Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-08-26
ECLI:NL:RBROT:2026:10566
Uitspraak over een verzoek om proceskostenvergoeding en over handhaving 3 beroepen na herroeping van boetes opgelegd voor niet nemen passende maatregelen na aantreffen voetzoollaesies bij kuikens. Beroepen zijn bij gebreke van procesbelang niet-ontvankelijk. De rechtbank volgt verweerder niet in standpunt dat alle (hoger)beroepen en bezwaren van dezelfde gemachtigde samenhangende zaken zijn in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt een proceskostenvergoeding per zaak vast. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 25/2913, 25/4134, ROT 25/8269, ROT 26/571 en ROT 26/1952 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2026 in de zaken tussen 1. [verzoekster] te [plaats] (ROT 25/2913), verzoekster, 2. [eiseres 1] te [plaats] (ROT 25/4134), eiseres 1, 3. [eiseres 2] te [plaats] (ROT 25/8269 en ROT 26/571), eiseres 2, 4. [eiseres 3] te [plaats] (ROT 26/1952), eiseres 3, (gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters), en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder, (gemachtigde: mr. M.M. de Vries). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten na intrekking van haar beroep. Daarnaast beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak de beroepen van eisers gericht tegen de vaststelling van de proceskostenvergoeding in de besluiten van 16 april 2026. 1.1. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de standpunten van verzoekster en eisers over de proceskostenvergoedingen. Verweerder heeft dit bij brief van 22 mei 2026 gedaan. 1.2. De rechtbank doet met instemming van partijen zonder (nadere) zitting uitspraak op de verzoeken om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank ROT 25/2913 2.1. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. 2.2. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 24 februari 2025 waarin verweerder een aan haar opgelegde boete voor overtreding van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Zij heeft dit beroep vervolgens ingetrokken omdat verweerder op 16 april 2026 een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen, waarin verweerder die boete heeft herroepen. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk gegrond toe. Uitsluitend de hoogte van de proceskostenvergoeding is nog in geschil. De rechtbank zal dit onderwerp behandelen in overweging 4 en verder. ROT 25/4134, ROT 25/8269, ROT 26/571 en ROT 26/1952 3.1. Eiseressen 1, 2 en 3 (hierna gezamenlijk: eisers) hebben beroep ingesteld tegen beslissingen op bezwaar (de bestreden besluiten I) waarin verweerder aan hen opgelegde boetes voor overtredingen van de Wet dieren heeft gehandhaafd. Vervolgens heeft verweerder op 16 april 2026 herziene beslissingen op bezwaar (de bestreden besluiten II) genomen waarin verweerder die boetes heeft herroepen. In de bestreden besluiten II in de procedures ROT 25/4134, ROT 25/8269 en ROT 26/571 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers voor de betreffende bezwaarprocedures geen proceskostenvergoeding krijgen omdat die procedures samenhangen met een andere zaak waarin al een proceskostenvergoeding is toegekend. In het bestreden besluit II in ROT 26/1952 heeft verweerder geen overweging over een proceskostenveroordeling opgenomen. 3.2. In reactie op de bestreden besluiten II van 16 april 2026 hebben eisers bij brief van 3 mei 2026 de rechtbank bericht het eens te zijn met de inhoudelijke beoordeling van de bezwaren en de terugbetaling van de boetes. Ook is eiseres 3 (ROT 26/1952) het ermee eens dat aan haar geen proceskosten voor de bezwaarprocedure worden vergoed. Eiseres 1 en eiseres 2 zijn het er echter niet mee eens dat in de bestreden besluiten II in hun procedures geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure wordt toegekend. Ook vinden eisers dat zij aanspraak maken op een vergoeding van hun proceskosten in beroep. 3.3. Anders dan verweerder stelt hebben eisers hun beroepen niet ingetrokken. Gelet op artikel 6:19 van de Awb hebben de beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten I van rechtswege mede betrekking op de bestreden besluiten II. 3.4. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen procesbelang meer bij een beoordeling van de bestreden besluiten I, nu deze besluiten zijn vervangen door de bestreden besluiten II. Evenmin hebben eisers procesbelang bij voortzetting van hun beroepen gericht tegen de bestreden besluiten II. De beroepsprocedures kunnen immers niet meer tot een voor eisers gunstiger resultaat leiden nu de boetes reeds zijn herroepen. Een procesbelang kan ook niet zijn gelegen in een vergoeding van griffierecht en proceskosten in bezwaar en/of beroep. Verweerder kan namelijk ook tot vergoeding van die kosten worden veroordeeld zonder gegrondverklaring van de beroepen. Nu het procesbelang ontbreekt zijn de beroepen van eisers niet-ontvankelijk. Is sprake van samenhangende zaken? 4. De hoogte van de proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als sprake is van samenhangende zaken wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb slechts een vergoeding voor één zaak toegekend. Als sprake is van vier of meer samenhangende zaken wordt die vergoeding met factor 1,5 vermenigvuldigd. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb is sprake van samenhangende zaken in geval van door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. 5.1. Volgens verweerder is sprake van samenhangende zaken. Voor de vraag of sprake is van gelijktijdige behandeling is volgens verweerder het tijdstip waarop het bestuursorgaan het besluit heeft genomen beslissend en in deze zaken zijn de herziene beslissingen op bezwaar gelijktijdig genomen. Ook konden door dezelfde gemachtigde in al deze zaken nagenoeg dezelfde werkzaamheden worden verricht. Volgens verweerder waren de bezwaarschriften grotendeels gebaseerd op identieke juridische gronden en vertoonden de rapporten van bevindingen en de boetebesluiten sterk inhoudelijke overeenkomsten. Verweerder is bereid voor de bezwaarfases in deze zaken (en een aantal andere zaken waarin de gemachtigde van verzoekster en eisers in bezwaar rechtsbijstand heeft verleend) een proceskostenvergoeding te betalen van in totaal € 1.998,- bestaande uit één punt voor het bezwaarschrift, één punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een tarief per punt van € 666,- en toepassing van factor 1,5 vanwege de hoeveelheid samenhangende zaken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de vijf zaken ook in de beroepsfase als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt omdat sprake is van inhoudelijke samenhang en daarmee een relatief beperkte inspanning bij het opstellen van de beroepschriften. 5.2. Verzoekster en eisers stellen dat geen sprake is van samenhangende zaken omdat – behalve de herziene beslissingen op bezwaar – alle overige proceshandelingen, zoals zienswijze, bezwaar, hoorzitting en indiening beroepschrift, op volstrekt verschillende tijdstippen, verspreid over een ruime periode, ieder op zich en volledig losstaand van elkaar, zijn verricht. 5.3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat verweerder in ROT 26/1952 geen proceskosten voor de bezwaarfase is verschuldigd. Wel is in geschil of verweerder voor de bezwaarfase in de andere vier procedures en voor de beroepsfase in alle vijf procedures de proceskosten moet vergoeden en zo ja, tot welk bedrag. 5.4. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zaken zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase geen samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. 5.4.1. Anders dan verweerder meent zijn de bezwaren in de vier procedures ROT 25/2913, ROT 25/4134, ROT 25/8269 en ROT 26/571 niet (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. In alle zaken hebben de hoorzittingen op verschillende momenten over een periode van bijna een jaar plaatsgevonden. Verweerder wijst op de herziene beslissingen op bezwaar die gelijktijdig zijn genomen. Uit de Nota van Toelichting en het arrest van de Hoge Raad waarnaar verweerder heeft verwezen, noch uit andere jurisprudentie, kan evenwel worden afgeleid dat aan het moment van de herziene beslissingen op bezwaar in deze zaken doorslaggevende betekenis moet worden toegekend voor het beantwoorden van de vraag of de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld. De herziene beslissingen zijn op 16 april 2026 genomen, hangende de beroepsprocedures, terwijl de bezwaarschriften in een periode van een half tot bijna anderhalf jaar eerder door verweerder op verschillende momenten zijn behandeld. 5.4.2. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de beroepsfase alle vijf zaken evenmin (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. De beroepen zijn door de rechtbank ontvangen op verschillende momenten in een tijdsbestek van een jaar. Verder heeft in geen van de vijf zaken een zitting plaatsgevonden. 5.4.3. Bovendien is in de bezwaar- en beroepsfase in deze procedures evenmin aan de overige eisen van artikel 3, tweede lid, van het Bpb voldaan. Wil sprake zijn van samenhangende zaken, dan moeten namelijk ook de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek kunnen zijn geweest en dat was in deze zaken naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar kende het juridisch betoog van de gemachtigde over de bewijsvoering in deze zaken – net als in veel andere soortgelijke zaken die in de afgelopen jaren door verschillende gemachtigden zijn gevoerd – overeenkomsten, maar die gelijkenis maakt niet dat de gemachtigde slechts beperkt van elkaar te onderscheiden werkzaamheden heeft verricht. In de bezwaar- en beroepschriften is de gemachtigde namelijk ook specifiek ingegaan op de feiten en omstandigheden van de betreffende zaak, heeft de gemachtigde een reactie gegeven op het specifieke rapport van bevindingen in die zaak en de daarbij overgelegde stukken en heeft de gemachtigde zich aldus specifiek gericht op het door verweerder ingebrachte bewijs voor de overtreding in die betreffende zaak ten aanzien van die betreffende onderneming. Daarmee kan niet worden gezegd dat in deze vijf zaken nagenoeg identieke werkzaamheden konden worden verricht. Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder vergoeden? 6. De rechtbank zal hierna de hoogte van de door verweerder te vergoeden proceskosten in bezwaar en beroep vaststellen. Op grond van het Bpb geldt voor de rechtsbijstand door een gemachtigde een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. 6.1. In de procedures ROT 25/2913, ROT 25/4134, ROT 25/8269 en ROT 26/571 heeft de gemachtigde een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond en een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten bedraagt dan in elke procedure € 2.266,-. 6.2. In de procedure ROT 26/1952 heeft de gemachtigde geen rechtsbijstand verleend in bezwaar. In beroep heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend. De vergoeding van de proceskosten in deze procedure bedraagt dus € 934,-. Krijgen verzoekster en eisers een vergoeding van het griffierecht? 7.1. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster in ROT 25/2913 betaalde griffierecht te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden. Het door verzoekster betaalde griffierecht bedroeg € 385,-. 7.2. Omdat verweerder de bestreden besluiten I in de beroepen ROT 25/4134, ROT 25/8269, ROT 26/571 en ROT 26/1952 heeft herzien nadat eisers daartegen beroep hebben ingesteld, ziet de rechtbank eveneens aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. In de beroepen ROT 25/4134 en ROT 25/8269 bedroeg het griffierecht € 385,-. In de beroepen ROT 26/571 en ROT 26/1952 was het griffierecht € 397,-. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ROT 25/4134, ROT 25/8269, ROT 26/571 en ROT 26/1952 niet-ontvankelijk; bepaalt dat verweerder in ROT 25/4134 het griffierecht van € 385,- aan eiseres 1 moet vergoeden; bepaalt dat verweerder in ROT 25/8269 het griffierecht van € 385,- aan eiseres 2 moet vergoeden; bepaalt dat verweerder in ROT 26/571 het griffierecht van € 397,- aan eiseres 2 moet vergoeden; bepaalt dat verweerder in ROT 26/1952 het griffierecht van € 397,- aan eiseres 3 moet vergoeden; veroordeelt verweerder in ROT 25/2913 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan verzoekster; veroordeelt verweerder in ROT 25/4134 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan eiseres 1; veroordeelt verweerder in ROT 25/8269 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan eiseres 2; veroordeelt verweerder in ROT 26/571 tot betaling van € 2.266,- aan proceskosten aan eiseres 2; veroordeelt verweerder in ROT 26/1952 tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres 3. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie bijv. ECLI:NL:CBB:2025:292 en ECLI:NL:CBB:2026:123 Verweerder verwijst naar ECLI:NL:HR: 2017:439 en de Nota van Toelichting bij het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming voor de regeling van samenhangende zaken (Staatsblad 2014, 411, p. 4). Boetes die zijn opgelegd aan pluimveehouders voor overtreding van artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit houders van dieren na constateringen van voetzoollaesies bij kuikens