Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBROT:2025:9873
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,041 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 17 april 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 11 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 11 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2025.
Ter zitting van 10 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw P.S. Kootstra en mevrouw R.G. Angelista, beiden werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan doordat hij geen vast inkomen had. Hij werkte als zelfstandig ondernemer, maar had geen vaste uren waardoor zijn inkomen elke maand anders was. Zijn inkomen werd maandelijks aangevuld met een PW-uitkering. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij op dit moment geen arbeid verricht omdat hij weer als zelfstandig ondernemer aan de slag wil gaan in de bouw. Dit wordt op dit moment bemoeilijkt omdat verzoeker geen rijbewijs heeft. Verzoeker wil niet in loondienst en gaat als zelfstandige aan de slag zodra hij zijn rijbewijs heeft gehaald. Op dit moment ontvangt hij een PW-uitkering ter hoogte van € 1.278,18 en huurtoeslag ter hoogte van € 315,--. De kale huur bedraagt € 507,26. De inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het contact met verzoeker goed verloopt. De schuldregeling is gestart per 19 maart 2025 en er is inmiddels budgetbeheer. Vanaf april 2025 worden de vaste lasten van verzoeker door de budgetbeheerder voldaan. De schuldenlast is inmiddels geïnventariseerd. Er wordt alleen nog gewacht op een opgave van de schuld aan de belastingdienst en het CJIB. Schuldhulpverlening heeft verzoeker er op gewezen dat hij de huur over april 2025 zelf dient te voldoen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij eerst derden heeft terugbetaald waarvan hij geld had geleend, omdat deze derden krap bij kas zaten. Bovendien kan hij thans niet over zijn geld beschikken omdat zijn bankrekening is geblokkeerd.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 24 januari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 17 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank in beginsel sprake van een bedreigende situatie. Aan de andere kant heeft schuldhulpverlening verklaard met de verhuurder inmiddels, na 17 maart 2025, in gesprek te zijn over een minnelijke schuldenregeling.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 21 februari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de huur over april 2025 – ondanks dat schuldhulpverlening verzoeker hierop heeft gewezen – niet is betaald door verzoeker. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij geld had geleend bij derden die hij heeft terugbetaald. Hij verklaart dat hij niet wist dat zijn inkomen naar Geldplein moest worden overgemaakt. Tevens stelt verzoeker dat zijn bankrekening vanaf deze maand is geblokkeerd. Hoewel verzoeker de huur over de maand april 2025 tijdig had moeten betalen omdat reeds een voorlopig moratorium op 11 maart 2025 was verleend staat dit in de gegeven omstandigheden niet aan toewijzing in de weg nu verzoeker kennelijk afhankelijk is van budgetbeheer terwijl dat nog niet was opgestart en de financiële huishouding overduidelijk nog niet stabiel was. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 21 februari 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 11 maart 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.