Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-08-03
ECLI:NL:RBROT:2026:10202
De verdachte heeft gedurende een periode van drie maanden foto’s en video’s van seksuele aard van één van zijn ex-partners zonder haar toestemming verspreid op online platforms. Daarnaast heeft hij haar bedreigd. Weer een andere ex-partner heeft hij geprobeerd te dwingen om met hem contact op te nemen. Ten slotte heeft de verdachte een revolver voorhanden gehad. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 100 dagen, waarvan 95 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. Ook legt de rechtbank een taakstraf op van 240 uur. Tenslotte beslist zij op de vorderingen van de benadeelde partijen. Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummers: 10-051854-25, 10-193966-24 Datum uitspraak: 3 augustus 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1986, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] . Advocaat van de verdachte: mr. D.C.O. Ayinla Officier van justitie: mr. R.S. Dhoen Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] Advocaat van de benadeelde partijen: mr. I.L. Madu Kern van het vonnis De verdachte heeft gedurende een periode van drie maanden foto’s en video’s van seksuele aard van één van zijn ex-partners zonder haar toestemming verspreid op online platforms. Daarnaast heeft hij haar bedreigd. Weer een andere ex-partner heeft hij geprobeerd te dwingen om met hem contact op te nemen. Ten slotte heeft de verdachte een revolver voorhanden gehad. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 100 dagen, waarvan 95 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. Ook legt de rechtbank een taakstraf op van 240 uur. 1 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan – samengevat – dat hij: Parketnummer 10-051854-25 : seksuele beelden van [slachtoffer 1] openbaar heeft gemaakt in de periode 9 maart 2024 tot en met 1 juli 2024 te Rotterdam (feit 1 en feit 2), seksuele beelden van [slachtoffer 2] openbaar heeft gemaakt omstreeks 4 april 2024 (feit 3), [slachtoffer 3] heeft geprobeerd te dwingen tot het plaatsen van een rectificatie en het aangaan van een gesprek met hem in de periode van 7 tot en met 14 juli 2024 (feit 4) en [slachtoffer 1] via een ander heeft bedreigd omstreeks 30 juli 2024 (feit 5). Parketnummer 10-193966-24 : een revolver voorhanden heeft gehad op 13 juni 2024 te Rotterdam. De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1. 2 Geldigheid dagvaarding De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding in de zaak met parketnummer 10-193966-24 partieel nietig moet worden verklaard, omdat niet aan het bepaaldheidsgebod is voldaan voor wat betreft het type wapen dat hij voorhanden gehad zou hebben. Op grond van de aan de verdachte betekende dagvaarding wordt hij ervan beschuldigd een revolver van het merk/type “Velo Dog, kaliber .32 s&w” voorhanden te hebben gehad. Gelet hierop moet het voor de verdachte voldoende duidelijk zijn geweest om welk wapen het ging. Ter zitting is ook gebleken dat het voor de verdachte duidelijk is geweest waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich moest verweren. Daarmee voldoet de dagvaarding aan de eisen die in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan worden gesteld. De dagvaarding is daarmee geldig en het verweer wordt verworpen. 3 Bewijsoverwegingen en partiële vrijspraak 3.1. Vordering van de officier van justitie De verdachte moet worden veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten, maar moet partieel worden vrijgesproken voor wat bij feit 2 in de zaak met parketnummer 10-051854-25 onder gedachtestreepjes 1, 3, 4 en 5 ten laste is gelegd. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 3.2. Conclusie van de verdediging De verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten in de zaak met parketnummer 10-051854-25. Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 10-193966-24 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen Bewezen is dat de verdachte gedurende in de periode 9 maart 2024 tot en met 1 juli 2024 te Rotterdam foto’s en video’s van seksuele aard van [slachtoffer 1] zonder haar toestemming heeft verspreid op online platforms. Daarnaast heeft hij [slachtoffer 3] omstreeks de periode van 7 juli 2024 tot en met 14 juli 2024 geprobeerd te dwingen om met hem contact op te nemen en heeft hij op 30 juli 2024 [slachtoffer 1] via een ander bedreigd. Ook is bewezen dat de verdachte op 13 juni 2024 een revolver voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.4. Parketnummer 10-193966-24 (verboden wapenbezit) De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. 1. Verklaring van de verdachte 2. Proces-verbaal van bevindingen 3. Proces-verbaal van bevindingen, onderzoek vuurwapen Parketnummer 10-051854-25 De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsoverwegingen. Feit 1 en 2 4. Verklaring van de verdachte Ik heb [slachtoffer 1] op 21 februari 2024 leren kennen en we hebben enkele maanden gedatet. Op enig moment werden er met wederzijdse toestemming seksvideo’s gemaakt en online gezet. Op 6 juni werd de relatie beëindigd. Ik heb daarna op mijn Twitteraccount platform X [accountnaam] een video van haar geplaatst in een erotisch getinte houding en in een string gekleed met daarbij de woorden “ [omschrijving 2] ”. Ik had niet het idee dat ik hoefde te checken of ze toestemming had gegeven. 5. Verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] Hierbij doe ik aangifte tegen [verdachte] . Op 21 februari 2024 leerde ik [verdachte] kennen. Tijdens onze open relatie heeft [verdachte] mij geïntroduceerd tot sekswerk via het platform [website 1] . Hiervoor hebben wij samen of hij van mij met wederzijdse toestemming seksueel beeldmateriaal opgenomen. De relatie heb ik op 6 juni 2024 verbroken en op 8 juni 2024 aangegeven dat ik geen contact meer wou hebben met [verdachte] . Ik had met [verdachte] de afspraak gemaakt dat hij alleen nadat ik de conceptpost had gezien en goedgekeurd hij deze kon plaatsen. Dit zijn wij mondeling en schriftelijk overeengekomen. Desondanks heeft [verdachte] tijdens de relatie meerdere keren zonder mijn toestemming seksueel getinte foto’s en video’s van mij geplaatst. Na het verbreken van de relatie bleef [verdachte] zonder mijn toestemming seksueel getinte foto's en video’s posten. 6. Bijlagen bij verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] 9 maart 2024 Daarna kijk ik op zijn Twitter. Ik zie dat hij een filmpje zonder mijn toestemming heeft gepost. Dit is een sexy filmpje waarin ik mijn billen schud en voorover buig. Ik voelde me ontzettend naar en vies hierdoor en hij was overduidelijk mijn grens over gegaan. [Bijlage 7 bij de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] waarop afbeeldingen van een gesprek op 9 maart zichtbaar zijn met tekstberichten, foto’s en video-screenshot te zien zijn, zaaksdossier, p. 44-45] 16 maart 2024 Ik vertel [verdachte] op Whatsapp specifiek dat ik bij elke foto die hij van mij zou willen posten op zijn Twitter eerst om mijn toestemming vraagt. [Bijlage 9 bij de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , waarop afbeeldingen van een gesprek zichtbaar zijn met tekstberichten [slachtoffer 1] : “Ja en graag altijd bij me checken bij elke foto die je evt ooit nog zou willen posten.” [verdachte] : “Ja sowieso. Ik leer wel hoor” zaaksdossier, p. 53] 6 juni 2024 Die avond poste hij een filmpje waarop ik hem aftrek met de tekst [omschrijving 3] ” [Bijlage 38 bij de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , waarop afbeeldingen van de post met afbeelding en tekst zichtbaar is zaaksdossier, p. 248] 8 juni 2024 Deze ochtend poste hij opnieuw de video van dat ik hem aan het aftrekken ben dus ondanks dat ik geen contact met hem wilde moest ik hem hierover een sms-bericht sturen. [Bijlage 39 bij de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , bevat een afbeelding waarop het sms-bericht zichtbaar is “Zou je alsjeblieft alle content met en van mij van je twitter willen halen en geen nieuwe dingen meer posten? Het voelt erg naar en vervelend dat het er nog op staat en je me weer post.” zaaksdossier, p. 249] 7. Proces-verbaal van de politie, aanvullend verhoor aangeefster [slachtoffer 1] In de ochtend van 1 juli 2024 kom ik erachter dat [verdachte] op 30/6 en 1/7 seksuele video’s en foto’s van mij op het platform [website 2] heeft geplaatst en er geld voor vraagt. Hij heeft dit gedaan zonder toestemming. Het filmpje dat het allerergst is, is het filmpje waarin hij over me heen plast. Ik vroeg hem direct om de video te verwijderen. Nu staat dit als enige gratis filmpje op zijn [website 2] pagina met de tekst “ [omschrijving 1] ” erbij. [Bijlage 5 bij het aanvullend verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , waarop afbeeldingen van de posts met video-screenshot en ook de tekst bij een post op 1 juli 2024 “ [omschrijving 5] ” zichtbaar zijn, zaaksdossier, p. 348 en p. 350] 8. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte V: Heb je onderstaande Twitter-accounts [accountnaam] nog A: [accountnaam] , ja. V: Wat was/of is je gebruikersnaam op je [website 2] pagina? A: Ik gebruik daarvoor [accountnaam] . V: [slachtoffer 1] verklaarde dat je op je [website 2] pagina een video, zonder haar toestemming geplaatst hebt, waarin zij in de douche zit en jij over haar heen plast. Onder de video schrijf je de tekst: " [omschrijving 1] " ( Bijlage 5). Waarom deed je dit? A: We hebben dit opgenomen. 9. Proces-verbaal van bevindingen van de politie Op 1 juli 2024 ben ik verbalisant naar de site [website 2] gegaan. Ik kwam op de site met de naam: " [accountnaam] ” en zag 1 video welke op 06-30-2024 gepost was. Ik zag dat de omschrijving was: " [omschrijving 1] " en de volgende tags werden gebruikt: [tags] . Ik zag vervolgens dat de banner van de video een jonge dame op haar knieën zat en schaars was gekleed. Ik zag dat zij in iets wat op een badkuip danwel douchebak lijkt, zat. Ik speelde vervolgens de video af en zag dat er urine uit de piemel kwam welke op het gezicht van de jongedame kwam. Feit 4 10. Verklaring van de verdachte Ik heb [persoon A] op 7 juli 2024 benaderd. Ik wilde met [slachtoffer 3] een gesprek aangaan. Ik hoopte dat [persoon A] als vriendin [slachtoffer 1] zou kunnen overtuigen tot het aangaan van een gesprek. U vraagt mij of ik mij kan voorstellen dat zij mijn bericht als beangstigend heeft ervaren. Ik heb mijn emoties voor gaan laten in de hoop op verandering. 11. Proces-verbaal politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 3] Op 7 juli 2024 kreeg ik een WhatsApp bericht van [persoon A] . [persoon A] stuurde mij een WhatsApp bericht door van [verdachte] : "Je mag [slachtoffer 3] voorstellen met mij te praten. Als ze hier niet op ingaat ga ik haar net zo kapotmaken als ze mij heeft gemaakt. Als ik morgen voor 2 niets hoor dan zet ik het verhaal op socials en dan mogen zij eens gaan dealen met wat ze doen.” Ik voel mij bedreigd door het bericht. [verdachte] probeert mij te dwingen om met hem contact op te nemen en dreigt hierbij mij kapot te maken als ik dat niet doe. Feit 5 12. Verklaring van de verdachte Het klopt dat ik die email aan [persoon B] heb gestuurd met die inhoud, zoals u mij dat voorhoudt. Met “jullie” bedoel ik inderdaad de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [persoon B] . 13. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte V: [slachtoffer 1] verklaarde dat je op 30 juli 2024 om 09:45 uur een mailbericht naar [persoon B] stuurde. Hierin schreef je het volgende: "Het is gewoon fucking oorlog. Ik maak mezelf van kant of ik maak jullie kapot, daar hebben jullie zelfs voor gezorgd. Zij voelen zich door het woord "Jullie" aangesproken en bedreigd (bijlage 4). Wat wil je hierop verklaren? A: Op dat moment voelde dat ook wel zo. Mijn hele sociale leven ging kapot en ze had allemaal dingen verspreid waardoor ik nergens meer naar toe kon. Ik was boos en dan zeg je dat soort dingen. 14. Proces-verbaal van de politie, aangifte [slachtoffer 1] [verdachte] [de rechtbank begrijpt: de verdachte] heeft woordelijk geschreven mij 'kapot te willen maken'. Bij mij bestaat de overtuiging, dat de [verdachte] zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen. Ik ben bang dat [verdachte] mij geweld aan zou kunnen doen als hij niet gestopt wordt. Op 30 juli 2024, om 09.45 uur, stuurde [verdachte] een mailbericht naar [persoon B] waarin hij zegt: "Het is nu gewoon fucking oorlog. Ik maak mezelf van kant of ik maak jullie kapot, daar hebben jullie zelf voor gezorgd." Ik voel me door het woord 'jullie' aangesproken en bedreigd. Ik weet na alle berichten die [verdachte] over mij en de drie exen heeft geschreven, dat hij met ' jullie ' mij en zijn andere drie ex-vriendinnen bedoelt, dus dat hij ook mij kapot wil maken. 3.3.2. Bewijsmotivering Het dossier bevat, naast de aangiftes en verklaringen van de verdachte, talloze screenshots van whatsappgesprekken, pagina’s van accounts op erotische platforms en filmpjes en foto’s van seksuele aard. Vast staat dat de verdachte op enig moment met de aangeefsters een relatie heeft gehad waarbij sprake was van een ‘open relatie’. De verdachte had met meerdere aangeefsters tegelijk een (seksuele) relatie. Uit het dossier en wat op zitting naar voren is gekomen, blijkt dat de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de verdachte zich begeven in een (online) subcultuur waarbij zij – al dan niet tegen betaling – erotisch beeldmateriaal online plaatsen. Het is in deze context dat de rechtbank moet bepalen of er afbeeldingen van seksuele aard door de verdachte openbaar zijn gemaakt terwijl hij wist dat die openbaarmaking voor de aangeefsters nadelig kon zijn. Feit 1 en 2 (parketnummer 10-051854-25) Uit het dossier volgt dat afgesproken was dat alleen seksueel beeldmateriaal online geplaatst mocht worden nadat daarvoor toestemming was gegeven door de betrokkenen. Anders dan de verdediging stelt, was dit de verdachte ook bekend. De verdachte bericht aangeefster [slachtoffer 1] tijdens de relatie met haar (en voor de tenlastegelegde feiten) tenslotte dat hij het sowieso bij haar zal nagaan voor elke foto die hij eventueel ooit nog zou willen plaatsen. Ook verklaart de verdachte bij de politie dat de beelden in onderling overleg worden geplaatst. Door desondanks zonder toestemming afbeeldingen en video’s van [slachtoffer 1] te openbaren heeft de verdachte opzettelijk en wederrechtelijk in strijd met artikel 139h (oud) en 254ba Wetboek van Strafrecht gehandeld. Dat [slachtoffer 1] zich ook vrijwillig begeeft op erotische online platforms en er reeds seksuele afbeeldingen en video’s van haar in de openbaarheid zijn, doet – anders dan de verdediging stelt – niet af aan het feit dat de openbaarmaking door de verdachte voor haar nadelig kan zijn. Met die formulering wordt immers duidelijk gemaakt dat het moet gaan om “kwaadaardig handelen” en de rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De verdachte heeft namelijk andere beelden van [slachtoffer 1] zonder haar toestemming en buiten haar controle openbaar gemaakt. Daarbij is de rechtbank het eens met de officier van justitie dat het gaat om het recht om zelf te bepalen welke beelden worden gedeeld, op welk moment, via welk medium en voor welk publiek. Bovendien blijkt dat veel van de openbaarmakingen door verdachte zijn gedaan op het moment dat [slachtoffer 1] de relatie had beëindigd en had aangegeven geen contact meer te willen. Dit sterkt de rechtbank in de overtuiging dat de verdachte het beeldmateriaal openbaar heeft gemaakt om [slachtoffer 1] schade te berokkenen. Gelet op het voorgaande worden alle verweren verworpen en acht de rechtbank hetgeen is ten laste gelegd onder feit 1 en feit 2 – behoudens de hieronder opgenomen partiële vrijspraak – wettig en overtuigend bewezen. De beschuldiging, weergegeven onder feit 1 bij gedachtestreepje 2, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat het filmpje waarin aangeefster [slachtoffer 1] geslachtsgemeenschap heeft met de verdachte, daadwerkelijk openbaar is gemaakt op een platform. Het dossier bevat weliswaar een screenshot van een dusdanig filmpje, maar hieruit kan de rechtbank niet opmaken wanneer en waar dit openbaar is gemaakt. Ook het gesprek tussen de aangeefster [slachtoffer 1] en de verdachte schept hierover onvoldoende duidelijkheid. De beschuldiging, weergegeven onder feit 2 bij de gedachtestreepjes 1, 3, 4 en 5 zijn ook niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. Feit 4 ( parketnummer 10-051854-25 ) De verdachte heeft verklaard dat hij op 7 juli 2024 een bericht aan [persoon A] heeft gestuurd omdat hij wilde dat [slachtoffer 3] met hem zou gaan praten. Door “iets heftigs” te zeggen – namelijk dat hij die [slachtoffer 3] kapot zou maken en het verhaal online zou plaatsen – hoopte de verdachte dat hij [slachtoffer 3] via [persoon A] zou kunnen bereiken. De rechtbank acht dan ook bewezen dat hij [slachtoffer 3] heeft geprobeerd te dwingen iets te doen, namelijk contact met hem op te nemen, door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid. Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje – het verzoeken om een rectificatie en dat de verdachte bij uitblijven daarvan aangifte zal doen van smaad/laster – is de rechtbank het met de verdediging eens dat deze handeling onvoldoende is om te kunnen spreken van een strafbaar feit. Van het eerste ten laste gelegde gedachtestreepje onder feit 4 wordt de verdachte dus vrijgesproken. Voor het overige acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen. Feit 5 (parketnummer 10-051854-25) De verdachte heeft op zitting verklaard dat hij het ten laste gelegde e-mailbericht heeft gestuurd en dat hij met “jullie” onder meer [slachtoffer 1] heeft bedoeld. Ook heeft hij verklaard dat hij boos was en dat hij daarom deze dingen heeft gezegd. De bewoordingen “het is nu gewoon fucking oorlog” en “ik maak mezelf van kant of ik maak jullie kapot” acht de rechtbank bedreigend. Het ten laste gelegde feit is dan ook wettig en overtuigend bewezen. 3.3.3. Vrijspraak feit 3 (parketnummer 10-193966-24) Uit het dossier volgt dat de aangeefster [slachtoffer 2] en de verdachte een relatie hebben gehad. [slachtoffer 2] heeft de relatie op 18 maart 2024 verbroken en heeft op 4 april 2024 de verdachte geblokkeerd op Whatsapp. [slachtoffer 2] verklaart dat de verdachte daarna een seksueel promo filmpje van haar online heeft geplaatst. Zij heeft diezelfde dag het platform verzocht deze video te verwijderen. De rechtbank heeft aan de hand van de inhoud van het dossier niet ondubbelzinnig kunnen vaststellen om welke video het zou gaan, wat de specifieke inhoud daarvan is, wanneer deze exact is geplaatst en op welk platform dit zou zijn gebeurd en met welk account. Evenmin is daar op de zitting voldoende duidelijkheid over verkregen. De verdachte heeft weliswaar op zitting verklaard dat het een video betreft waarbij [slachtoffer 2] hem oraal bevredigt, maar dit is volgens de rechtbank onvoldoende om tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit te komen. De rechtbank vindt in het dossier geen visuele onderbouwing voor het tenlastegelegde materiaal en geen specifiekere informatie over datum, inhoud en forum van plaatsing, waardoor niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat er afbeeldingen/video’s openbaar zijn gemaakt in de periode en op de wijze zoals tenlastegelegd. Om die reden wordt de verdachte van dit feit vrijgesproken. 3.3.4. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: Parketnummer 10-051854-25 1 hij in de periode van 9 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 te Rotterdam, meermalen, van een persoon, [slachtoffer 1] , een of meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten - video’s, waarop is te zien dat die [slachtoffer 1] in een erotisch getinte houding staat en in een string gekleed is met daarbij de woorden “ [omschrijving 2] ”, - video’s waarop de (blote) borsten van die [slachtoffer 1] te zien zijn en/of dat die [slachtoffer 1] een penis vasthoudt en/of aan het aftrekken is en/of met daarbij de woorden “ [omschrijving 3] ?” en/of “ [omschrijving 4] ” en - een video waarop is te zien dat die [slachtoffer 1] schaars gekleed in een badkuip en/of douche zit en waarna er vervolgens een penis in beeld komt, waaruit urine komt op het gezicht van die [slachtoffer 1] en met daarbij de woorden toegevoegd “ [omschrijving 1] , openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn. 2 hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, een of meerdere visuele weergaven van seksuele aard, te weten - een video van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop te zien was dat die [slachtoffer 1] seksuele handelingen verricht en met daarbij de woorden “ [omschrijving 5] ”, althans woorden van gelijke aard en strekking, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer 1] kon zijn. 4 hij in of omstreeks de periode van 7 juli 2024 tot en met 14 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, heeft gedreigd dat hij, verdachte, - die [slachtoffer 3] kapot zou maken en het verhaal op de socials en sociale media zou plaatsen, indien die [slachtoffer 3] niet met hem, verdachte, zou praten en contact op zou nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 5 hij op 30 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [persoon B] in een e-mail dreigend de woorden toe te voegen die voornoemde [slachtoffer 1] hebben bereikt: “Het is nu gewoon fucking oorlog. Ik maak mezelf van kant of ik maak jullie kapot, daar hebben jullie zelf voor gezorgd”. Parketnummer 10-193966-24 hij op 13 juni 2024 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een revolver van het merk/type Velo Dog, kaliber .32 s&w, voorhanden heeft gehad. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Parketnummer 10-051854-25 feit 1 openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn, meermalen gepleegd; feit 2 openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn; feit 4 poging tot een ander door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden; feit 5 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling; Parketnummer 10-193966-24 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. 4.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straffen 5.1. Eis van de officier van justitie De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met aftrek van 5 dagen voorarrest. 5.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde is. De gevolgen van deze feiten hebben een dusdanige invloed gehad op zijn leven dat een gevangenisstraf niets meer toevoegt. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de overschrijding van de redelijke termijn en zijn persoonlijke omstandigheden. 5.3. Oordeel van de rechtbank 5.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openbaar maken van meerdere afbeeldingen en video’s van seksuele aard van zijn ex-partner. Dit deed hij zonder haar toestemming, terwijl zij expliciet hadden afgesproken dat hij hiervoor haar toestemming moest vragen. Bovendien maakte hij veel van deze video’s en afbeeldingen openbaar nadat zij de korte relatie zie zij met hem had, had beëindigd en had gevraagd al het reeds online gezette materiaal te verwijderen. Door desondanks beeldmateriaal te openbaren heeft hij haar grenzen overschreden. Het zonder toestemming verspreiden van seksueel getint beeldmateriaal kan bij slachtoffers zorgen voor psychische klachten en een gevoel van onmacht geven. Dat dit ook bij dit slachtoffer, ondanks het feit dat zij zelf ook seksueel getint beeldmateriaal van haarzelf openbaar maakt, het geval was blijkt uit haar aangifte en haar vordering tot schadevergoeding. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Daarnaast heeft hij haar ook bedreigd via haar vriendin. Nadat de relatie ten einde was en zij geen contact meer wenste, bleef de verdachte aandringen op contact. Daarbij schroomde hij niet om bedreigingen te uiten. De verdachte handelde kennelijk uit frustratie en uit wraakgevoelens en heeft hierbij geen rekening gehouden met de gevolgen die deze daden zouden kunnen hebben. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot dwang van een andere ex-partner. Hij heeft geprobeerd om contact af te dwingen door haar vriendin te benaderen met het bericht dat als zij niet op zijn verzoeken zou ingaan, hij haar kapot zou maken. Ook dit is een verwerpelijk feit. Al deze feiten laten een periode zien waarin de verdachte zich heeft vastgebeten in zijn strijd tegen zijn ex-partners om contact te krijgen waarbij hij de normen van het maatschappelijke betamelijke uit het oog leek te zijn verloren door hun wensen niet te respecteren. Ten slotte heeft de verdachte een vuurwapen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Illegaal wapenbezit dient, gelet op de uitwerking bij (dreigend) gebruik daarvan, dan ook te worden bestreden. Het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan. De verdachte heeft zich van deze gevolgen van zijn handelen kennelijk niets aangetrokken. 5.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad van 18 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf. Rapporten van de reclassering In het rapport van GGZ Fivoor van 6 mei 2025 staat het volgende. De reclassering ziet risicofactoren op de leefgebieden dagbesteding/inkomen, partnerrelaties, middelengebruik, psychosociaal functioneren en houding. De verdachte heeft huisvesting, een inkomen, een dagelijkse focus op werk en zingeving. Hij is geheel zelfredzaam. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod. Op 16 juli 2026 heeft de reclassering een aanvullend rapport uitgebracht waarin vastgehouden wordt aan het eerdere advies voor wat betreft de bijzondere voorwaarden en de inschatting van het recidiverisico. In de aanvulling rapporteert de reclassering onder meer dat de verdachte niet negatief in beeld komt bij de politie en dat de verdachte een ambulante behandelverplichting wil nakomen. Overige persoonlijke omstandigheden De verdachte heeft verklaard door de nasleep van de gebeurtenissen in een sociaal isolement te leven en suïcidale gedachtes te hebben. 5.3.3. Oplegging straffen Straf Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. De rechtbank acht naast een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf het opleggen van een maximale taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Daarbij wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie. De rechtbank komt tot een bewezenverklaard feit minder en houdt rekening met het tijdsverloop. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte door de nasleep van de gebeurtenissen in een sociaal isolement is gekomen en hier tot op de dag van vandaag (online) de gevolgen van ondervindt. Dit maakt dat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend vindt. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat aan de verdachte een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, waaronder contactverboden met de aangeefsters. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om de contactverboden met de aangevers middels de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen, gelet op het reclasseringsrapport en de ouderdom van de feiten. De contactverboden als bijzondere voorwaarde wordt voldoende geacht. 6 Vordering van de benadeelde partijen 6.1. Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] [benadeelde partij 1] (hierna ook: [benadeelde partij 1] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces met betrekking tot de feiten 1, 2 en 5 en vordert een schadevergoeding van € 37.525,-. Dit bedrag bestaat uit € 27.525,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. [benadeelde partij 2] (hierna ook: [benadeelde partij 2] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces met betrekking tot feit 3 en vordert een schadevergoeding van € 9.330,-. Dit bedrag bestaat uit € 1.830,- aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade. [benadeelde partij 3] (hierna ook: [benadeelde partij 3] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces met betrekking tot feit 4 en vordert een schadevergoeding van € 3.500,-, aan immateriële schade. De benadeelde partijen hebben allen gevorderd om de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd: de vordering van [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de materiële schade en het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade te beperken tot € 2.500,- en het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren; de vordering van [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de materiële schade en de immateriële schade toe te wijzen voor een bedrag van € 2.500,- en voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren; de vordering van [benadeelde partij 3] toe te wijzen tot een bedrag van € 500,- en de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft zich voor alle benadeelde partijen op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen deel van de vorderingen kan worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat hiervoor de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd. 6.3. Standpunt van de verdediging De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard vanwege de bepleite vrijspraken. Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, moeten de vorderingen worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk worden verklaard omdat ze onvoldoende zijn onderbouwd. Meer subsidiair moeten de vorderingen aanzienlijk worden gematigd. 6.4. Oordeel van de rechtbank 6.4.1. [benadeelde partij 1] De rechtbank verklaart [benadeelde partij 1] ten aanzien van de materiële schade (€ 27.525,-) niet-ontvankelijk in de vordering, omdat het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het strafbare feit onvoldoende is komen vast te staan. De overgelegde stukken ter onderbouwing van de studievertraging bieden daartoe te weinig informatie. Nader onderzoek daarvan levert een onevenredige belasting van het strafproces op. Vast is komen te staan dat [benadeelde partij 1] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de context van de relatie tussen de verdachte en [benadeelde partij 1] , de korte duur daarvan, het feit dat de verdachte [benadeelde partij 1] heeft geïntroduceerd in het maken van seksuele content en dat [benadeelde partij 1] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten EMDR therapie heeft moeten volgen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de context waarbinnen de strafbare feiten zijn gepleegd. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en is gekeken naar de bandbreedte voor het verspreiden van seksueel beeldmateriaal in de Rotterdamse Schaal. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. 6.4.2. [benadeelde partij 2] De rechtbank verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken voor het feit waarvoor schadevergoeding is gevorderd. 6.4.3. [benadeelde partij 3] De rechtbank verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat het rechtstreekse verband tussen de gevorderde schade en het strafbare feit onvoldoende is komen vast te staan. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in de vordering. 6.4.4. Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde partij 1] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf de startdatum van het openbaar maken op 9 maart 2024. De rechtbank bepaalt dat de verdachte wordt veroordeeld in de kosten door [benadeelde partij 1] gemaakt. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-. De rechtbank legt voor de aan [benadeelde partij 1] toegewezen vordering de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] De rechtbank veroordeelt [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-. 7 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 139h (oud), 254ba, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 8 Beslissingen De rechtbank: Voorvragen verklaart de dagvaarding in de zaak met parketnummer 10-193966-24 geldig; Vrijspraak verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 in de zaak met parketnummer 10-051854-25 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 4 en 5 onder in de zaak met parketnummer 10-051854-25 en het feit in de zaak met parketnummer 10-193966-24, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straffen Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 100 dagen ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Taakstraf veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur , waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan; beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen ; Voorwaardelijk strafdeel bepaalt dat de 95 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte één van de onderstaande voorwaarden niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt; stelt als bijzondere voorwaarden dat: de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen voor de eerste afspraak; de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Fivoor-forensische kliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag; de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] ( [geboortedatum 2] -1999), [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] -1994), [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 4] -1987) en [persoon B] (geboren op [geboortedatum 5] -1998) zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de genoemde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte: meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; Vorderingen benadeelde partijen veroordeelt de verdachte om voor de feiten 1, 2 en 5 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] aan de staat € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro) te betalen, en de wettelijke rente vanaf 9 maart 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 (vijfentwintig) dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3); veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0; verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 4); veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0. 9 Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. E.M. Moison, voorzitter, en mrs. M.J.M. van Beckhoven en B. Vaz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 augustus 2026. B. Vaz is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen. Bijlage 1 – Tenlastelegging Parketnummer 10-051854-25 1 hij in of omstreeks de periode van 9 maart 2024 tot en met 30 juni 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, van een persoon, [slachtoffer 1] , een of meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten - een of meerdere foto’s en/of video’s, waarop is te zien dat die [slachtoffer 1] in een erotisch getinte houding staat en/of in een string gekleed is en/of met daarbij de woorden “ [omschrijving 2] ” en/of woorden van soortgelijke aard en/of strekking, - een of meerdere video’s, waarop is te zien dat die [slachtoffer 1] geslachtsgemeenschap heeft met hem, verdachte, - een of meerdere foto’s en/of video’s waarop de (blote) borsten van die [slachtoffer 1] te zien zijn en/of dat die [slachtoffer 1] een penis vasthoudt en/of aan het aftrekken is en/of met daarbij de woorden “ [omschrijving 3] ?” en/of “ [omschrijving 4] ”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of - een video waarop is te zien dat die [slachtoffer 1] schaars gekleed in een badkuip en/of douche zit en/of waarna er vervolgens een penis in beeld komt, waaruit urine komt op het gezicht van die [slachtoffer 1] en/of met daarbij de woorden toegevoegd “ [omschrijving 1] .”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn. 2 hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, een of meerdere visuele weergaven van seksuele aard, te weten - een video van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop te zien is dat [slachtoffer 1] vaginaal wordt gepenetreerd door een penis en/of met daarbij de woorden “ [omschrijving 6] ”, althans woorden van gelijke strekking, - een video van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop te zien was dat die [slachtoffer 1] seksuele handelingen verricht en/of met daarbij de woorden “ [omschrijving 5] ”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, - een foto van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop die [slachtoffer 1] een string aanheeft en/of de (blote) billen van die [slachtoffer 1] zichtbaar zijn, - een of meerdere video’s van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop te zien was dat die [slachtoffer 1] hem, verdachte, en/of een penis aan het pijpen is en/of in de mond neemt en/of heen en weer gaat en/of met daarbij de woorden toegevoegd “ [omschrijving 7] ”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of - een of meerdere foto’s van een persoon, te weten [slachtoffer 1] , waarop te zien is dat die [slachtoffer 1] halfnaakt is, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer 1] kon zijn. 3 hij op of omstreeks 4 april 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, van een persoon, [slachtoffer 2] , een of meerdere afbeeldingen van seksuele aard, te weten [verdachte] . - een of meerdere video’s, waarop te zien is dat die [slachtoffer 2] schaars gekleed is en/of naakt is en/of seksuele handelingen verricht en/of welke verdachte naar een ander account op platform X, althans een sociaal medium, heeft gestuurd met het verzoek om die filmpjes te plaatsen, openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn. 4 hij in of omstreeks de periode van 7 juli 2024 tot en met 14 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, heeft gedreigd dat hij, verdachte, - aangifte zou doen wegens smaad en/of laster, indien die [slachtoffer 3] geen rectificatie (over het bericht van het muzieklabel) zou plaatsen, en/of - die [slachtoffer 3] kapot zou maken en/of het verhaal op de socials en/of sociale media zou zetten/plaatsen, indien die [slachtoffer 3] niet met hem, verdachte, zou praten en/of contact op zou nemen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 5 hij op of omstreeks 30 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [persoon B] in een e-mail dreigend de woorden toe te voegen die voornoemde [slachtoffer 1] hebben bereikt: “Het is nu gewoon fucking oorlog. Ik maak mezelf van kant of ik maak jullie kapot, daar hebben jullie zelf voor gezorgd”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking. Parketnummer 10-193966-24 hij op 13 juni 2024 te Rotterdam, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een revolver van het merk/type Velo Dog, kaliber .32 s&w, voorhanden heeft gehad. De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] (hierna: het zaaksdossier). Verklaard tijdens de zitting van 20 juli 2026. Pagina 9, als bijlage bij het proces-verbaal met registratienummer [proces-verbaalnummer 1] . Proces-verbaal met registratienummer [proces-verbaalnummer 2] , opgemaakt door senior forensisch onderzoeker, specialist Wapens, Munitie en Explosieven. De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.