Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-11
ECLI:NL:RBROT:2025:9309
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
11,018 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/691633 / FA RK 24-9547 en C/10/689996 / JE RK 24-2537
Datum uitspraak: 11 maart 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging en over een verlenging van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
ten aanzien van C/10/691633 / FA RK 24-9547 in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
ten aanzien van C/10/689996 / JE RK 24-2537 in de zaak van
de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 3] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4]
, geboren op [geboortedatum 4] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] ,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed, waarnemend voor mr. B.H. van der Zwan, kantoorhoudende te Rotterdam,
[de pleegouders 1] ,
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 3] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegouders 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 4] , wonende op een bij de rechtbank bekend
adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 17 januari 2025, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het bericht van de advocaat van de ouders, met bijlage, van 20 januari 2025;
het bericht met aanvullende stukken van de GI, van 28 januari 2025;
het bericht met producties van de advocaat van de ouders, van 6 februari 2025;
de schriftelijke onderbouwing van de GI, overgelegd ter zitting.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
De pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De rechtbank heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan leden van de Eigen Kracht Conferentie (hierna te noemen: EKC), [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] .
1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover, ieder afzonderlijk, een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven, ieder afzonderlijk, in een gezinshuis.
2.3.
[minderjarige 3] en [minderjarige 4] verblijven, ieder afzonderlijk, in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 januari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 1] verlengd tot 16 februari 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 januari 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 februari 2025.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 januari 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 16 februari 2025.
2.7.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 januari 2025 het verzoek van de GI voor het overige aangehouden en voor verdere behandeling verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer op 11 februari 2025.
2.8.
Bij beschikking van 11 februari 2025 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] verlengd tot 16 maart 2025 en van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid. Bij diezelfde beschikking heeft de rechtbank de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid en voor [minderjarige 2] tot 16 maart 2025. Ook heeft de rechtbank de machtiging verlengd [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 16 maart 2025. De beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden.
2.9.
De GI heeft zich bij brief van 23 augustus 2024 bereid verklaard om de voogdij over alle kinderen te aanvaarden.
3De (aangehouden) verzoeken
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/691633 / FA RK 24-9547
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/689996 / JE RK 24-2537
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen tot aan zijn
meerderjarigheid. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid. De Gl verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De Gl verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. Bij beschikking van 11 februari 2025 zijn de maatregelen van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] verlengd tot 16 maart 2025. De maatregelen ten aanzien van [minderjarige 1] zijn verlengd tot aan zijn meerderjarigheid, te weten [geboortedatum 1] 2025. Thans resteren de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] voor de duur van de periode tot 26 januari 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft zijn verzoek ter zitting en licht dit als volgt nog nader toe. Vooropgesteld wordt dat de ouders van de kinderen houden en andersom. De Raad ziet ook zonder meer dat de ouders aangeven dat zij het beste met de kinderen voor hebben. Toch verzoekt de Raad een gezagsbeëindiging van de ouders ten aanzien van alle kinderen.
De Raad heeft gezien dat de ouders graag zelf voor de kinderen willen zorgen en dat zij het onrechtvaardig vinden dat zij dit niet mogen doen. Het is immers hun ouderlijke taak.
De afgelopen jaren is echter op alle mogelijke manieren geprobeerd de ouders duidelijk te maken wat de kinderen nodig hebben qua opvoeding en zorg, wat zij hebben gemist in die opvoeding en dat -juist vanuit dat belang van alle vier de kinderen- van de ouders verwacht wordt dat zij zich anders opstellen. De kinderen hebben, ieder voor zich, meermaals en duidelijk, nare verhalen verteld over hun thuissituatie en het handelen van ouders. De ouders hebben helaas hierin niet kunnen of willen erkennen dat zij verantwoordelijk zijn voor hun opvoeding en de impact daarvan op ieder van de kinderen. De kinderen zijn, in verschillende frequentie en hevigheid, jarenlang getuige en slachtoffer geweest van verbale en fysieke mishandeling. Ook zijn de kinderen, zoals duidelijk is gebleken, veel te kort gekomen waar het gaat om gehechtheid en emotioneel welbevinden, hetgeen wel noodzakelijk is om adequaat te kunnen ontwikkelen. Het moment is gekomen, aldus de Raad, om de kinderen duidelijkheid te geven over hun toekomstperspectief. De prioriteit ligt bij de kinderen, hun belang is leidend en de Raad is van mening dat het belastend is voor de kinderen is om nog langer te worden geconfronteerd met telkens nieuwe zittingen over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en de daarbij behorende discussies over al dan niet teruggaan naar hun ouders. Mocht de rechtbank echter niet tot de conclusie komen dat de beëindiging van het gezag van de ouders de geëigende maatregel is, dan ondersteunt de Raad het verzoek van de GI.
4.2.
De GI licht haar standpunt ter zitting als volgt toe. Het is meer dan verdrietig en teleurstellend dat de slotsom van 2,5 jaar uitgebreide hulpverlening vanuit de GI is dat de Raad nu verzoekt om een gezagsbeëindiging. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad echter wel, vanwege het belang van de kinderen om duidelijkheid en rust te ervaren. Mocht de rechtbank het verzoek van de Raad niet toewijzen, dan blijft de GI bij haar verzoek.
De ouders geven aldus de GI aan dat zij geen eerlijk proces hebben gehad. De GI ziet echter dat de afgelopen jaren verschillende processen en rechten elkaar tegenwerkten. De focus van de ouders ligt voornamelijk op het juist lopen van processen en het stellen van verhelderingsvragen. Zij vroegen en vragen veel tijd, willen zich op alle vlakken bemoeien met alle (ook bijvoorbeeld kleine praktische) beslissingen, konden de samenwerking amper tot niet aangaan en weigerden (voortvarende) medewerking met de hulpverlening. Ouders blijven op hun standpunt staan dat alleen zij degenen zijn die bepalen wat er met de kinderen gebeurt. Het belang van de kinderen kwam hiermee volledig onder druk en ging verloren door de tijd die de ouders nodig hebben voor zichzelf.
De GI benadrukt dat sprake was van een onveilige thuissituatie van de kinderen. Deze onveiligheid bestond uit emotionele onveiligheid, waarbij de kinderen niet konden rekenen op sensitieve en responsieve ouders. Dit leidde regelmatig tot escalaties.
Beoordeling
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/691633 / FA RK 24-9547
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] worden reeds langdurig en ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Er bestaan forse zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Vanwege fysieke en emotionele onveiligheid in de thuissituatie bij de ouders zijn uiteindelijk alle kinderen uit huis geplaatst. Het gezin kent een lange hulpverleningsgeschiedenis en ook gedurende de uithuisplaatsing is veel hulp ingezet, om te onderzoeken of een terugplaatsing mogelijk zou zijn en wat daarvoor nodig is. De ingezette hulpverlening heeft echter nooit geleid tot voldoende verbetering in de opvoedingsomgeving bij de ouders. De ouders hebben veel kansen gekregen om te laten zien dat zij kunnen denken en handelen in het belang van de kinderen, maar geconcludeerd moet worden dat de ouders onvoldoende leerbaar zijn. De ouders blijken niet in staat om inzicht te tonen in hun eigen handelen en te erkennen welk aandeel zij hebben in de trauma’s van de kinderen. De ouders hebben de afgelopen jaren geen tot minimale groei laten zien in het ontwikkelen van zelfreflectie. Het lukt de ouders daardoor niet om voldoende aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Vanwege het gebrek van een hulpvraag vanuit de ouders is de stap tot een gezinsopname uiteindelijk niet meer gezet.
5.3.
Bovendien zijn de kinderen de afgelopen jaren belast door de strijd die de ouders voer(d)en met de hulpverlening. De kinderen zijn hierdoor in een loyaliteitsconflict beland. Het lukt de ouders nog steeds niet om op de juiste wijze uitvoering te geven aan hun gezag op afstand. Ondanks dat de kinderen niet meer thuis wonen, bleven en blijven de ouders proberen de regie te behouden en geven zij bijvoorbeeld geen belangrijke gegevens van de kinderen door aan de GI en weigeren zij de spullen van [minderjarige 1] zoals zijn technisch Lego (ondanks zijn herhaald en uitdrukkelijk verzoek hiertoe) aan hem te overhandigen. De ouders werken zaken die in het belang zijn van de kinderen tegen of zij vertragen deze. Praktische zaken worden op deze manier niet (tijdig) geregeld.
5.4.
Er is ten aanzien van alle kinderen een perspectiefbesluit genomen, de mogelijkheden om terug te werken naar een thuisplaatsing zijn uitgeput. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de kinderen om het gezag van de ouders te beëindigen zwaarder weegt dan het belang van de ouders om het gezag te behouden. Een gezagsbeëindigende maatregel is noodzakelijk om de kinderen de rust, stabiliteit en duidelijkheid te bieden die zij zo nodig hebben en verdienen. Het is noodzakelijk dat de kinderen de ruimte krijgen om zich positief te ontwikkelen en te leren zelfstandig keuzes te maken. De rechtbank gunt het de kinderen om hun verleden te mogen verwerken en dat zij erkend, bevestigd en gehoord worden in wat zij hebben meegemaakt in hun jonge leven. Alle kinderen verblijven op dit moment op een plek waar zij veiligheid en rust ervaren om verder te mogen opgroeien.
5.5.
De rechtbank benadrukt wel dat de omgang tussen de ouders en de kinderen losstaat van het al dan niet belast zijn met ouderlijk gezag. De ouders zullen immers altijd de ouders, vader en moeder, blijven van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en het is van belang dat de contactmomenten waar mogelijk worden voortgezet. [minderjarige 4] en [minderjarige 3] geven daarbij ook aan te genieten van het contact met de ouders. Het belang van de kinderen is, ook hierin, conform hetgeen is bepaald in artikel 3 van het (Internationale) Verdrag inzake de rechten van het kind, leidend.
5.6.
De rechtbank realiseert zich dat de beslissing met betrekking tot [minderjarige 1] , door het bereiken van zijn meerderjarigheid en daarmee de beëindiging van het gezag van de ouders op [geboortedatum 1] 2025, niet meer genomen kan worden. De rechtbank acht echter wel van belang dat ook voor [minderjarige 1] duidelijk is dat de motivering van de beslissing evenzeer op hem betrekking heeft.
5.7.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW voor beëindiging van het gezag van de ouders is voldaan. De rechtbank heeft daarbij een discretionaire bevoegdheid die tevens wordt ingekleurd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank is van oordeel dat beëindiging van het gezag een noodzakelijke en gerechtvaardigde inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de kinderen, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders ten aanzien van de minderjarige kinderen daarom toe.
5.8.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
5.9.
Gelet op het feit dat de kinderen op verschillende perspectiefbiedende locaties verblijven acht de rechtbank het van belang dat één en dezelfde neutrale partij wordt belast met de voogdij over alle kinderen. De GI is reeds langere tijd bekend met de kinderen en hun gezin en heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij.
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/689996 / JE RK 24-2537
5.11.
Nu het gezag van de ouders zal worden beëindigd, zal het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] worden afgewezen, voorzover daar nog niet op is beslist.
Dictum
De rechtbank:
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/691633 / FA RK 24-9547
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedatum 5] 1976 in [geboorteplaats 2] en [de moeder] , geboren op [geboortedatum 6] 1976 in [geboorteplaats 3] over de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, te weten: [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] ;
6.2.
benoemt tot voogd over genoemde minderjarigen, de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam;
6.3.
veroordeelt de ouders aan de voogd rekening en verantwoording af te leggen van het gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] ;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/689996 / JE RK 24-2537
6.6.
wijst de verzoeken van de GI voor het overige deel af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P.G. Rietbergen, mr. A.M.I. van der Does en mr. J.C.M. Persoon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/691633 / FA RK 24-9547 en C/10/689996 / JE RK 24-2537
Datum uitspraak: 11 maart 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een gezagsbeëindiging en over een verlenging van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
ten aanzien van C/10/691633 / FA RK 24-9547 in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
ten aanzien van C/10/689996 / JE RK 24-2537 in de zaak van
de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 3] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4]
, geboren op [geboortedatum 4] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] ,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed, waarnemend voor mr. B.H. van der Zwan, kantoorhoudende te Rotterdam,
[de pleegouders 1] ,
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 3] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de pleegouders 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 4] , wonende op een bij de rechtbank bekend
adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 17 januari 2025, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het bericht van de advocaat van de ouders, met bijlage, van 20 januari 2025;
het bericht met aanvullende stukken van de GI, van 28 januari 2025;
het bericht met producties van de advocaat van de ouders, van 6 februari 2025;
de schriftelijke onderbouwing van de GI, overgelegd ter zitting.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
De pleegouders van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De rechtbank heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan leden van de Eigen Kracht Conferentie (hierna te noemen: EKC), [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] .
1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover, ieder afzonderlijk, een gesprek gevoerd met de voorzitter. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven, ieder afzonderlijk, in een gezinshuis.
2.3.
[minderjarige 3] en [minderjarige 4] verblijven, ieder afzonderlijk, in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 januari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 1] verlengd tot 16 februari 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 januari 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 februari 2025.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 januari 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 16 februari 2025.
2.7.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 januari 2025 het verzoek van de GI voor het overige aangehouden en voor verdere behandeling verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer op 11 februari 2025.
2.8.
Bij beschikking van 11 februari 2025 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] verlengd tot 16 maart 2025 en van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid. Bij diezelfde beschikking heeft de rechtbank de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, voor [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid en voor [minderjarige 2] tot 16 maart 2025. Ook heeft de rechtbank de machtiging verlengd [minderjarige 3] en [minderjarige 4] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 16 maart 2025. De beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden.
2.9.
De GI heeft zich bij brief van 23 augustus 2024 bereid verklaard om de voogdij over alle kinderen te aanvaarden.
3De (aangehouden) verzoeken
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/691633 / FA RK 24-9547
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] en [minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/689996 / JE RK 24-2537
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen tot aan zijn
meerderjarigheid. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid. De Gl verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De Gl verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. Bij beschikking van 11 februari 2025 zijn de maatregelen van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] verlengd tot 16 maart 2025. De maatregelen ten aanzien van [minderjarige 1] zijn verlengd tot aan zijn meerderjarigheid, te weten [geboortedatum 1] 2025. Thans resteren de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] voor de duur van de periode tot 26 januari 2026.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft zijn verzoek ter zitting en licht dit als volgt nog nader toe. Vooropgesteld wordt dat de ouders van de kinderen houden en andersom. De Raad ziet ook zonder meer dat de ouders aangeven dat zij het beste met de kinderen voor hebben. Toch verzoekt de Raad een gezagsbeëindiging van de ouders ten aanzien van alle kinderen.
De Raad heeft gezien dat de ouders graag zelf voor de kinderen willen zorgen en dat zij het onrechtvaardig vinden dat zij dit niet mogen doen. Het is immers hun ouderlijke taak.
De afgelopen jaren is echter op alle mogelijke manieren geprobeerd de ouders duidelijk te maken wat de kinderen nodig hebben qua opvoeding en zorg, wat zij hebben gemist in die opvoeding en dat -juist vanuit dat belang van alle vier de kinderen- van de ouders verwacht wordt dat zij zich anders opstellen. De kinderen hebben, ieder voor zich, meermaals en duidelijk, nare verhalen verteld over hun thuissituatie en het handelen van ouders. De ouders hebben helaas hierin niet kunnen of willen erkennen dat zij verantwoordelijk zijn voor hun opvoeding en de impact daarvan op ieder van de kinderen. De kinderen zijn, in verschillende frequentie en hevigheid, jarenlang getuige en slachtoffer geweest van verbale en fysieke mishandeling. Ook zijn de kinderen, zoals duidelijk is gebleken, veel te kort gekomen waar het gaat om gehechtheid en emotioneel welbevinden, hetgeen wel noodzakelijk is om adequaat te kunnen ontwikkelen. Het moment is gekomen, aldus de Raad, om de kinderen duidelijkheid te geven over hun toekomstperspectief. De prioriteit ligt bij de kinderen, hun belang is leidend en de Raad is van mening dat het belastend is voor de kinderen is om nog langer te worden geconfronteerd met telkens nieuwe zittingen over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en de daarbij behorende discussies over al dan niet teruggaan naar hun ouders. Mocht de rechtbank echter niet tot de conclusie komen dat de beëindiging van het gezag van de ouders de geëigende maatregel is, dan ondersteunt de Raad het verzoek van de GI.
4.2.
De GI licht haar standpunt ter zitting als volgt toe. Het is meer dan verdrietig en teleurstellend dat de slotsom van 2,5 jaar uitgebreide hulpverlening vanuit de GI is dat de Raad nu verzoekt om een gezagsbeëindiging. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad echter wel, vanwege het belang van de kinderen om duidelijkheid en rust te ervaren. Mocht de rechtbank het verzoek van de Raad niet toewijzen, dan blijft de GI bij haar verzoek.
De ouders geven aldus de GI aan dat zij geen eerlijk proces hebben gehad. De GI ziet echter dat de afgelopen jaren verschillende processen en rechten elkaar tegenwerkten. De focus van de ouders ligt voornamelijk op het juist lopen van processen en het stellen van verhelderingsvragen. Zij vroegen en vragen veel tijd, willen zich op alle vlakken bemoeien met alle (ook bijvoorbeeld kleine praktische) beslissingen, konden de samenwerking amper tot niet aangaan en weigerden (voortvarende) medewerking met de hulpverlening. Ouders blijven op hun standpunt staan dat alleen zij degenen zijn die bepalen wat er met de kinderen gebeurt. Het belang van de kinderen kwam hiermee volledig onder druk en ging verloren door de tijd die de ouders nodig hebben voor zichzelf.
De GI benadrukt dat sprake was van een onveilige thuissituatie van de kinderen. Deze onveiligheid bestond uit emotionele onveiligheid, waarbij de kinderen niet konden rekenen op sensitieve en responsieve ouders. Dit leidde regelmatig tot escalaties.
Beoordeling
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/691633 / FA RK 24-9547
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] worden reeds langdurig en ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Er bestaan forse zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Vanwege fysieke en emotionele onveiligheid in de thuissituatie bij de ouders zijn uiteindelijk alle kinderen uit huis geplaatst. Het gezin kent een lange hulpverleningsgeschiedenis en ook gedurende de uithuisplaatsing is veel hulp ingezet, om te onderzoeken of een terugplaatsing mogelijk zou zijn en wat daarvoor nodig is. De ingezette hulpverlening heeft echter nooit geleid tot voldoende verbetering in de opvoedingsomgeving bij de ouders. De ouders hebben veel kansen gekregen om te laten zien dat zij kunnen denken en handelen in het belang van de kinderen, maar geconcludeerd moet worden dat de ouders onvoldoende leerbaar zijn. De ouders blijken niet in staat om inzicht te tonen in hun eigen handelen en te erkennen welk aandeel zij hebben in de trauma’s van de kinderen. De ouders hebben de afgelopen jaren geen tot minimale groei laten zien in het ontwikkelen van zelfreflectie. Het lukt de ouders daardoor niet om voldoende aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Vanwege het gebrek van een hulpvraag vanuit de ouders is de stap tot een gezinsopname uiteindelijk niet meer gezet.
5.3.
Bovendien zijn de kinderen de afgelopen jaren belast door de strijd die de ouders voer(d)en met de hulpverlening. De kinderen zijn hierdoor in een loyaliteitsconflict beland. Het lukt de ouders nog steeds niet om op de juiste wijze uitvoering te geven aan hun gezag op afstand. Ondanks dat de kinderen niet meer thuis wonen, bleven en blijven de ouders proberen de regie te behouden en geven zij bijvoorbeeld geen belangrijke gegevens van de kinderen door aan de GI en weigeren zij de spullen van [minderjarige 1] zoals zijn technisch Lego (ondanks zijn herhaald en uitdrukkelijk verzoek hiertoe) aan hem te overhandigen. De ouders werken zaken die in het belang zijn van de kinderen tegen of zij vertragen deze. Praktische zaken worden op deze manier niet (tijdig) geregeld.
5.4.
Er is ten aanzien van alle kinderen een perspectiefbesluit genomen, de mogelijkheden om terug te werken naar een thuisplaatsing zijn uitgeput. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de kinderen om het gezag van de ouders te beëindigen zwaarder weegt dan het belang van de ouders om het gezag te behouden. Een gezagsbeëindigende maatregel is noodzakelijk om de kinderen de rust, stabiliteit en duidelijkheid te bieden die zij zo nodig hebben en verdienen. Het is noodzakelijk dat de kinderen de ruimte krijgen om zich positief te ontwikkelen en te leren zelfstandig keuzes te maken. De rechtbank gunt het de kinderen om hun verleden te mogen verwerken en dat zij erkend, bevestigd en gehoord worden in wat zij hebben meegemaakt in hun jonge leven. Alle kinderen verblijven op dit moment op een plek waar zij veiligheid en rust ervaren om verder te mogen opgroeien.
5.5.
De rechtbank benadrukt wel dat de omgang tussen de ouders en de kinderen losstaat van het al dan niet belast zijn met ouderlijk gezag. De ouders zullen immers altijd de ouders, vader en moeder, blijven van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en het is van belang dat de contactmomenten waar mogelijk worden voortgezet. [minderjarige 4] en [minderjarige 3] geven daarbij ook aan te genieten van het contact met de ouders. Het belang van de kinderen is, ook hierin, conform hetgeen is bepaald in artikel 3 van het (Internationale) Verdrag inzake de rechten van het kind, leidend.
5.6.
De rechtbank realiseert zich dat de beslissing met betrekking tot [minderjarige 1] , door het bereiken van zijn meerderjarigheid en daarmee de beëindiging van het gezag van de ouders op [geboortedatum 1] 2025, niet meer genomen kan worden. De rechtbank acht echter wel van belang dat ook voor [minderjarige 1] duidelijk is dat de motivering van de beslissing evenzeer op hem betrekking heeft.
5.7.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW voor beëindiging van het gezag van de ouders is voldaan. De rechtbank heeft daarbij een discretionaire bevoegdheid die tevens wordt ingekleurd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank is van oordeel dat beëindiging van het gezag een noodzakelijke en gerechtvaardigde inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de kinderen, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De rechtbank wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders ten aanzien van de minderjarige kinderen daarom toe.
5.8.
Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
5.9.
Gelet op het feit dat de kinderen op verschillende perspectiefbiedende locaties verblijven acht de rechtbank het van belang dat één en dezelfde neutrale partij wordt belast met de voogdij over alle kinderen. De GI is reeds langere tijd bekend met de kinderen en hun gezin en heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij.
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/689996 / JE RK 24-2537
5.11.
Nu het gezag van de ouders zal worden beëindigd, zal het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] worden afgewezen, voorzover daar nog niet op is beslist.
Dictum
De rechtbank:
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/691633 / FA RK 24-9547
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedatum 5] 1976 in [geboorteplaats 2] en [de moeder] , geboren op [geboortedatum 6] 1976 in [geboorteplaats 3] over de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, te weten: [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] ;
6.2.
benoemt tot voogd over genoemde minderjarigen, de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam;
6.3.
veroordeelt de ouders aan de voogd rekening en verantwoording af te leggen van het gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 4] ;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
Met betrekking tot het verzoek met kenmerk C/10/689996 / JE RK 24-2537
6.6.
wijst de verzoeken van de GI voor het overige deel af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P.G. Rietbergen, mr. A.M.I. van der Does en mr. J.C.M. Persoon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.