij grondig onderzoek had gedaan naar [onderneming 2] , terwijl dat niet het geval was. Eiser had met zijn website(s) een groot bereik onder Nederlandstalige internetgebruikers. Hij deelde informatie over [onderneming 2] en haar betrouwbaarheid, reviews over [onderneming 2] van beleggers, voorwaarden van [onderneming 2] , de werkwijze van een ‘managed account’ en het belang om via hem bij [onderneming 2] in te stappen. Ook plaatste hij op zijn website links naar [onderneming 2] met wervende teksten en een knop met aanmeld-link, contractinformatie en een stappenplan voor aanmelding bij [onderneming 2] . Daarnaast stuurde hij naar een brede groep ontvangers (in ieder geval 36) mailings waarmee hij specifiek tot [onderneming 2] aangaf dat geïnteresseerden via hem onder betere voorwaarden konden instappen in [onderneming 2] . Ook is hij bij een aantal (potentiële) beleggers thuis geweest om uitleg te geven over de werking van [onderneming 2] . Hieruit blijkt een actieve benadering van (potentiële) beleggers. 22.8. Zoals uit het verkennend onderzoek naar finfluencers door de AFM naar voren komt beschouwen (potentiële) beleggers finfluencers – zoals eiser kan worden beschouwd – veelal als experts, terwijl de meeste finfluencers geen relevante financiële opleiding of werkervaring hebben. Eiser presenteerde zich via zijn website, nieuwsbrieven en individuele contacten via de telefoon en door middel van huisbezoeken als deskundige met jarenlange ervaring op het gebied van online investeren en alternatieven voor sparen en specifiek van de Forex markt. Vanwege deze positionering genoot eiser vertrouwen van beleggers en kenden beleggers gewicht toe aan de uitlatingen van eiser. De (potentiële) beleggers gaven opvolging aan de adviezen van eiser door met zijn aanmeld-link (en hulp) een ‘managed account’ te openen bij [onderneming 2] en gelden/vermogen over te maken op dit account. Zo blijkt uit reviews op eisers website dat hij beleggers heeft begeleid bij het openen van een ‘managed account’ en vragen over [onderneming 2] heeft beantwoord. Dit blijkt eveneens uit verklaringen van beleggers aan de AFM en door hen aan de AFM verstrekte informatie. Uit het dossier blijkt verder dat eiser vragen beantwoordde, (ongevraagd) een handleiding, cliëntovereenkomst of bankgegevens van [onderneming 2] doorstuurde naar beleggers en navraag deed wanneer gelden zouden worden overgemaakt naar [onderneming 2] . Ook heeft eiser een keer ongevraagd contact opgenomen met een belegger die zonder de promotiecode een additioneel bedrag had ingelegd bij [onderneming 2] . 22.9. Hoewel eiser dit ontkent, blijkt uit een e-mail van [contactpersoon] , dat tussenpersonen aangebrachte beleggers konden monitoren via de applicatie genaamd Plug-it. Ook ondernam eiser actie richting beleggers van [onderneming 2] naar aanleiding van de verzoeken en instructies van [contactpersoon] . Uit het dossier komt het beeld naar voren dat eiser en [contactpersoon] intensief contact onderhielden. 22.10. Uit het totaal aan gedragingen heeft de AFM terecht afgeleid dat eiser nauw en bewust heeft samengewerkt met [onderneming 2] en dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [onderneming 2] . De gedragingen van eiser hebben ertoe geleid dat beleggers zich aanmeldden via zijn aanmeld-link bij [onderneming 2] en vermogen overmaakten op een ‘managed account’ van [onderneming 2] , zodat dit door hen ingelegde vermogen daadwerkelijk kon worden beheerd door [onderneming 2] . Ook fungeerde hij als aanspreekpunt voor beleggers. Daarmee heeft eiser een wezenlijke bijdrage geleverd voorafgaand aan en tijdens de overtreding van voormeld artikel van de Wft. Zijn bijdrage was van groot gewicht en cruciaal voor het illegale vermogensbeheer van [onderneming 2] . Eiser was de essentiële schakel tussen de beleggers in zijn netwerk die hij aanbracht bij [onderneming 2] en het door [onderneming 2] aan die beleggers verleende illegale vermogensbeheer. Als eiser (en de andere ‘agents’) de werkzaamheden voor [onderneming 2] niet had(den) verricht, had het illegale vermogensbeheer niet of in ieder geval niet met een zelfde omvang kunnen plaatsvinden. 22.11. De AFM heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat de overtreding van [onderneming 2] een doorlopende overtreding betreft, waarbij steeds opnieuw handelingen worden verricht die leiden tot de delictsgedraging van [onderneming 2] . De ‘agents’ waren de kruiwagens die [onderneming 2] nodig had om het vermogen van Nederlandse beleggers aan te trekken die hun vermogen bij haar gingen inleggen. Dat de ‘agents’ onderling inwisselbaar waren en in de doorlopende overtreding gedurende verschillende periodes met [onderneming 2] samenwerkten, maakt niet dat eisers bijdrage in de genoemde periode niet wezenlijk was. 22.12. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2022 (ECLI:NL:2022:5422), waarnaar eiser verwijst, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Gelet op het hiervoor weergegeven toepasselijke juridische kader heeft de rechtbank aan de hand van alle feiten en omstandigheden geoordeeld dat in dat geval sprake was van medeplegen. Ook in die zaak was geen sprake van het direct uitvoeren van de delictsgedraging van illegaal vermogensbeheer, maar was de (rechts)persoon met zijn gedragingen een cruciale schakel voor die delictsgedraging. Dat de onderhavige feiten en omstandigheden afwijken van de situatie die aan de orde was in die uitspraak, betekent niet dat hier geen sprake kan zijn van medeplegen. Eiser gaat er aan voorbij dat zijn gedragingen [onderneming 2] in staat hebben gesteld te profiteren van de reikwijdte van zijn netwerk en websites in Nederland en van zijn geloofwaardigheid en ervaringen op de financiële markt. Met zijn uitlatingen over de betrouwbaarheid van [onderneming 2] en zijn eigen onderzoek daarnaar, heeft hij onder (potentiële) Nederlandse beleggers het vertrouwen in [onderneming 2] gewekt, waardoor [onderneming 2] haar bereik onder deze Nederlandse beleggers kon vergroten en [onderneming 2] toegang heeft verkregen tot het vermogen van beleggers die zich via de aanmeldlink van eiser hebben aangemeld. 22.13. Ook de overige in beroep door eiser in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, wat van de juistheid daarvan ook zij, leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank volstaat met dit oordeel, omdat de AFM in het door eiser bestreden besluit gemotiveerd uiteen heeft gezet dat deze gestelde feiten en omstandigheden onverlet laten dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en eiser niet voldoende heeft geconcretiseerd waarom die motivering tekortschiet. Rechtszekerheids-, gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur 23. Eiser betoogt dat sprake is van willekeur en strijd met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel. Eiser voert in dit verband aan dat de AFM niet is opgetreden tegen [onderneming 2] , [contactpersoon] , andere beleggers die [onderneming 2] hebben gepromoot en de faciliterende financiële instellingen. Daarnaast mocht eiser vertrouwen op de uitlatingen van de AFM die zij in een gesprek met een andere ‘agent’ die [onderneming 2] promootte heeft gedaan. In dat gesprek, dat plaatsvond begin september 2021, is de indruk gewekt dat het aanbieden van een aanmeld-link naar [onderneming 2] op de website geen overtreding opleverde en dit betekende dat de aanmeld-link op de website van die andere ‘agent’ niet hoefde te worden verwijderd. Door de AFM zou in dit gesprek alleen zijn gezegd dat “het onwenselijk was dat [onderneming 2] geen vergunning had” . Naar aanleiding van dit gesprek kon ook eiser ervan uitgaan dat er geen sprake was van een overtreding van de Wft door deze ‘agent’ dan wel door [onderneming 2] , laat staan dat hij moest vrezen voor een bestuurlijke boete in verband met het medeplegen van de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [onderneming 2] , zoals door de AFM nu is opgelegd. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat er ook ‘agents’ zijn die een waarschuwing hebben gekregen en geen boete. 24. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen of dat het handelen van de AFM getuigt van willekeur. Uit het dossier en de toelichting van de AFM ter zitting blijkt dat de AFM al een onderzoek was gestart naar [onderneming 2] , voordat de website van [onderneming 2] eind oktober 2021 offline ging en [onderneming 2] met de gelden van beleggers verdween. Op het moment dat de AFM op 25 november 2021 een openbare waarschuwing met betrekking tot [onderneming 2] uitvaardigde, was [onderneming 2] al van de markt verdwenen en was zij niet meer traceerbaar als rechtspersoon. Hierdoor was het ook niet meer mogelijk voor de AFM om andere bestuursrechtelijke instrumenten in te zetten tegen [onderneming 2] of [contactpersoon] . Inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden is noodzakelijk om de bij [onderneming 2] betrokken personen op te sporen. Dat valt echter niet binnen de bevoegdheid of taak van de AFM. De rechtbank heeft vastgesteld dat de AFM ook aan andere ‘agents’ (tussenpersonen) van [onderneming 2] een bestuurlijke boete vanwege medeplegen aan de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [onderneming 2] heeft opgelegd. Van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld is de rechtbank niet gebleken. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat de AFM zich daarbij op het standpunt heeft kunnen stellen dat de rol van de financiële instellingen die hun bankrekeningen ter beschikking hebben gesteld niet te vergelijken is met de (grotere en wezenlijke) bijdrage die eiser heeft geleverd. 25. Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel is van belang dat volgens vaste jurisprudentie voor een geslaagd beroep als eerste stap aannemelijk moet worden gemaakt dat er sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van een ambtenaar die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn/haar geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Algemene voorlichting of uitlatingen over een ander geval of jegens derden zijn niet aan te merken als een toezegging. Ook is er geen sprake van een toezegging, als er uitdrukkelijk over het concrete geval aan de betrokkene een voorbehoud is gemaakt. 25.1. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen deelnemer aan dit gesprek was en dus van een toezegging aan eiser geen sprake kan zijn. De vermeende toezegging staat ook niet op schrift. Het gesprek met deze door eiser genoemde ‘agent’ vond plaats in de context van een verkenning dan wel het onderzoeksproject naar ‘finfluencers’. De AFM heeft naar eigen zeggen nadrukkelijk geen standpunt ingenomen tijdens dit gesprek en evenmin een opmerking gemaakt dat de aanmeld-link kon blijven staan of dat niet handhavend zou worden opgetreden. Het tegendeel is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Het vertrouwensbeginsel noch het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. 26. Het betoogt van eiser slaagt niet. Opportuniteit 27. Eiser betoogt dat boeteoplegging niet opportuun en evenredig is. 28. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiser onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat AFM met het opleggen van de bestuurlijke boete wil bereiken. Door zonder vergunning van de AFM beleggingsdiensten te verlenen in Nederland heeft [onderneming 2] zich onttrokken aan het toezicht van de AFM dat (mede) gericht is op de bescherming van belangen van beleggers. De risico’s die dat toezicht beoogt te mitigeren, hebben zich verwezenlijkt: voor het verlenen van deze beleggingsdiensten heeft [onderneming 2] hoge provisies betaald aan haar ‘agents’ en beleggers zijn hun geld kwijtgeraakt nadat [onderneming 2] van de markt was verdwenen. 28.1. De AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft een ernstige overtreding is, die eiser heeft medegepleegd. Eiser was gedurende ruim vier jaar een essentieel verlengstuk van een illegale vermogensbeheerder op de financiële markt. Zoals hiervoor is overwogen bij de beoordeling over medeplegen, was zijn rol niet marginaal. De geloofwaardigheid en het vertrouwen dat eiser genoot, heeft ertoe geleid dat beleggers zich als klant aanmeldden bij [onderneming 2] en daadwerkelijk vermogen aan [onderneming 2] ter beschikking stelden met het doel dat dit vermogen zou worden beheerd en belegd door [onderneming 2] . Daarmee was eiser een cruciale schakel tussen [onderneming 2] en deze beleggers en heeft eiser eraan bijgedragen dat de overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft door [onderneming 2] op omvangrijke schaal kon plaatsvinden. Gelet hierop had een minder ingrijpende maatregel dan een punitieve sanctie niet volstaan. Het opleggen van een bestuurlijke boete is dan ook opportuun. 28.2. Het betoog van eiser faalt op dit punt. Boetehoogte 29. Eiser heeft subsidiair betoogd dat de opgelegde boete te hoog is en niet evenredig is vastgesteld. De hoogte van het vermeend verkregen voordeel is door de AFM onjuist berekend. Op de AFM ligt de stel- en bewijslast dat het verkregen voordeel € 256.000,- bedraagt en de AFM is daarin volgens eiser niet geslaagd. Eiser heeft dit bedrag gemotiveerd betwist en betoogt in dit verband dat de AFM geen duidelijk onderscheid heeft kunnen maken tussen ontvangsten die verband houden met commissiebetalingen, werkzaamheden voor [onderneming 2] of winsten uit eigen beleggingen en dus geen conclusies heeft kunnen verbinden aan het vermeend verkregen voordeel. De bewijslast mag ook niet worden omgedraaid. Eiser kan het bewijs niet leveren, omdat hij sinds het offline gaan van [onderneming 2] geen toegang meer heeft tot zijn privé accounts bij [onderneming 2] . Daarnaast heeft eiser eerder de financiële gegevens van zijn onderneming gedeeld waaruit de aangevoerde marketing- en kantoorkosten blijken, die betrekking hebben op [onderneming 2] . Volgens eiser heeft de AFM het vermeend verkregen voordeel niet als absolute ondergrens mogen hanteren. Verder heeft eiser een draagkrachtverweer gevoerd en gesteld dat de AFM de hoogte van de boete had moeten verlagen op grond van zijn draagkracht. Daarnaast heeft eiser een boetematigingsverweer gevoerd vanwege persoonlijke omstandigheden en omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Eiser stelt in dit verband dat sprake is van een verminderde verdiencapaciteit vanwege gezondheidsproblemen en de omstandigheid dat zijn opdrachten ten gevolge van de publicatie zijn afgenomen. 30. De AFM heeft de hoogte van de opgelegde boete bepaald aan de hand van de omstandigheden die zijn genoemd in artikel 1b, aanhef en onder a tot en met f, van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs) en zoals neergelegd in het stappenplan van het Boetetoemetingbeleid AFM 2021. De rechtbank toetst aan de hand van die stappen zonder terughoudendheid of de boete in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt zij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd en de draagkracht van de overtreder. De rechtbank gebruikt daarbij het criterium ‘passend en geboden’. Stap 1: basisbedrag en ernst, omvang en duur van de overtreding 30.1. Op grond van artikel 1:81, eerste en tweede lid, van de Wft en artikel 10, eerste lid, van het Bbbfs valt overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft in de derde boetecategorie en geldt voor deze overtreding een basisbedrag van € 2.500.000,-. 30.2. De AFM heeft de overtreding terecht als ernstig bestempeld, gelet op de omvang en duur van de overtreding, het met de overtreding verkregen voordeel en de ernstige gevolgen van de overtreding. Door samen te werken met [onderneming 2] , een illegale vermogensbeheerder, heeft eiser [onderneming 2] in staat gesteld vermogen aan te trekken. Eiser heeft immers zeker 20 beleggers aangebracht bij [onderneming 2] , in een periode van ruim vier jaar, waarmee hij ruim € 256.000,- aan provisies heeft verdiend. De AFM heeft bij de vaststelling van de periode van ruim vier jaar mogen uitgaan van het moment dat eiser zijn ‘commission account’ bij [onderneming 2] heeft verkregen (op 5 mei 2017) en het moment dat [onderneming 2] van de markt is verdwenen (29 oktober 2021). In die periode konden (potentiële) beleggers zich via de aanmeld-link van eiser een beleggingsrekening (‘managed account’) openen bij [onderneming 2] en daarop vermogen inleggen, en kreeg eiser van [onderneming 2] hiervoor een provisie-vergoeding op zijn ‘commission account’. De beleggers zijn als gevolg van het verdwijnen van [onderneming 2] hun geld kwijt geraakt. De vergunningplicht van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft en de doorlopende gedragsregels proberen dergelijke misstanden juist te voorkomen. De AFM heeft terecht geen aanleiding gezien om het basisbedrag te verhogen of te verlagen wegens de ernst van de overtreding. In de indeling van de overtreding in boetecategorie 3 en de daaraan gekoppelde hoogte van het basisbedrag van € 2.500.000,- is al een intrinsieke ernst verwerkt. Stap 2 en 3: mate van verwijtbaarheid en geen recidive 30.3. De rechtbank volgt het standpunt van de AFM dat geen aanleiding bestaat het basisbedrag te verhogen of te verlagen vanwege verminderde of verhoogde verwijtbaarheid. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 22.4. is de rechtbank van oordeel dat eiser wist dat [onderneming 2] geen vergunning had. Toch heeft het hem er niet van weerhouden beleggers bij [onderneming 2] in te laten stappen met hoge provisies voor hemzelf. Van eiser mocht worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelde van de geldende wet- en regelgeving en de verplichtingen naleeft. Hij heeft nauw en bewust met [onderneming 2] samen gewerkt en daardoor een wezenlijke bijdrage aan de overtreding geleverd. Dit is hem te verwijten. Van recidive is geen sprake. Het basisbedrag blijft € 2.500.000,-. Stap 4: omvangtabel 30.4. De AFM heeft uit de door eiser verstrekte gegevens afgeleid dat hij een vermogen heeft van minder dan € 500.000,-, zodat hij wordt ingedeeld in de 5% categorie. Het boetebedrag zou hiermee komen op € 125.000,-. Stap 5 en 6: passendheidstoets en verkregen voordeel 30.5. Het op basis van de voorgaande stappen vastgestelde boetebedrag kan worden verlaagd op grond van overige omstandigheden van het geval, waaronder de opstelling van de overtreder en de evenredigheid in het algemeen. Er kan sprake van bijzondere omstandigheden zijn die in het voorgaande niet zijn betrokken, maar in het kader van de evenredigheid van de hoogte van de boete in een specifiek geval wel relevant zijn. De boete kan (verder) worden verlaagd op grond van een of meer omstandigheden uit deze ‘restcategorie’. 30.6. De AFM heeft in stap 5 van haar besluitvorming gewezen op de opstelling van eiser na het verdwijnen van [onderneming 2] . Hij heeft zich (tezamen met een aantal andere tussenpersonen) ingespannen om gedupeerde beleggers te helpen en een onderzoeksbureau onderzoek laten verrichten naar de verblijfplaats van [contactpersoon] gericht op internationale opsporing. Hierin heeft de AFM overigens geen aanleiding gezien om tot verlaging van de boete over te gaan. 30.7. In stap 6 is de keuze gemaakt om, als het door de overtreding behaalde voordeel kan worden vastgesteld en het na stap 5 vastgesteld bedrag lager is dan het bedrag van het verkregen voordeel, het boetebedrag te verhogen tot ten minste het bedrag van het voordeel. De AFM hecht eraan dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. In stap 6 heeft de AFM de boete nader vastgesteld op € 256.000,-, bestaande uit het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit bedrag heeft de AFM kunnen vaststellen op basis van de door eiser overgelegde afschriften van zijn bankrekeningen. 30.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen redelijke verklaring gegeven die deze schatting van de AFM ontzenuwt. De AFM heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij over het gestelde ontvangen rendement over zijn inleg op zijn ‘managed account’ bij [onderneming 2] onjuist heeft verklaard en daarover consequent geen duidelijkheid heeft willen geven richting de AFM. Daarbij heeft de AFM terecht gewezen op de omstandigheid dat in de bankafschriften geen onderscheid is gemaakt tussen betalingen en ontvangsten die betrekking hebben op beleggingen in zijn ‘managed account’ en ontvangsten die betrekking hebben op zijn activiteiten als ‘agent’ in zijn ‘commision account’. De door eiser gestelde eigen inleg als belegger van in totaal € 16.000,- en het - ten opzichte van deze inleg ongeloofwaardig hoog - gestelde rendement van € 141.075,- op het ‘managed account’ heeft de AFM daarom niet in mindering hoeven brengen op het verkregen voordeel. De AFM heeft zich daarnaast ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de door hem benoemde marketing- en kantoorkosten in direct verband staan met de overtreding en daarom tot verlaging van het bedrag moeten leiden. Van belang hierbij is dat eiser naast [onderneming 2] ook andere aanbieders promootte. Wel heeft de AFM ambtshalve hierbij rekening gehouden met een gemiddelde aan kosten van € 2.100,- vanwege het met andere tussenpersonen inschakelen van een onderzoeksbureau. Het door de AFM berekende boetebedrag komt hiermee afgerond op € 256.000,-. Stap 7: Draagkracht 30.9. In stap 7 van het Boetetoemetingsbeleid heeft de AFM geen aanleiding gezien om de boete te verlagen wegen beperkte draagkracht van eiser, omdat het beleid als uitgangspunt hanteert dat het met de overtreding verkregen voordeel geldt als het minimale boetebedrag. De rechtbank is van oordeel dat de AFM terecht geen rekening heeft gehouden met de draagkracht van eiser. Wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen, ook als dat voordeel door een overtreder al zou zijn uitgegeven. Voor matiging wegens draagkracht kan slechts aanleiding bestaan als op voorhand duidelijk is dat de betrokkene geen enkele draagkracht heeft en dit op termijn ook niet kan krijgen. De AFM heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser geen enkele draagkracht heeft en dit op termijn ook niet zal krijgen, zodat hij geacht moet worden de boete te kunnen dragen. De AFM heeft er terecht op gewezen dat in het kader van de invorderingsprocedure nadere gegevens kunnen worden overgelegd en een betalingsregeling mogelijk is. 30.10. Vooralsnog gaat ook de rechtbank dus uit van bovenstaand bedrag aan verkregen voordeel van € 256.000,-. Met de AFM is de rechtbank van oordeel dat een overtreding niet mag lonen. Matiging van de boete 31. Hoewel het door de AFM gehanteerde Boetetoemetingsbeleid 2021 duidelijk is en het behaalde voordeel in beginsel als ondergrens moet worden gehanteerd, ziet de rechtbank toch aanleiding om de boete enigszins te matigen. Zij overweegt hiertoe als volgt. 31.1. Het heeft erg lang heeft geduurd voordat de AFM na de eerste meldingen daadwerkelijk heeft opgetreden tegen [onderneming 2] . Hoewel het begrijpelijk is dat, gelet op de toezichtcapaciteit van de AFM en de hoeveelheid meldingen in het algemeen die bij de AFM binnen komen, keuzes moesten worden gemaakt, was er al wel langere tijd (sinds 2019) sprake van een aantal (redelijk concrete) meldingen over [onderneming 2] die aanleiding hadden kunnen geven voor nader onderzoek door de AFM en tot ingrijpen hadden kunnen leiden. Pas in het kader van de gesprekken met finfluencers is de AFM in september 2021 bekend geworden met de impact, de omvang van de dienstverlening en de provisiestructuur van [onderneming 2] en is de AFM toen nader onderzoek gaan doen, welk onderzoek pas in 2022 meer op eiser (en andere finfluencers) is toegespitst. Ook heeft de AFM, nadat [onderneming 2] op 29 oktober 2021 was verdwenen met de inleg van beleggers, pas op 25 november 2021 een openbare waarschuwing uitgevaardigd. Hierdoor heeft de overtreding door [onderneming 2] langer kunnen voortduren en heeft de inleg van beleggers, de provisies van tussenpersonen en uiteindelijk de verliezen van deze beleggers in omvang kunnen toenemen. Hoewel eiser – zoals eerder geoordeeld – zelf ook een verantwoordelijkheid had in deze en (meer) nader onderzoek had moeten doen naar [onderneming 2] en zich mogelijk eerder had kunnen terug trekken en beleggers had kunnen waarschuwen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet geheel aan eiser (en andere tussenpersonen) kan worden toegerekend. Door niet tijdig en adequaat in te grijpen heeft de AFM aan [onderneming 2] de gelegenheid geboden om langere tijd illegaal binnen de financiële markt te kunnen blijven opereren. 31.2. Omdat het verder enige tijd heeft geduurd voordat de AFM duidelijkheid verschafte ten aanzien van de kwalificatie van de gedragingen van de ‘agents’, zoals eiser, heeft eiser gedurende langere tijd in onzekerheid moeten verkeren. In deze bijzondere omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding de boete op grond van de evenredigheid in het algemeen te matigen met € 50.000,-. Een bestuurlijke boete van € 206.000,- acht de rechtbank in dit geval passend en geboden. 31.3. De rechtbank ziet in de overige door eiser aangevoerde omstandigheden, met uitzondering van de hierna te bespreken overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding voor een verdere matiging van het boetebedrag. Overschrijding van de redelijke termijn 32. Eiser heeft gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit tot matiging van de boete dient te leiden. Eiser meent dat de termijn is aangevangen met het informatieverzoek van de AFM op 22 juni 2022 (de rechtbank neemt aan dat bedoeld is 30 juni 2022), omdat eiser toen ook is meegedeeld dat een boete kan worden opgelegd. Daarnaast heeft de AFM niet onderbouwd waarom een verlenging van de redelijke termijn noodzakelijk is. 33. Volgens vaste rechtspraak geldt bij punitieve sancties als hier aan de orde als uitgangspunt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase langer dan twee jaar heeft geduurd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die een langere termijn rechtvaardigen. Overschrijding van de redelijke termijn behoort in beginsel te leiden tot verlaging van de boete, mede afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. 33.1. Hoofdregel is dat de redelijke termijn gaat lopen op het moment dat het bestuursorgaan jegens de overtreder een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Dat moment is in dit geval het voornemen tot het nemen van het boetebesluit dat op 22 september 2023 door de AFM is uitgebracht. De rechtbank volgt eiser niet dat in zijn stelling dat deze termijn eerder is aangevangen in afwijking van deze hoofdregel. Uit het informatieverzoek van 30 juni 2022 volgt dat de opmerking ‘dat een last onder dwangsom of boete kan worden opgelegd’ uitsluitend ziet op de medewerkingsplicht die uit artikel 5:20, eerste lid, van de Awb voortvloeit. Als eiser niet zou meewerken aan het informatieverzoek, dan kon de AFM maatregelen treffen. Aan het informatieverzoek kon eiser nog niet de verwachting ontlenen dat aan hem wegens overtreding van artikel 2:96, eerste lid, van de Wft een bestuurlijke boete zou worden opgelegd. Vanaf het voornemen tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank is bijna drie jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn één jaar is overschreden. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die een verlenging van die termijn rechtvaardigen, zoals de AFM betoogt. Bij een overschrijding van meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden wordt de boete verminderd met 10%, met een maximum van € 2.500,-. 33.2. In een vergelijkbare zaak is een beroep gedaan op de overschrijding van de termijn uit artikel 5:51 van de Awb (de dertienwekentermijn). Ook uit het onderhavige dossier volgt dat tussen het onderzoeksrapport met dagtekening 28 augustus 2023 en het primaire boetebesluit van 11 september 2024 een periode van ruim 12 maanden zit. De in artikel 5:51 van de Awb gestelde termijn van dertien weken tussen de dagtekening van het rapport en de dagtekening van het primaire besluit is dus overschreden met ongeveer 9 maanden. De rechtbank ziet in deze overschrijding van de dertienwekentermijn, die gesteld wordt in artikel 5:51, eerste lid, van de Awb, echter geen aanleiding om de boete nog verder te matigen dan zij al heeft gedaan (onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 31.1 en 31.2 van deze uitspraak). De in deze bepaling genoemde dertienwekentermijn, waarbinnen een bestuursorgaan moet beslissen of een boete wordt opgelegd, is een termijn van orde. Wel kan de rechter de overschrijding van de beslistermijn verdisconteren in de hoogte van de bestuurlijke boete (Kamerstukken II 2003/4, 29 702, nr. 3, p. 150). De rechtbank heeft aanleiding gezien om de hoogte van de boete te matigen gelet op de lange duur tussen de meldingen over [onderneming 2] , het onderzoek naar [onderneming 2] door de AFM en de uiteindelijke kwalificatie van de gedragen van de ‘agents’ van [onderneming 2] door de AFM. Hierin zit dus ook verdisconteerd de overschrijding van de beslistermijn van artikel 5:51, eerste lid, van de Awb. 33.3. Het voorgaande betekent dat de boete wordt verminderd met € 2.500,-, zodat deze uitkomt op € 203.500,-. Publicatie 34. Voor zover eiser eerst ter zitting gronden heeft aangevoerd die zien op de openbaarmaking van het boetebesluit laat de rechtbank deze buiten beschouwing omdat eiser deze eerder in de procedure naar voren had moeten en kunnen brengen. Conclusie en gevolgen 35. Het beroep van eiser is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit in zoverre te herroepen en de hoogte van de boete vast te stellen op € 203.500,-. 36. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de AFM het door eiser betaalde griffierecht dienen te vergoeden. 37. De rechtbank veroordeelt de AFM in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.801,-. Deze kosten bestaan uit 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt in bezwaar van € 666,- en in beroep van € 934,- en wegingsfactor 1,5 vanwege het gewicht van de zaak. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft; - verklaart het bezwaar gegrond voor zover het de hoogte van de boete betreft, herroept het primaire besluit in zoverre, stelt de hoogte van de boete vast op € 203.500,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; - draagt de AFM op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt de AFM in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.801,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzitter, en mr. M.G.L de Vette en mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 5:1 In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Artikel 5:51 1. Indien van een overtreding een rapport is opgemaakt, beslist het bestuursorgaan omtrent het opleggen van de bestuurlijke boete binnen dertien weken na de dagtekening van het rapport. Wet op het financieel toezicht (Wft) Artikel 1:1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder: (…) verlenen van een beleggingsdienst: a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten; b. in de uitoefening van beroep of bedrijf voor rekening van die cliënten uitvoeren van orders met betrekking tot financiële instrumenten; c. beheren van een individueel vermogen; d. in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten; e. in de uitoefening van beroep of bedrijf overnemen of plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in de prospectusverordening (https://www.inview.nl/openCitation/idf03cac7769924a3c8b3544363e463d9d) met plaatsingsgarantie; f. in de uitoefening van beroep of bedrijf plaatsen van financiële instrumenten bij aanbieding ervan als bedoeld in de prospectusverordening (https://www.inview.nl/openCitation/idf03cac7769924a3c8b3544363e463d9d) zonder plaatsingsgarantie; (…) beheren van een individueel vermogen: in de uitoefening van een beroep of bedrijf, anders dan als beheerder van een beleggingsinstelling of beheerder van icbe, op discretionaire basis voeren van het beheer over financiële instrumenten die toebehoren aan een persoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in financiële instrumenten op grond van een door deze persoon gegeven opdracht. Artikel 1:19c 1. Deze wet, met uitzondering van de hoofdstukken 5.1 en 5.3 tot en met 5.8, is niet van toepassing op beleggingsondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is, die: a. uitsluitend op initiatief van een cliënt met zetel of woonplaats in Nederland, beleggingsdiensten verlenen aan of beleggingsactiviteiten verrichten voor die cliënt; of b. beleggingsdiensten verlenen aan of beleggingsactiviteiten verrichten voor in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling I, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014, voor zover zij zijn opgenomen in het register dat de Europese Autoriteit voor effecten en markten bijhoudt in overeenstemming met artikel 48 van de verordening markten voor financiële instrumenten. 2. Een beleggingsdienst of beleggingsactiviteit wordt geacht niet uitsluitend op eigen initiatief van een cliënt met zetel in Nederland te zijn verleend aan, of verricht voor, die cliënt, indien de cliënt of potentiële cliënt is benaderd door de beleggingsonderneming, bedoeld in het eerste lid, aanhef, daaronder begrepen een entiteit die namens haar handelt of die nauwe banden met haar heeft of een persoon die namens die entiteit handelt. Artikel 2:96 Het is verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat de belangen die dit deel, het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen en het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen beogen te beschermen anderszins voldoende worden beschermd. Dossierstuk 118, zienswijze en p. 5 van beslissing op bezwaar. Zie bijvoorbeeld CRvB 18 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR0267. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 069 waaruit blijkt dat een klant per ongeluk op een knop had gedrukt om zelf te traden. HvJEU 7 december 2010, ECLI:C:2010:740 (C-585/08 Pammer en C-144/09 Alpenhof). Zie Kamerstukken II, 2003-2004, 29 708, nr. 19, p. 465. Rb. Rotterdam 4 juli 2022, ECLI:NL:2022:5422. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716. CBb 20 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:315, CBb 21 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:312 en CBb 17 februari 2026 ECLI:NL:CBB:2026:57. Vergelijk bijvoorbeeld HR van 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972. Dossierstuk 093. Dossierstuk 057.1. Dossierstuk 112, onderzoeksrapport p. 86. Dossierstuk 118, zienswijze, p. 6. Dossierstuk 098, screenshot website. Dossierstuk 069, gespreksverslag van de AFM. Beslissing op bezwaar, p. 113. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 070, e-mail 15 maart 2023 met verklaring van belegger via eiser. Zie bijvoorbeeld dossierstuk 068.1, e-mail 21 januari 2021 van belegger. Dossierstuk 069, gespreksverslagen van de AFM. Dossierstuk 056. Bijvoorbeeld ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694. CBb 4 april 2023, ECLI:NL:CBB:2023:172.