Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-28
ECLI:NL:RBROT:2026:10170
Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10-961509-20 Datum uitspraak: 28 juli 2026 Data zittingen: 7 mei 2020, 30 juni 2020, 22 september 2020, 1 maart 2024, 28 november 2025 en 14 juli 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1966 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] . Advocaat van de verdachte: mr. J. Boksem Officier van justitie: mr. T. Tanghe Kern van het vonnis De verdachte heeft drie minderjarige jongens seksueel misbruikt op de Filipijnen in de periode 1996-2000. Twee van de drie slachtoffers zijn stiefkinderen van de verdachte en het derde slachtoffer is een neefje van zijn echtgenote die destijds ook bij hen in huis woonde. Daarnaast heeft de verdachte kinderpornografisch materiaal in zijn bezit gehad. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging, onder andere over het niet voldoen aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, de betrouwbaarheid van de verklaringen en het schenden van het ondervragingsrecht. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden en 22 dagen, waarvan 24 maanden voorwaardelijk. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en het decennialange tijdsverloop sinds de bewezenverklaarde feiten wordt een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd, met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden en met aftrek van voorarrest. Er wordt voor het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf volstaan met het deel dat de verdachte reeds in voorarrest heeft uitgezeten. Dit betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast wordt een geldboete opgelegd van € 13.166,22. De inbeslaggenomen telefoon wordt onttrokken aan het verkeer en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven. 1 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij drie minderjarige jongens seksueel heeft misbruikt in de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 december 2000, en dat hij kinderpornografisch materiaal heeft vervaardigd en in zijn bezit heeft gehad. Dit is onder de feiten 1 tot en met 4 – samengevat – als volgt tenlastegelegd: aanranding van [slachtoffer 1] , de stiefzoon van de verdachte; aanranding van en/of ontucht met [slachtoffer 2] , de neef van de echtgenote van de verdachte, terwijl hij aan de zorg van verdachte was toevertrouwd; aanranding van en/of ontucht met [slachtoffer 3] , de stiefzoon van de verdachte, terwijl hij aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd; het bezit en/of vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1. 2 Ontvankelijkheid van de officier van justitie 2.1. Standpunt van de verdediging Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3. Op grond van art. 5 lid 1 onder 2 Sr, zoals dat gold van 1 januari 1994 tot 1 oktober 2002, moet zijn voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid. Niet kan worden vastgesteld dat de tenlastegelegde handelingen onder de feiten 1, 2 en 3 in de tenlastegelegde periode ook onder een strafbepaling in de Filipijnen vielen. 2.2. Standpunt van de officier van justitie Het verweer moet worden verworpen. Op 17 juni 1992 is in de Filipijnen een wet aangenomen strekkende tot (onder meer) de versterking van de bescherming van kinderen (Republic Act No. 7610). Onder sectie 3 staat beschreven dat dit mede betrekking had op ‘sexual abuse’. Het gaat om kinderen onder de 18. Ten tijde van de tenlastegelegde handelingen vielen die gedragingen dus ook in de Filipijnen onder een strafbepaling. 2.3. Oordeel van de rechtbank De genoemde Republic Act No. 7610 geldt sinds 17 juni 1992 op de Filipijnen. Op grond van artikel 1 sectie 3 onder b jo. artikel 6 sectie 10 onder a van deze Republic Act kan worden vastgesteld dat in de tenlastegelegde periode de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde ge V: Hoe vaak heeft u tijd doorgebracht met [verdachte] alleen? A: Twee keer, in Cebu. In Mindoro waste hij mij en maakte hij mijn penis schoon. V: Hoe vaak heeft u de nacht doorgebracht met [verdachte] ? A: Elke keer wanneer hij ons uitnodigde in zijn appartement in Makati en in een andere plaats voor vakantie. V: Vertelt u mij welke seksuele handelingen zich voordeden. A: Hij vroeg om met een riem op zijn billen gezweept te worden. Hij vroeg ook om het handvat van een springtouw in zijn anus te brengen. Hij vroeg om zijn penis af te trekken en zijn testikels vast te houden tijdens het masturberen. V: In hoeverre werden er aan u op enige tijd beloftes gedaan door [verdachte] ? A: Er waren geen beloftes, maar hij gaf ons geld voor we naar huis gingen. V: Wie had er nog meer contact en/of een dergelijke relatie met [verdachte] ? A: [verdachte] deed ook hetzelfde met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . V: Welke seksuele handelingen vonden plaats tussen anderen en [verdachte] ? A: [verdachte] liet de groep kinderen spelen zonder ondergoed totdat de situatie intiem werd en dan vroeg hij om zijn penis af te trekken en het handvat van het springtouw in zijn anus in te brengen. V: Waar vonden deze seksuele handelingen plaats? A: Allemaal in zijn appartement in Makati en in zijn huis in Cebu City. V: Hoe vaak was u aanwezig bij deze handelingen met anderen? A: Heel vaak, vooral wanneer hij in Cebu was, hij gebruikte slechts één kamer. 4. Een schriftelijk stuk, te weten de vertaling van de onder ede tegenover de Filipijnse politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] : Ik ben geboren op [geboortedatum 3] 1990. [verdachte] is mijn oom, echtgenoot van [echtgenote verdachte] en stiefvader van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en ik hebben seksueel contact gehad met [verdachte] . Hij had de rol van een vader voor mijn neef en voor mij. Omdat ik bij hen in huis woonde. Hij bood ons voedsel, onderdak en scholing. V: [echtgenote verdachte] verklaarde dat u haar heeft verteld over het “aanraken” van [verdachte] (masturberen). Net als met [slachtoffer 1] . Wat kunt u daar over zeggen? A: Ja, dat is waar en niet alleen masturberen. Er was een moment dat hij mijn penis in zijn mond deed. V: U vertelde [echtgenote verdachte] dat “ [verdachte] soms naar hun kamer ging en hen aanraakte op hun broek in de buurt van de penis”. Wat kunt u daarover vertellen? A: Ja, het is waar. Wanneer wij sliepen, we werden wakker omdat hij mijn penis aanraakte. V: [verdachte] vertelde zijn vrouw [echtgenote verdachte] : “We lagen gewoon en ik trok aan zijn penis en dat was oké”. Wat kunt u hierover zeggen? A: Het was niet oké, ik voelde me onbehaaglijk en niet op mijn gemak, hij verstoorde ook mijn slaap. V: Kunt u ons vertellen wanneer dit seksueel misbruik plaatsvond? A: Sinds 1998, toen we bij hem woonden in het appartement in Makati City. V: En wanneer was de laatste keer dat deze seksuele handelingen plaatsvonden? A: Toen ik al 10 jaar oud was, dat was in het jaar 2000. V: Vertelt u mij welke andere seksuele handelingen plaatsvonden? A: Hij raakte mijn penis aan (aftrekken). V: Hoeveel geld ontving u van [verdachte] ? A: 100 peso’s. V: Waarom ontving u geld van [verdachte] ? A: Het was een prijs voor spelletjes die we speelden. 5. Een schriftelijk stuk, te weten de vertaling van de onder ede tegenover de Filipijnse politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] : Ik ben geboren op [geboortedatum 4] 1990. Mijn moeder is [echtgenote verdachte] . [slachtoffer 1] is mijn broer. [verdachte] is onze stiefvader, mijn moeders huidige echtgenoot. [slachtoffer 1] en ik zijn de stiefzonen van [verdachte] , terwijl [slachtoffer 2] mijn neef is, die bij ons woonde tot hij het voortgezet onderwijs had afgerond. Wij allen op foto nummer 2 hebben seksueel contact gehad met [verdachte] . ( de rechtbank: op de foto staan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ). V: Welke rol heeft/had de verdachte [verdachte] in het leven va 3.3.2.2 Feiten 1 tot en met 3 Ondervragingsrecht De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat de verdediging deze getuigen niet heeft kunnen ondervragen en de betrouwbaarheid van hun verklaringen niet heeft kunnen toetsen. Aangezien een eventuele bewezenverklaring in hoofdzaak op deze verklaringen zou steunen en er geen (of onvoldoende) compenserende factoren zijn aan te wijzen voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht, zijn artikel 6 lid 3 sub d en artikel 6 lid 1 van het EVRM geschonden en moeten de verklaringen worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De verdediging heeft in de onderhavige zaak het ondervragingsrecht niet volledig kunnen uitoefenen. In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid (Hoge Raad 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:181, r.o. 2.9.1). In deze zaak is er een reden voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht. Op de regiezitting van 1 maart 2024 zijn de verzoeken van de verdediging om deze personen als getuigen te horen toegewezen en is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris van 11 september 2025 volgt dat er meerdere rechtshulpverzoeken zijn gedaan om de getuigen op de Filipijnen te horen, maar dat hieraan door de Filipijnse autoriteiten geen gevolg is gegeven waardoor het niet is gelukt om de getuigen te horen. Dat het ondervragingsrecht niet, althans niet binnen afzienbare termijn, kon worden uitgeoefend was daarom buiten machte van de Nederlandse justitie. Voor wat betreft het gewicht van de verklaringen, geldt dat de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 niet uitsluitend of in beslissende mate steunt op de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Deze bewezenverklaring is namelijk in beslissende mate gebaseerd op de uitwerking van de geluidsopname waarin de verdachte zelf verklaart over het misbruik. De getuigenverklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ondersteunen dit bewijsmiddel. Tot slot merkt de rechtbank op dat er in deze zaak geen factoren aanwezig zijn die het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid compenseren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, ook zonder dat er nog andere compenserende factoren waren voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Bewijs en betrouwbaarheid verklaringen De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [echtgenote verdachte] onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Vooropgesteld zij dat de ten laste gelegde feiten door de verdachte worden bekend in het door [echtgenote verdachte] met hem opgenomen gesprek. De bewezenverklaring steunt in beslissende en overwegende mate o Verder kan bewijsuitsluiting aan de orde zijn als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, waarbij toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Ook van die situatie is in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij is van belang dat ten tijde van de inbeslagname op 24 februari 2020 de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet algemeen bekend was. De Hoge Raad is inmiddels bij arrest van 18 maart 2025 ingegaan op de betekenis van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie – in het bijzonder de uitspraak in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck – voor de eisen die moeten worden gesteld aan onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones. Bewijsuitsluiting in deze zaak draagt daarom niets bij aan het voorkomen van vormverzuimen in de toekomst. De rechtbank zal gelet op het voorgaande volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolgen verbinden. Cache bestanden Uit het dossier volgt dat een groot deel van de tenlastegelegde kinderpornografische afbeeldingen zich bevonden in de cache van de telefoon van de verdachte. Ten aanzien van deze bestanden geldt dat deze in beginsel niet zonder gebruikmaking van speciale software, in elk geval niet eenvoudig en voor de gemiddelde gebruiker, toegankelijk zijn. Omdat het dossier geen andere bewijsmiddelen biedt voor een bewezenverklaring van het in bezit hebben van die bestanden in de ten laste gelegde periode en er ook geen aanwijzingen zijn dat de verdachte beschikt over bijzondere digitale ervaring, zal de verdachte ten aanzien van die afbeeldingen worden vrijgesproken. De tenlastegelegde foto’s 4 tot en met 7 bevonden zich niet in de cache, maar in het bestandspad ‘ [bestandsnaam 5] ’ zodat aangenomen kan worden dat deze eenvoudig toegankelijk waren en bewezen kan worden verklaard dat de verdachte deze afbeeldingen in zijn bezit had. Seksuele strekking De rechtbank heeft na het bekijken van de toonmap in raadkamer, vastgesteld dat, anders dan de raadsman heeft gesteld, de afbeeldingen 4 tot en met 7 kinderpornografisch van aard zijn. 3.3.3. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: 1. hij in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1998 te Makati en Cebu City (Filipijnen), door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode meermalen - zijn, verdachtes, penis laten vasthouden en zich laten masturberen door die [slachtoffer 1] en - tijdens het masturberen van hem, verdachte, zijn, verdachtes, testikels laten vasthouden en - met een riem, op de billen van hem, verdachte, laten slaan en - met een handvat van een springtouw verdachtes, anus laten penetreren, en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte, zulks terwijl er sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen verdachte en die [slachtoffer 1] , zijnde zijn, verdachtes, stiefzoon meermalen - die [slachtoffer 1] bij hem, verdachte, in huis heeft laten wonen; - die [slachtoffer 1] in zijn bed heeft laten slapen; - een positie als vader in het gezin heeft ingenomen en/of hen van voeding, onderdak en educatie heeft voorzien; en aldus een situatie heeft doen ontstaan waarbij hij, verdachte, (feitelijk en psychisch) overwicht had over die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] zich in een kwetsbare positie bevond; 2. hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 te Makati (Filipijnen), door een feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, in voo hij in de periode van 20 mei 2019 tot en met 24 februari 2020 in Maleisië, en te [plaats] , een gegevensdrager bevattende afbeeldingen - te weten een mobiele telefoon, Samsung Galaxy S9 ( [serienummer] ) van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, in bezit heeft gehad welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het als persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt met een vinger/hand aanraken van het eigen geslachtsdeel, (foto 4 en 5, pagina 536 en 543) en/of het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon poseert in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij zijn leeftijd past en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de onnatuurlijke pose van deze persoon en/of de uitsnede van de foto’s nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel en/of billen van die persoon in beeld gebracht worden, en die afbeeldingen aldus een onmiskenbaar seksuele strekking had en/of strekte tot seksuele prikkeling (foto 6 en 7, pagina 536, 543 en 544 ) 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd. Feiten 2 en 3, telkens de eendaadse samenloop van: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd; en met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd. Feit 4: een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd. 4.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte Het onderdeel in de tenlastelegging “terwijl hij, verdachte deze naam minderjarige verzorgde of opvoedde als kind behorend tot zijn gezin en/of terwijl deze naam minderjarige aan de zorg van hem, verdachte, was toevertrouwd” (feit 2 en 3), vormde geen strafverzwarend bestandsdeel van het destijds geldende artikel 247 Sr. Dit terwijl het wel als dusdanig is ten laste gelegd, althans in ieder geval niet als afzonderlijk strafbaar feit is ten laste gelegd (zie artikel 249 Sr. oud). Dit onderdeel kan daarom telkens wel worden bewezen verklaard, maar niet worden gekwalificeerd als een strafbaar of strafverzwarend feit. De feiten en de verdachte zijn voor het overige strafbaar. 5 Straffen 5.1. Eis van de officier van justitie De verdachte moet voor de feiten 1 tot en met 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte de EU niet verlaat, zijn paspoort inlevert en een donatie doet aan Defence voor Children ter hoogte van € 13.166,22, gelijk aan het bedrag dat op de bankrekening van de verdachte staat waarop beslag ligt. 5.2. Standpunt van de verdediging Voor zover de rechtbank tot een veroordeling komt, dan is een straf gelijk aan de duur van het voorarrest een passende straf. 5.3. Oordeel van de rechtbank 5.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met drie minderjarige jongens. Dat heeft de verdachte kunnen doen doordat hij bij twee van de drie jongens in hun leven is gekomen als stiefvader. De derde jongen was het neefje van zijn echtgenote en woonde in die periode ook bij hen in huis. Het huis dat hij de jongens bood zou een veilige plek voor hen moeten zijn, maar het was daarentegen de plek waar zij seksueel werden misbruikt. De verdachte heeft met de bewezenverklaarde feiten gedurende een periode van meerdere jaren op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de drie jongens en hun gevoel van veiligheid i Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat sinds het einde van het bewezenverklaarde kindermisbruik inmiddels ruim 25 jaar is verstreken, een periode waarin geen nieuwe door de verdachte gepleegde strafbare feiten naar voren zijn gekomen, is het naar het oordeel van de rechtbank niet meer passend en geboden dat de verdachte terug moet naar de gevangenis. De gevangenisstraf wordt daarom gedeeltelijk voorwaardelijk opgelegd en het onvoorwaardelijke deel, bijna 8 maanden, heeft de verdachte al in voorarrest doorgebracht. Aan de voorwaardelijke straf wordt als bijzondere voorwaarde gekoppeld dat de verdachte de Europese Unie niet verlaat en dat hij niet in het bezit is van een paspoort.De voorwaardelijke straf en de daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden hebben ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank acht het, gelet op de ernst van de feiten, geboden om naast de gevangenisstraf een onvoorwaardelijke geldboete op te leggen van € 13.166,22. De rechtbank heeft bij de hoogte van de geldboete rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte en met de eis van de officier van justitie, waarbij een geldboete passender wordt geacht dan het doen van een donatie als bijzondere voorwaarde. 6 In beslag genomen voorwerpen 6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen Samsung Galaxy S9 wordt onttrokken aan het verkeer. 6.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om eerst de afbeeldingen op de telefoon die geen kinderpornografische afbeeldingen betreffen te kopiëren en aan de verdachte terug te geven, voordat de Samsung Galaxy S9 wordt onttrokken aan het verkeer. 6.3. Oordeel van de rechtbank De rechtbank beslist dat de in beslag Samsung Galaxy S9 wordt onttrokken aan het verkeer. Het onder 4 bewezenverklaarde feit is met behulp van dit voorwerp gepleegd en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet, omdat hierop kinderpornografisch materiaal staat. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De verdediging heeft onvoldoende concreet aangegeven om hoeveel en om welke bestanden op de telefoon het zou gaan en de bijzonder persoonlijke belangen die hierbij voor de verdachte zouden spelen. Het op bestandsniveau onderzoeken van de telefoon en het overnemen van gegevensbestanden vormt onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank een onevenredig grote belasting voor de opsporingsdiensten die dit verzoek zouden moeten uitvoeren. De rechtbank wijst het verzoek af. 7 Voorlopige hechtenis De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 15 oktober 2020 geschorst. De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De officier van justitie heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Gelet op de straf die aan de verdachte wordt opgelegd, doet de situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voor, zodat het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. 8 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36b, 36c, 55, 57, 240b, 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde. 9 Beslissingen De rechtbank: Voorvragen verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging; Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straffen Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 31 (eenendertig) maanden en 22