Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-07-11
ECLI:NL:RBROT:2025:9920
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11554714 CV EXPL 25-3785 datum uitspraak: 11 juli 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Stichting Maasdelta Groep, vestigingsplaats: Spijkenisse, eiser, gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Maasdelta’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 17 februari 2025, met bijlagen; de mail van [gedaagde] van 20 februari 2025, met bijlagen; de aantekeningen van het mondelinge antwoord van 25 februari 2025, de brief van Maasdelta van 6 juni 2025, met bijlage. 1.2. Op 17 juni 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: Mevrouw [persoon A] van Flanderijn en [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde] huurt een woning van Maasdelta en heeft de huur niet op tijd betaald. Maasdelta wil dat [gedaagde] de huurachterstand en de lopende huur betaalt. Maasdelta wil ook dat de huurovereenkomst eindigt en dat [gedaagde] vertrekt uit de woning. [gedaagde] moet de huurachterstand inderdaad betalen. Voor deze achterstand geldt dat binnen drie maanden na betekening van dit vonnis een regeling moet zijn getroffen. Als [gedaagde] zich niet houdt aan die regeling of vanaf nu tijdens de aflosperiode de huur weer niet op tijd betaalt, eindigt de huurovereenkomst en moet [gedaagde] de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom. [gedaagde] moet de totale schuld van € 3.335,32 betalen 2.2. De partijen zijn het erover eens dat de schuld van [gedaagde] aan Maasdelta op het moment van de zitting € 3.335,32 was. Dit bedrag is gebaseerd op de huur tot en met de maand juni 2025. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan Maasdelta te betalen. [gedaagde] krijgt een laatste kans om te voorkomen dat hij de woning moet verlaten 2.3. Maadelta heeft ter zitting toegezegd niet tot ontbinding en ontruiming over te gaan als binnen drie maanden na betekening van het vonnis een betalingsvoorstel wordt gedaan door de schuldhulpverlener van [gedaagde] en [gedaagde] zich vervolgens aan die regeling houdt. Dat betekent dat [gedaagde] de huurachterstand niet in één keer aan Maasdelta hoeft te betalen, zolang hij zich aan de regeling houdt en vanaf vandaag de huur op tijd betaalt (telkens voor de eerste van de maand). Ontbinding en ontruiming als [gedaagde] zich niet aan de betalingsregeling houdt of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betaalt 2.4. De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. In dit geval is de huurachterstand vijf maanden, maar wordt de lopende huur wel betaald. Bovendien is er een schuldhulpverlener ingeschakeld om [gedaagde] te helpen bij het betalen van zijn schulden. Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wordt de gevraagde ontbinding toegewezen als [gedaagde] zich niet houdt aan de binnen drie maanden na vonnis te treffen betalingsregeling of tijdens de alsdan overeengekomen aflosperiode de huur niet op tijd betaalt. 2.5. Als de huurovereenkomst eindigt, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de ontbinding. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] dan een gebruiksvergoeding van € 644,86 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Maasdelta heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur. De gedaagde hoeft geen incassokosten en rente te betalen 2.6. De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of de bepalingen in de huurovereenkomst e Op 13 augustus 2024 heeft Maasdelta [gedaagde] een mail gestuurd waarin zij hem wijst op de huurachterstand en waarin verder het volgende staat: Algemene voorwaarden De algemene voorwaarden van Maasdelta die van toepassing zijn op de huurovereenkomst bevatten een artikel over (bultengerechtelijke) incassokosten en een artikel over boete. Het gaat onder andere om artikel 15 en 17 in de algemene huurvoorwaarden van 1 januari 2012 en om artikel 14 en 16 in de algemene huurvoorwaarden van 1 juli 2006. Deze bepalingen wijken af van de wettelijke bepaling over buitengerechtelijke incassokosten, rente en boete. Wij schrappen de bepalingen daarom uit de algemene huurvoorwaarden en zullen alleen nog de wettelijke regelingen toepassen. 2.11. [gedaagde] heeft geen akkoord gegeven en daar is door Maasdelta ook niet om gevraagd. Naar het oordeel van de kantonrechter is er daarom geen sprake van (stilzwijgende) overeenstemming tussen partijen over het schrappen van bedoelde bepalingen. Deze mail van 13 augustus 2024 kan er in deze procedure dus niet toe leiden dat de bedingen die zien op betaling van rente en buitengerechtelijke kosten als geschrapt moeten worden beschouwd en niet ambtshalve getoetst hoeven worden. Overigens wordt in de e-mail niet gerept over (het ook oneerlijke) artikel 7 van de huurovereenkomst. Als een oneerlijk beding voorafgaand aan een gerechtelijke procedure door een eenzijdige mededeling van Maasdelta als vervallen zou kunnen worden verklaard ten aanzien van een individuele huurder met wie zij al een geschil heeft, zonder dat deze daar uitdrukkelijk mee instemt, wordt de toets van de (Europese) regels van consumentenbescherming door Maasdelta omzeild. Maasdelta kan dan in alle gevallen die niet aan de rechter worden voorgelegd een beroep blijven doen op het oneerlijke beding en daarmee economisch voordeel behalen uit het gebruik van het oneerlijke beding. Dit is in strijd met de ratio achter het ambtshalve toetsen: het bieden van daadwerkelijke bescherming van de consument, met name gezien het niet te onderschatten risico dat deze zijn rechten niet kent of moeilijkheden ondervindt om deze uit te oefenen. Verder geen oneerlijke bepalingen 2.12. De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.13. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Maasdelta moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 514,00 aan griffierecht, € 476,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,00) en € 119,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.254,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard 2.14. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Maasdelta dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Maasdelta te betalen € 3.335,32; 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Maasdelta worden begroot op € 1.254,45; 3.3. bepaalt dat Maasdelta de hiervoor genoemde bedragen niet kan opeisen zolang [gedaagde] met behulp van zijn schuldhulpverlener binnen drie maanden na betekening van het vonnis een betalingsregeling treft en daarnaast vanaf vandaag de huur iedere maand op tijd betaalt; 3.4. wijst al het andere af; en, als [gedaagde] niet binnen drie maanden na betekening van het vonnis een betalingsregeling treft: 3.5. bepaalt dat [gedaagde] het bedrag dat op dat moment open staat