Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-24
ECLI:NL:RBROT:2025:9305
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,745 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687244 / JE RK 24-2183
Datum uitspraak: 24 februari 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S. Broekzitter-Nieuwland, kantoorhoudende te Spijkenisse ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. Schuerman, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 december 2024, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025, ontvangen op 5 februari 2025;
de briefrapportage van de GI met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2025;
de brief en de e-mailberichten aan de rechtbank van de advocaat van de moeder met producties, ontvangen op 7 februari 2025;
het evaluatiezorgplan verstrekt door de GI, ontvangen op 10 februari 2025;
het hulpverleningsplan verstrekt door de GI, ontvangen op 10 februari 2025;
de pleitaantekeningen van de advocaat van de moeder, verstrekt ter zitting van 11 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 september 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 2024 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 februari 2025 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
3Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans resteert van het verzoek de periode tot 5 augustus 2025.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Afgelopen week heeft de moeder haar toestemming verleend voor een onderzoek van M4Care. Dit heeft lang op zich laten wachten, maar het onderzoek kan nu eindelijk van start gaan. M4Care gaat onderzoek doen naar de kindeigen problematiek van [minderjarige] . De moeder wil dat ook onderzocht wordt of bij [minderjarige] sprake is van trauma. Dat kan niet bij M4Care. Het KSCD kan wel onderzoek doen naar trauma bij [minderjarige] . Het KSCD kan daarnaast onderzoeken hoe de interactie tussen ouder en kind verloopt. Het KSCD kan diepgaander onderzoek doen dan M4Care, dat alleen de kindeigen problematiek kan onderzoeken. Het KSCD-onderzoek zou ook het deel dat M4Care onderzoekt kunnen omvatten. De vader heeft toestemming gegeven voor een KSCD-onderzoek, de moeder niet. De moeder geeft nu aan open te staan voor een gezinsopname. Eerder stond de moeder daar niet voor open. Het is van belang dat eerst onderzoek door M4Care en het KSCD plaatsvindt, zodat bij een eventuele gezinsopname de daaruit volgende adviezen kunnen worden meegenomen.
3.3.
[minderjarige] zit klem tussen haar ouders. De moeder geeft aan dat het pleeggezin waar [minderjarige] nu verblijft niet neutraal is. De GI heeft het idee dat [minderjarige] onbewust meekrijgt dat de moeder niet achter de plaatsing in het huidige pleeggezin staat. Dit is lastig voor [minderjarige] . De GI ziet dat [minderjarige] is geland in dit pleeggezin en het fijn vindt om naar school te gaan. [minderjarige] geeft ook aan graag naar haar vader of moeder te willen, maar zij lijkt wel tevreden met de plek waar zij nu zit. Het is belangrijk dat wordt gekeken wat [minderjarige] nodig heeft. Op dit moment dient zij tot rust te komen op een neutrale plek en vanuit daar dienen de onderzoeken plaats te vinden. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat zij nu naar de moeder terug gaat of anders naar een ander pleeggezin, zoals de moeder wenst. Dat zou dan een crisispleeggezin zijn of er moet een nieuw gezin gevonden worden dat genoeg draagkracht heeft voor de behoeften van [minderjarige] . De angst en verwachting bestaat dat [minderjarige] dan van plek naar plek zal gaan. De bezoeken met de vader worden op diens verzoek altijd begeleid door A&A. De bezoeken van de moeder zijn semi-begeleid. Er zijn duidelijke afspraken gemaakt over de contactmomenten die de ouders met [minderjarige] hebben, en die zijn voor beide ouders hetzelfde.
4De standpunten
4.1.
Namens en door de moeder is – zakelijk weergegeven–het volgende naar voren gebracht. Het primaire standpunt is dat het mondelinge verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Het verzoek is niet schriftelijk gedaan, ook niet na de zitting van 30 december 2024. Ook is niet voldaan aan de indieningstermijn van acht weken en de informatieplicht zoals gesteld is in het procesreglement van de rechtbank. Bovendien is de moeder van mening dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zeer in strijd is met de belangen van [minderjarige] . [minderjarige] zit in een pleeggezin dat niet loyaliteitsvrij is. Daarnaast heeft de vader meer toegang tot [minderjarige] dan de moeder. Het is belangrijk dat M4Care onderzoek doet naar de problematiek van [minderjarige] . De moeder is van mening dat M4Care ook onderzoek moet doen naar het stukje trauma bij [minderjarige] . Het zou te belastend voor [minderjarige] zijn als M4Care én het KSCD betrokken raken. Bovendien kan het onderzoek van M4Care vanuit de thuissituatie bij de moeder worden uitgevoerd. [minderjarige] zit klem en zij heeft behoefte aan duidelijkheid. De moeder staat open voor een gezinsopname. Daarnaast heeft zij familie en vrienden om zich heen die haar verder kunnen helpen zodra [minderjarige] thuis wordt geplaatst. Ook ontvangt de moeder ondersteuning vanuit Antes. [minderjarige] en de moeder hebben een hechte relatie en de moeder heeft er vertrouwen in dat zij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] weer op zich kan nemen. Indien de rechtbank zou beslissen dat de uithuisplaatsing voor langere tijd, in afwachting van de onderzoeken door M4Care en eventueel het KSCD, zou moeten worden verlengd, dan dient [minderjarige] alsnog neutraal en loyaliteitsvrij elders geplaatst te worden.
4.2.
Namens en door de vader is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De vader staat achter het verzoek van de GI. De vader is de strijd met de moeder beu. Hij heeft een nieuwe baan en sinds kort een eigen huis. De vader wil naar de toekomst kijken. [minderjarige] ontwikkelt zich positief in het huidige pleeggezin. [minderjarige] gaat met plezier naar school en er is geen sprake meer van verzuim. De vader gunt het [minderjarige] niet om weg te moeten uit het gezin en terug te gaan naar de moeder, waarbij zij ook weer van school zou moeten wisselen. [minderjarige] heeft op dit moment rust in het pleeggezin, van waaruit het best kan worden bezien wat zij nodig heeft in de toekomst. De vader vindt dan ook dat het onderzoek van het KSCD moet worden afgewacht. De GI kan op basis van de adviezen van het KSCD meer inzicht krijgen in wat er met [minderjarige] aan de hand is en wat er nodig is om de uithuisplaatsing te beëindigen. De vader betwist dat hij een andere positie heeft ten opzichte van het pleeggezin dan de moeder of dat hij [minderjarige] meer zou zien. De omgangsafspraken met [minderjarige] zijn door de GI gemaakt. De vader houdt zich aan deze afspraken.
Beoordeling
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat – anders dan de moeder aanvoert – het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg ontvankelijk is. De GI heeft ter zitting van 30 december 2024, in aanwezigheid van alle partijen, mondeling haar verzoek gewijzigd en verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor langere duur. Geen van de partijen heeft zich toen tegen deze wijziging verzet. Ter zitting is een deel van het (mondelinge) verzoek van de GI voor korte duur toegewezen teneinde behandeling van het resterende deel van het verzoek door de meervoudige kamer op 11 februari 2025 mogelijk te maken. De GI heeft het mondelinge verzoek nadien schriftelijk bevestigd in een briefrapportage ten behoeve van deze zitting. Ook bevinden alle volgens het procesreglement benodigde processtukken zich in het dossier. Nu het mondelinge verzoek is gedaan voor het einde van de toen geldende machtiging uithuisplaatsing is de deze indiening van het verzoek ter zitting geen reden voor niet-ontvankelijkheid.
5.2.
Op basis van de stukken en hetgeen is besproken op de zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige] verblijft sinds 9 oktober 2024 in een pleeggezin, nadat zij uit huis is geplaatst vanwege zorgen over bij haar geconstateerd letsel. De FARR-arts heeft geconcludeerd dat sprake is van toegebracht letsel. Onduidelijk is hoe en door wie dit zou zijn toegebracht. Daarnaast bestaan er zorgen over de draagkracht van de moeder ten opzichte van het mogelijk manipulatieve gedrag van [minderjarige] . Het is om deze reden van groot belang dat diagnostiek plaatsvindt bij [minderjarige] . Beide ouders hebben toestemming verleend voor onderzoek van M4Care naar de kindeigen problematiek van [minderjarige] . De rechtbank acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] dat grondig en deskundig onderzoek wordt gedaan door het KSCD naar de opvoedsituatie van [minderjarige] . Er dient zicht te komen op de behoeften van [minderjarige] en welke patronen tussen de ouders en [minderjarige] bestaan, om zo handvatten te geven aan de opvoeders om [minderjarige] te kunnen bieden wat zij nodig heeft in de toekomst. Het is belangrijk dat deze onderzoeken niet te lang op zich laten wachten, nu [minderjarige] laat merken behoefte te hebben aan duidelijkheid over haar perspectief. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeken vanuit een neutrale en stabiele plek voor [minderjarige] dienen plaats te vinden, om te voorkomen dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict terecht komt. De komende periode is het daarom nog van belang dat de plaatsing van [minderjarige] in dit pleeggezin wordt voortgezet. [minderjarige] ervaart rust in het pleeggezin en ontwikkelt zich hier positief. Zij gaat met plezier naar school en heeft goed contact met beide ouders. De komende periode dient de omgang van [minderjarige] met de ouders volgens de gemaakte afspraken met de GI voort te worden gezet. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de GI gemotiveerd heeft duidelijk gemaakt dat de vader en de moeder niet onevenredig verschillend contact met [minderjarige] hebben. Het is positief dat beide ouders tijdens de contactmomenten leuke activiteiten ondernemen met [minderjarige] . Het is in het belang van [minderjarige] dat dit zo blijft.
5.3.
De rechtbank verlengt, gelet op het voorgaande, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 5 augustus 2025.
5.4.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 5 augustus 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.I. van der Does, mr. M.P.G. Rietbergen en mr. J.C.M. Persoon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2025, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.