Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-03
ECLI:NL:RBROT:2025:9542
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,669 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
tussentijdse beëindiging
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 3 april 2025
Bij vonnis van deze rechtbank van 12 oktober 2023 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenaar]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats],
schuldenaar,
bewindvoerder: R.I. de Jong.
Procesverloop
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 21 januari 2025 met dit verzoek ingestemd. De rechtbank heeft de behandeling bepaald op 27 maart 2025.
Op 21 maart 2025 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht over de laatste stand van zaken.
Ter zitting van 27 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
- de heer R.I. de Jong, bewindvoerder;
- mevrouw E. Frans, beschermingsbewindvoerder.
Schuldenaar is hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2De standpunten
Bewindvoerder
Als grond voor de voordracht tot tussentijdse beëindiging is door de bewindvoerder aangevoerd dat schuldenaar een tekortkoming heeft in de sollicitatieplicht. Schuldenaar heeft over de periode februari 2024 tot en met heden, ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe, geen sollicitaties overgelegd. Ook nadat de rechter-commissaris op 16 augustus 2024 een waarschuwingsbrief aan schuldenaar heeft verzonden, zijn er geen sollicitaties ontvangen. Schuldenaar heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij mogelijk arbeidsongeschikt is. Op verzoek van de bewindvoerder is er op 14 januari 2025 een verhoor gehouden bij de rechter-commissaris. Hier is schuldenaar niet verschenen. De bewindvoerder kan zowel telefonisch als per e-mail geen contact krijgen met schuldenaar. De bewindvoerder handhaaft zijn verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
Beschermingsbewindvoerder
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat zij geen contact krijgt met schuldenaar. Zij heeft diverse malen getracht met schuldenaar in contact te komen. Toen dit niet lukte is de wijkagent ingeschakeld en melding gemaakt bij de woningbouwvereniging. De woning van schuldenaar ziet er volgens de woningbouwvereniging bewoond uit. Bovendien pint schuldenaar wekelijks zijn leefgeld bij een pinautomaat.
Schuldenaar
Schuldenaar is hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder opgave van reden, niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na achttien maanden een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 256.014,79 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van één van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenaar is tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieplicht. Er ontbreken sollicitatiebewijzen over de periode februari 2024 tot en met heden. Schuldenaar is meerdere malen in de gelegenheid gesteld om sollicitatiebewijzen toe te sturen hetgeen hij niet heeft gedaan. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij mogelijk arbeidsongeschikt is, dan wel van zijn inspanningsverplichting is vrijgesteld door de uitkerende instantie. Schuldenaar heeft op geen enkele wijze gereageerd op de verzoeken van de bewindvoerder. Schuldenaar heeft geen saneringsgezinde houding.
Dat bovengenoemde tekortkoming schuldenaar niet te verwijten is, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenaar, in elk geval na de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris van 16 augustus 2024, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest.
De tekortkomingen rechtvaardigen in het licht van het voorgaande – nu schuldenaar heeft laten zien niet saneringsgezind te zijn – op dit moment tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Nu schuldenaar niet ter zitting is verschenen, heeft hij geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om feiten en omstandigheden aan te voeren die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet (hierna: Fw).
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.
Dictum
De rechtbank:
- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.989,05 (inclusief overnamevergoeding).
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.