Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-29
ECLI:NL:RBROT:2025:9937
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,549 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Insolventienummer: [nummer]
Uitspraak: 29 april 2025
VONNIS op het op 28 maart 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
de stichting
[verzoekster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. E.T. van den Hout,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster]
,
[vestigingsadres]
[adres] [vestigingsplaats 2]
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verweerster.
Procesverloop
De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op
22 april 2025.
Bij brief van 18 april 2025 heeft mr. E.T. van den Hout nadere stukken toegestuurd.
Op de zitting van 22 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
mr. K. Zwaaneveldt, advocaat van verzoekster;
de heer [persoon A] , (indirect) bestuurder van verweerster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Standpunt van partijen
Standpunt verzoekster
Verzoekster heeft in haar verzoekschrift en ter zitting – kort gezegd – gesteld dat zij achterstallige pensioenpremie te vorderen heeft. De vordering van verzoekster, inclusief rente en kosten, bedraagt € 8.423,312. Daarnaast laat verweerster ook een vordering van BNP Paribas Leasing Solutions N.V. (hierna: BNP Paribas) van € 3.310,30, inclusief rente en kosten, onbetaald.
Standpunt verweerster
Verweerster heeft het vorderingsrecht van verzoekster erkend voor zover de vordering ziet op de achterstallige premies. Verweerster heeft een betalingsregeling voorgesteld, maar verzoekster wil daarmee alleen akkoord gaan als € 2.000,-- per maand wordt betaald. Dit is niet haalbaar voor verweerster. Verweerster is bereid (en in staat) om de hoofdsom van in totaal circa € 5.600,-- te voldoen. Verweerster is het niet eens met de door verzoekster berekende rente en de kosten aangezien deze voorkomen hadden kunnen worden als verzoekster met een betalingsregeling had ingestemd.
Verweerster heeft de hoogte van de steunvordering betwist. Deze vordering ziet op het leasen van een printer, waarbij tussen partijen is overeengekomen dat verweerster € 75,-- per maand zou betalen. Omdat verweerster ondanks herhaald verzoek daartoe noch facturen noch een rekeningnummer van BNP Paribas heeft ontvangen, heeft verweerster niets kunnen betalen. Verweerster heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uitgaande van een leasebedrag van € 75,-- per maand, de vordering van BNP Paribas niet zo hoog kan zijn.
Beoordeling
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
Beoordeling
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Bestaan vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers
De rechtbank stelt vast dat verweerster de hoogte van het vorderingsrecht van verzoekster heeft erkend, behoudens voor zover de vordering ziet op rente en (aanvraag)kosten. Nu verzoekster geen genoegen neemt met betaling door verweerster van slechts de hoofdsom en verweerster desgevraagd heeft verklaard dat zij niet in staat is de volledige vordering van verzoekster te betalen, is de rechtbank van oordeel dat van het vorderingsrecht van verzoekster summierlijk is gebleken. Bovendien is het vorderingsrecht van verzoekster opeisbaar.
Ten aanzien van de steunvordering van BNP Paribas Leasing Solutions N.V. stelt de rechtbank vast dat verweerster niet heeft betwist dat zij enig bedrag verschuldigd is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat summierlijk is gebleken van pluraliteit van schuldeisers.
Faillissementstoestand
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank voorts vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat verweerster de vorderingen van verzoekster en BNP Paribas Leasing Solutions N.V. onbetaald laat. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart [verweerster] voornoemd in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. R.A.J. van Wingerden, advocaat te Rotterdam;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van
A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 te 10:00 uur.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.