Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-03
ECLI:NL:RBROT:2025:9555
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,900 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 3 april 2025
[verzoekser]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 14 februari 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 februari 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 maart 2025. Op verzoek van verzoekster is de behandeling van het verzoek verplaatst, nu verzoekster niet ter zitting van 11 maart 2025 aanwezig kon zijn. De behandeling van het verzoekschrift is aangehouden tot 27 maart 2025
Ter zitting van 27 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
A. Changur, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
[verweerster], gevestigd te Amsterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij een huurachterstand heeft laten ontstaan omdat het een periode niet goed met haar ging. Tevens heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij verschillende partijen heeft gehad die als verhuurder optraden. Door faillissement van deze partijen wist verzoekster niet aan wie zij de huurbetalingen moest overmaken. Verzoekster heeft circa € 1.300,-- aan inkomsten uit arbeid en ontvangt daarnaast € 400,-- aan huurtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 740,-- te voldoen. Verzoekster heeft zich inmiddels bij schuldhulpverlening gemeld voor een oplossing voor haar schulden. Schuldhulpverlening heeft ter zitting meegedeeld dat de schulddienstverlening nog moet worden opgestart. Zij zijn voornemens om, nadat de eerste afspraak heeft plaatsgevonden, budgetbeheer op te starten.
Ter zitting heeft verzoekster meegedeeld dat zij in de veronderstelling was dat zij de huurbetalingen pas weer moest voldoen nadat deze zitting had plaatsgevonden waardoor de huur over maart 2025 nog niet is voldaan. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij ervoor gaat zorgen dat de huurbetaling voor april 2025 tijdig zal worden voldaan. Zij heeft hiervoor een bedrag gereserveerd.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 10 januari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 februari 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 17 juli 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft inkomen uit arbeid. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoekster heeft ter zitting toegezegd de huurtermijn voor april 2025 tijdig te voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting meegedeeld dat zij, zodra de schulddienstverlening is opgestart, voornemens zijn om budgetbeheer op te starten. Hierdoor is het voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij zich er van bewust is dat de huur tijdig, te weten voor de 1ste van de maand, dient te zijn voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 17 juli 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
14 februari 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025.