Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-27
ECLI:NL:RBROT:2025:9652
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,251 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 27 januari 2025
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 11 september 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Kralingsch Beheer, in behandeling bij Rosmalen gerechtsdeurwaarders B.V., hierna te noemen: Kralingsch Beheer;
die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 13 januari 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw M. Brouwer en mevrouw M. van Oorschot, beiden werkzaam bij Mijnbudgetcoach.nl (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift achttien schuldeisers, waarvan één preferente en zestien concurrente schuldeisers met zeventien vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 43.494,68 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 21 december 2023 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,37% aan de preferente schuldeiser en 2,19% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast bedroeg op dat moment
€ 44.444,84.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft geen ontheffing van de sollicitatieverplichting. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij de nodige medische klachten heeft waardoor zij zich niet in staat acht te werken. Zij heeft op korte termijn een afspraak bij de uitkerende instantie om haar mogelijke arbeidsongeschiktheid te bespreken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de belastingdienst, nadat het aanbod aan de schuldeisers door schuldhulpverlening is gedaan, op 10 september 2024 een schuldenopgaaf aan de beschermingsbewindvoerder heeft toegezonden, waaruit blijkt dat schuld aan de belastingdienst aanzienlijk hoger is, dan de schuld waarop het aanbod is gebaseerd. Schuldhulpverlening heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zij aan de overige schuldeisers niet heeft meegedeeld dat de schuldenlast is toegenomen, waardoor het te verwachten percentage dat uitgekeerd wordt, lager zal zijn. Beschermingsbewind heeft verklaard wel van de verhoogde vordering van de belastingdienst op de hoogte te zijn. Zij ging ervan uit dat schuldhulpverlening hierover contact op zou nemen met de schuldeisers. Beschermingsbewind heeft ter zitting aangeboden om het huidige aangeboden saneringskrediet te kunnen handhaven, het tekort aan te zuiveren. Er is sprake van een saldo op de beheerrekening van circa € 8.000,--. Beschermingsbewind heeft daarnaast verklaard dat er van het opgebouwde spaarsaldo niet eerder een bedrag is ingelegd, omdat schuldhulpverlening hier niet om heeft verzocht. Beschermingsbewind heeft wel telkens aan schuldhulpverlening het saldo van de beheerrekening aan schuldhulpverlening doorgegeven.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
Zestien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Kralingsch Beheer stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 5.136,26 op verzoekster.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft de weigerende schuldeiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Kralingsch Beheer bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Kralingsch Beheer in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van Kralingsch Beheer een aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 11,56 % daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Kralingsch Beheer in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Het aanbod waar de andere schuldeisers mee akkoord zijn gegaan wijkt voor wat betreft de hoogte van de schuldenlast en/of het aangeboden percentage af van hetgeen in het verzoekschrift staat. Dit is het gevolg van het feit dat na het aanbod is gebleken dat er schulden zijn die niet eerder bekend waren en derhalve niet zijn meegenomen in het aanbod. Uit de stukken blijkt dat de concurrente vordering van de belastingdienst op de crediteurenlijst is opgenomen voor een bedrag van € 8.626,--. Uit de opgave van de belastingdienst van 10 september 2024 blijkt echter dat de concurrente schulden aan de belastingdienst € 21.839,-- bedragen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de schuldeisers niet op de hoogte zijn gesteld van de verhoogde schuldenlast. Bovendien heeft de beschermingsbewindvoerder verklaart dat er sprake is van een beschikbaar saldo op de beheerrekening van ongeveer € 8.000,-- per 13 januari 2025. Verzoekster staat sinds 8 maart 2022 onder beschermingsbewind. Het aanbod door schuldhulpverlening is gedaan op 21 december 2023. Er is geen extra saldo ingelegd ten behoeve van het saneringskrediet. De rechtbank kan niet beoordelen wat het beschikbare spaarsaldo is op de datum van het aanbod aan de schuldeisers. Indien er sprake was van een saldo op de datum van het aanbod aan de schuldeisers, dan had dit spaarsaldo moeten worden meegenomen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van Participatiewet-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoekster niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoekster heeft eerst na de zitting een afspraak met de uitkerende instantie over haar arbeidsongeschiktheid. Verzoekster heeft geen medische stukken overgelegd, waar blijkt dat zij arbeidsongeschikt is. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Kralingsch Beheer als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om Kralingsch Beheer te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2025.