Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-22
ECLI:NL:RBROT:2026:10189
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/706690 / HA ZA 25-793 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van [naam V.O.F.] , te [plaats] , eisende partij in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen: [naam V.O.F.] , advocaat: mr. A.C. Teeuw, tegen STEDIN NETBEHEERDER B.V. , te Rotterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: Stedin, advocaat: mr. J.E. Janssen. 1 De zaak in het kort [naam V.O.F.] vordert dat Stedin wordt veroordeeld om aan haar een aanbod te doen tot het leveren van 200 kW aan transportvermogen, zonder beperkingen. Daarnaast vordert [naam V.O.F.] een verklaring voor recht dat Stedin wanprestatie heeft gepleegd, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Volgens [naam V.O.F.] heeft Stedin in strijd gehandeld met de op haar rustende informatieplicht door [naam V.O.F.] niet vooraf te informeren over de dreigende congestie. De rechtbank wijst de vorderingen af. Zij oordeelt dat [naam V.O.F.] contractueel geen recht heeft op het zonder beperkingen ter beschikking stellen door Stedin van een transportvermogen van 200 kW. Ook is volgens de rechtbank geen sprake van schending van artikel 24 van de Elektriciteitswet (oud) en artikel 9 Netcode Elektriciteit (oud) en heeft Stedin tegenover [naam V.O.F.] geen informatie- en waarschuwingsplicht (geschonden). 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 september 2025, met producties 1 tot en met 14; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10; - de aan beide partijen gezonden brief van 17 december 2025 van de rechtbank waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de aan beide partijen gezonden e-mail van 15 april 2025 van de rechtbank met een zittingsagenda voor de mondelinge behandeling; - de akte overlegging aanvullende productie van Stedin, met productie 11; - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties, met producties 15 en 16; - de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 en de daarbij door partijen overgelegde spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [naam V.O.F.] exploiteert een akkerbouwbedrijf in [plaats] , gemeente [gemeente] . 3.2. Stedin is een netbeheerder en is onder meer de beheerder van het regionale openbare elektriciteitsnet in Zeeland. 3.3. [naam V.O.F.] heeft begin 2020 met Enduris, de rechtsvoorganger van Stedin (hierna zowel voor als na de rechtsovergang: Stedin) gesproken over de aanleg van een nieuwe zwaardere stroomaansluiting ten behoeve van een nieuw te realiseren koelopslagloods. 3.4. Bij brief van 10 maart 2020 heeft Stedin een aansluit- en transportovereenkomst (hierna: de ATO) aan [naam V.O.F.] gezonden. 3.5. In artikel 3.1 en 3.2 van de ATO is het volgende opgenomen: “Enduris verbindt zich de elektrische installatie(s) van Producent [ [naam V.O.F.] ; toevoeging rechtbank] ten behoeve van het perceel/percelen, zoals vermeld in de “Gegevens Producent" dusdanig op het door haar beheerde net aan te sluiten c.q. de bestaande aansluiting zodanig aan te passen, dat Producent het in de “Gegevens Producent” vermelde transportvermogen, hierna te noemen het gecontracteerde transportvermogen, kan afnemen. 3.6. In bijlage 1 bij de ATO is, onder meer, het volgende opgenomen: “ Gegevens m.b.t. transport Tariefcategorie Transport: MS/LS (>50 kW t/m 200 kW) Gecontracteerd Transport Vermogen: 51 kW (prognose) Gegevens m.b.t. de aansluiting Aansluitcapaciteit aansluiting: 200 kW Opgesteld productievermogen: 102 kWp” 3.7. In bijlage 2 bij de ATO staat onder meer: “De gevraagde uiteindelijke aansluitcapaciteit is 94 kW (3x160A), hetgeen overeenkomt met een aansluitcapaciteit in de categorie van MS/LS: 50 – 200 kW.” 3.8. Voor het sluiten van de ATO had [naam V.O.F.] een aansluitcapaciteit van 3x80 Ampère. 3.9. Het gecontracteerd transportvermogen van 51 kW dat in de ATO staat, is later gewijzigd in 7 Stedin veroordeelt om de schade die [naam V.O.F.] heeft geleden en zal lijden als gevolg van de tekortkoming(en) althans onrechtmatige handeling(en), althans vernietiging van de overeenkomst, te vergoeden nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente; 4. Stedin veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.955,00; 5. Stedin veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.2. Stedin voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [naam V.O.F.] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam V.O.F.] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beslissing, nader ingegaan. in reconventie 4.4. Stedin heeft aanvankelijk in reconventie – samengevat – gevorderd dat de rechtbank [naam V.O.F.] verbiedt meer dan 44 kW aan transportvermogen voor teruglevering te gebruiken, op straffe van een dwangsom met veroordeling van [naam V.O.F.] in de kosten van de procedure in reconventie. 4.5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stedin haar vordering in reconventie ingetrokken. De rechtbank zal die vordering daarom niet behandelen. 5 De beoordeling 5.1. Nu Stedin haar vordering in reconventie heeft ingetrokken, ligt slechts de vordering in conventie ter beoordeling voor. 5.2. Ter zitting heeft [naam V.O.F.] bevestigd dat haar vorderingen uitsluitend zien op afname. Teruglevering speelt in deze procedure voor wat betreft de vordering dus geen rol. 5.3. De rechtbank wijst de vorderingen van [naam V.O.F.] af en overweegt daartoe het volgende. 5.4. [naam V.O.F.] stelt zich primair op het standpunt dat Stedin op grond van de ATO en de Elektriciteitswet (oud, hierna: E-Wet) zonder beperkingen het maximale transportvermogen ter beschikking moet stellen aan [naam V.O.F.] . 5.5. Volgens [naam V.O.F.] moet Stedin haar transportverplichting op grond van de ATO nakomen. De rechtbank oordeelt hierover dat [naam V.O.F.] op grond van de ATO geen recht heeft op het zonder beperkingen ter beschikking stellen door Stedin van een transportvermogen van 200 kW. Het enkele feit dat technisch gezien de aansluiting van [naam V.O.F.] (al dan niet na een zekeringswissel) een maximale aansluitcapaciteit van 200 kW aan kan, zegt nog niks over welk recht [naam V.O.F.] heeft op transportvermogen. Op grond van de ATO had [naam V.O.F.] recht op een gecontracteerd transportvermogen van 51 kW (zie onder 3.6). Door Stedin is onweersproken gesteld dat deze 51 kW later is gewijzigd in 78 k W , waardoor [naam V.O.F.] recht heeft op 78 kW transportvermogen. 5.6. Om daadwerkelijk een verhoging van dit transportvermogen te kunnen krijgen, is een aanvraag daartoe van [naam V.O.F.] nodig. [naam V.O.F.] stelt een dergelijke aanvraag te hebben gedaan. Daardoor is Stedin ook op grond van artikel 24 lid 1 van de E-wet gehouden om [naam V.O.F.] een aanbod te doen om ten behoeve van [naam V.O.F.] transport van elektriciteit uit te voeren, aldus [naam V.O.F.] . Stedin zou volgens [naam V.O.F.] geen beroep toekomen op artikel 24 lid 2 van de E-wet, waarin is bepaald dat de verplichting als bedoeld in het eerste lid niet geldt voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft. 5.7. [naam V.O.F.] stelt daartoe dat met het formulier dat zij heeft ingediend op 27 oktober 2023 (zie 3.15) transportvermogen heeft aangevraagd om de nieuwe aansluiting te benutten. Volgens [naam V.O.F.] heeft Stedin vervolgens met haar brief van 6 november 2023 deze aanvraag afgewezen. Op dat moment was Stedin nog niet eens bezig met het onderzoek naar de mogelijkheden van congestiemanagement als bedoeld in artikel 9 Netcode Elektriciteit. Stedin had alleen een vooraankondiging gedaan, waardoor zij nog niet tot de conclusie had mogen komen dat zij voor het door [naam V.O.F.] gevraagde Subsidiair stelt [naam V.O.F.] dat Stedin bij het aangaan van de ATO haar informatie-en waarschuwingsplicht heeft geschonden en bij [naam V.O.F.] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij het transport kon leveren waarvoor Stedin de aansluiting heeft aangelegd bij [naam V.O.F.] . Als gevolg daarvan lijdt [naam V.O.F.] schade, waaronder de reeds gemaakte investeringskosten die zinledig zijn gebleken. Ook lijdt [naam V.O.F.] inkomensschade nu zij de geplande bedrijfsuitbreiding al jaren niet kan realiseren. 5.14. [naam V.O.F.] legt hieraan de volgende stellingen ten grondslag. Stedin had [naam V.O.F.] moeten waarschuwen voor het risico op netcongestie. Stedin handelt in strijd met de op haar rustende informatieplicht door een aansluiting van maximaal 200 kW aan te bieden en aan te sluiten en daarvoor kosten in rekening te brengen terwijl deze niet benut kan worden. Het potentiële risico van het niet kunnen verkrijgen van capaciteit was voor Stedin voorzienbaar, omdat zij al in het voorjaar van 2020 wist van (aanstaande) netcongestie op het net waar het bedrijf van [naam V.O.F.] op is aangesloten. Stedin is al sinds 2018 bezig met onderzoek naar de uitbreiding van transportcapaciteit vanwege congestieproblemen. [naam V.O.F.] verwijst hiervoor naar de op 7 september 2020 uitgebrachte vooraankondiging structurele congestie en naar een op 19 oktober 2020 uitgebracht rapport van Decision. Ten tijde van het sluiten van de ATO wist Stedin, althans had zij moeten weten, dat er voor [naam V.O.F.] het risico bestond dat geen werkende grootverbruik aansluiting gerealiseerd kon worden, terwijl Stedin van de uitbreidingsplannen van [naam V.O.F.] op de hoogte was. 5.15. De rechtbank oordeelt dat Stedin geen informatie- en/of waarschuwingsplicht heeft geschonden. Stedin heeft onweersproken aangevoerd dat de vooraankondiging congestie in 2020 en het door Decision uitgebrachte rapport ziet op teruglevering, niet op afname. De vooraankondiging structurele congestie met betrekking tot de afname is pas op 19 juli 2023 uitgebracht. Ten tijde van het sluiten van de ATO in 2020 was netcongestie met betrekking tot afname dus nog niet aan de orde. Stedin was op dat moment niet op de hoogte van de komende congestie in juli 2023 en kon [naam V.O.F.] dan ook niet waarschuwen voor congestie die pas drie jaar later aan de orde was. Als [naam V.O.F.] vóór 19 juli 2023 een aanvraag had gedaan voor extra transportvermogen voor afname had dit transportvermogen wel kunnen worden toegekend en gecontracteerd, zo heeft Stedin ter zitting aangevoerd. 5.16. [naam V.O.F.] heeft ter zitting nog gesteld dat doordat er in 2020 al sprake was van een vooraankondiging van congestie voor teruglevering, Stedin [naam V.O.F.] had moeten waarschuwen dat er ook congestie voor afname zou kunnen gaan ontstaan en dat zij [naam V.O.F.] had moeten adviseren alvast capaciteit te gaan reserveren, omdat [naam V.O.F.] anders later niets aan de zwaardere aansluiting zou hebben. Door dat niet te hebben gedaan, is [naam V.O.F.] te goeder trouw verder gegaan met het doen van investeringen voor de uitbreiding van haar bedrijf. 5.17. Ook dit verwijt snijdt geen hout. Al zou Stedin in 2020 hebben moeten weten dat in 2023 netcongestie voor afname zou ontstaan, – wat zoals hiervoor geoordeeld, niet zo is – bestaat er geen individuele waarschuwingsplicht zoals [naam V.O.F.] voorstaat. Een dergelijke waarschuwingsplicht zou er namelijk toe leiden dat Stedin [naam V.O.F.] als afzonderlijke afnemer had moeten waarschuwen voor een mogelijke congestie op termijn, zodat [naam V.O.F.] bijvoorbeeld alsnog meer capaciteit had kunnen reserveren. Stedin heeft een algemene taak en waarschuwt middels algemene vooraankondigingen alle afnemers tegelijk, mede om te voorkomen dat daar concurrentievoordelen ontstaan. Zo’n concurrentievoordeel was ontstaan als Stedin [naam V.O.F.] had gewaarschuwd op het moment van het sluiten van de ATO. In dat geval zou [naam V.O.F.] immers capaciteit hebben kunnen reserve