Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-03
ECLI:NL:RBROT:2025:9186
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,402 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
verzoek ontneming schone lei: niet-ontvankelijk
[insolventienummer]
uitspraakdatum: 3 februari 2025
Bij vonnis van deze rechtbank van 8 juli 2019 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenaar]
,
[adres]
[postcode] [plaats] ,
schuldenaar,
voormalig bewindvoerder: [persoon A] .
Procesverloop
Op 26 november 2024 is ter griffie een e-mailbericht ontvangen van mevrouw [persoon B] , de ex-echtgenote van schuldenaar, waarbij onder meer wordt verzocht de schone lei van de [schuldenaar] te ontnemen.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek tot ontneming van de schone lei van de [schuldenaar] bepaald op 27 januari 2025.
De waarnemer van de voormalig bewindvoerder, mr. [persoon C] , heeft bij e-mailberichten van 16 januari 2025 en 23 januari 2025 gereageerd op het verzoek van [persoon B] , waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld geen belanghebbende te zijn en geen aanleiding te zien om zich bij het verzoek van [persoon B] aan te sluiten. Bovendien dient het verzoek van [persoon B] niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat dit verzoek niet door een advocaat is ingediend.
Op de zitting van 27 januari 2025 is [persoon B] verschenen. De [schuldenaar] is niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Standpunt verzoekster
[persoon B] stelt dat de [schuldenaar] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling gefraudeerd heeft. De [schuldenaar] heeft in de jaren 2021 en 2022 geen boedelafdrachten gedaan waardoor er een boedelachterstand is ontstaan. Hij heeft het geld dat op de gezamenlijke beheerrekening bij de voormalig beschermingsbewindvoerder stond, zelf gehouden. Het zou om een bedrag van circa € 8.600,00 of circa € 13.000,00 gaan. Hiermee heeft de [schuldenaar] zijn schuldeisers benadeeld. De rechtbank zou dit kunnen verifiëren door inzage in de beheerrekening van de [schuldenaar] te verzoeken. Gelet hierop heeft de voormalig bewindvoerder dan ook om (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de [schuldenaar] verzocht. Daarnaast had het saldo dat op de gezamenlijke beheerrekening bij de beschermingsbewindvoerder stond na de echtscheiding verdeeld moeten worden. Dat is ook niet gebeurd.
Beoordeling
Artikel 358a, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat indien na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 350, derde lid, onder e, Fw, de rechter op verzoek van iedere belanghebbende kan bepalen dat artikel 358, eerste lid, Fw verder geen toepassing vindt. Een dergelijk verzoek moet op grond van artikel 361, eerste lid, Fw door een advocaat zijn ondertekend.
De rechtbank stelt vast dat het door [persoon B] ingediende verzoek tot ontneming van de schone lei van de [schuldenaar] niet door een advocaat is ondertekend. [persoon B] dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek.
Daarnaast is niet gebleken dat [persoon B] schuldeiser is van de [schuldenaar] , althans niet voor een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt. [persoon B] staat niet op de lijst van geverifieerde schuldeisers. De door haar gepretendeerde vordering – die niet vaststaat – zou (gelet op de stellingen van [persoon B] ) zijn ontstaan in de periode waarin de schuldsaneringsregeling reeds op de [schuldenaar] van toepassing was.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat [persoon B] niet als belanghebbende in de zin van artikel 358a, eerste lid, Fw kan worden aangemerkt. [persoon B] is daarom niet bevoegd om op grond van artikel 358a, eerste lid, Fw een verzoek tot ontneming van de schone lei van de [schuldenaar] te verzoeken. Ook om die reden moet [persoon B] in haar verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat (i) de stelling dat de [schuldenaar] in de jaren 2021 en 2022 niet heeft afgedragen binnen de schuldsaneringsregeling incorrect is, en (ii) op basis van de bij haar bekende gegevens niet kan worden vastgesteld dat er geld voor de schuldeisers is achtergehouden. Voor zover [persoon B] meent dat de beschermings-bewindvoerder fouten heeft gemaakt bij het beëindigen van het beschermingsbewind na de echtscheiding en de verdeling van het saldo op de beheerrekening, dient [persoon B] zich primair tot de beschermingsbewindvoerder te wenden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart [persoon B] niet-ontvankelijk in haar verzoek tot ontneming van de schone lei van de heer [schuldenaar] .
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.