Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-29
ECLI:NL:RBROT:2025:9698
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,119 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/254571-24
Datum uitspraak: 29 juli 2025
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode 1] te [woonplaats] ,
verblijvende op het adres:
[verblijfadres] , [postcode 2] te [verblijfplaats] ,
raadsvrouw mr. B.V. Rafaela, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 juli 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. W.L. van Prooijen heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest en met bevel tot gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak in eerste aanleg.
4Vrijspraak
4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten – het voorhanden hebben van vuurwapens – wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair bepleit dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking, dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden en dat in het verlengde hiervan vrijspraak dient te volgen. Subsidiair dient in de visie van de verdediging vrijspraak te volgen, omdat niet kan worden bewezen dat bij de verdachte sprake was van wetenschap en beschikkingsmacht ten aanzien van de buiten zijn kelderbox aangetroffen vuurwapens.
4.3.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat onder feit 1 en 2 Dordrecht als pleegplaats is opgenomen. De rechtbank stelt ook vast dat onder beide feiten niet staat vermeld ‘althans in Nederland’. Uit het dossier blijkt echter dat beide vuurwapens zijn aangetroffen nabij de kelderbox van de woning aan de [verblijfadres] te Rotterdam. Reeds hierom kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.
4.4.
Conclusie
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. P. Joele en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.M. de Ruiter-van der Vleuten, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Dordrecht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber 22mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2.
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Dordrecht een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Steyr, type M1909, kaliber 6 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.