Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-10
ECLI:NL:RBROT:2025:9169
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,562 tokens
Dictum
[veroordeelde]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] , [postcode] te [plaats] ,
raadsman mr. T. Sönmez, advocaat in Rotterdam.
Procesverloop
1.1.
Voorgaande veroordeling
Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2023 is de veroordeelde een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek opgelegd.
1.2.
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Op 28 juli 2024 is de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Hieraan zijn voor zover hier van belang de volgende voorwaarden verbonden:
algemene voorwaarden
de veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig strafbaar feit;
de veroordeelde zal ten behoeve van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 op de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
de veroordeelde zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
bijzondere voorwaarden
de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland op het [adres 2] te [plaats] , zolang en zo vaak als de reclassering dit noodzakelijk vindt;
de veroordeelde zal deelnemen aan een cognitieve vaardigheidstraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden en zal zich houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie aan hem worden gegeven door de instelling die de gedragsinterventie verzorgt;
de veroordeelde zal meewerken of zich actief inspannen voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding. Hij zal daarnaast openheid van zaken tonen ten aanzien van zijn financiële situatie en alle overige leefgebieden. Indien de reclassering het noodzakelijk acht dat de veroordeelde daarbij ondersteuning van derden krijgen, zal de veroordeelde daaraan medewerking verlenen.
De proeftijd vanaf de hierboven genoemde dag van voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 365 dagen.
1.3.
Vordering
Op 16 juni 2025 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 365 dagen.
Bij de vordering is het rapport van 28 mei 2025 van Reclassering Nederland (hierna ook: de reclassering) overgelegd. De reclassering adviseert de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verlengen met een jaar. Het is de veroordeelde tot op heden niet gelukt om een stabiele basis op te bouwen. Hij heeft geen structurele dagbesteding en kan niet langer bij zijn zus verblijven, waardoor hij momenteel wisselend verblijft bij vrienden en kennissen. De veroordeelde heeft aangegeven zijn leven op een positieve manier te willen veranderen. Tegelijkertijd constateert de reclassering dat hij niet altijd handelt in lijn met deze intentie. Een voortzetting van het toezicht is nodig om te kunnen blijven werken aan risicobeperking en het versterken van vaardigheden die nodig zijn om tot duurzame gedragsverandering te komen.
1.4.
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2025.
De officier van justitie, mr. L. Visser, en de veroordeelde en zijn raadsman zijn gehoord. Verder is de [deskundige] , werkzaam als reclasseringswerker bij Reclassering Nederland, gehoord.
De deskundige heeft ter terechtzitting het advies nader toegelicht:
De veroordeelde kon tijdens het schrijven van het advies niet meer bij zijn zus verblijven. Inmiddels kan dat wel weer. Hij is onlangs gestart met een baan, maar omdat hij in zijn proefperiode niet betaald kreeg vanwege zijn uitkering is hij weer gestopt. Nu probeert hij opnieuw te solliciteren. Het krijgen van een VOG is lastig, dus hij zoekt in een sector waar een VOG niet nodig is. Ik blijf bij mijn advies.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot verlenging van de proeftijd met 365 dagen en heeft daarbij het advies van de reclassering en hetgeen de veroordeelde op de zitting heeft verklaard in aanmerking genomen.
De veroordeelde en de raadsman hebben verzocht de vordering toe te wijzen. De veroordeelde is bereid mee te blijven werken aan de opgelegde voorwaarden om stabiliteit op meerdere leefgebieden te realiseren en te behouden. Een verlenging van de proeftijd is daarbij nodig.
2Boordeling
De rechtbank is – mede gelet op het advies van de reclassering en de daarop ter zitting gegeven toelichting – van oordeel dat het noodzakelijk en proportioneel is de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verlengen met 365 dagen. Toezicht is op dit moment nodig om risico’s te beperken en om huisvesting en een structurele, betaalde dagbesteding te vinden. Ook is er sprake van schuldenproblematiek, waarbij verdere begeleiding geboden kan worden. De verlenging van de proeftijd is nodig zodat de veroordeelde stabiliteit op meerdere leefgebieden kan bereiken en kan behouden.
Dictum
De rechtbank wijst de vordering toe en verlengt de proeftijd met 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,
en mrs. H.J. de Kraker en A.B. Baumgarten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.