Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-15
ECLI:NL:RBROT:2025:9040
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,968 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4606
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: G. Heres Hoogerkamp),
en
Nationale Ombudsman, (de ombudsman), verweerder
(gemachtigden: mr. L. L. Scheppink en mr. S. Karroumi).
Procesverloop
1.1.
Bij het primaire besluit van 17 mei 2023 heeft de ombudsman het Woo verzoek van eiseres van 3 mei 2023 buiten behandeling gesteld wegens misbruik van de Woo.
1.2.
De ombudsman heeft het bezwaar van eiseres bij het bestreden besluit van 22 juni 2023 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat ook met het indienen van bezwaar sprake is van misbruik van recht.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld.
1.4.
Op 1 augustus 2023 heeft de ombudsman het primaire besluit ingetrokken. Op 21 augustus heeft de ombudsman ook het bestreden besluit ingetrokken.
1.5.
Bij besluit van 4 september 2023 heeft de ombudsman gehoor gegeven aan het bezwaar van eiseres en alsnog inhoudelijk op het Woo verzoek van 3 mei 2023 beslist door vast te stellen dat er geen documenten zijn aangetroffen die vallen binnen de reikwijdte van het verzoek van eiseres.
1.6
Op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres mede betrekking op dit besluit.
1.7.
De ombudsman heeft een verweerschrift ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres (via een beeldverbinding) en de gemachtigden van de ombudsman.
Standpunten van partijen
2. Namens eiseres heeft haar gemachtigde op 3 mei 2023 een verzoek op grond van de Woo ingediend bij de ombudsman. Eiseres heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten waaruit blijkt dat er op enig moment sinds de ombudsman met cliënt in contact is gekomen (1) contactafspraken met en/of over cliënt zijn gemaakt, (2) in
enigerlei gegevensverzameling en/of op enigerlei lijst persoonsgegevens van cliënt in
verband zijn gebracht met op cliënt betrekking hebbende contactafspraken en/of aan
cliënt toegeschreven gedragingen, (3) een of meerdere medewerkers van de
organisatie cliënt als lastige klager hebben beschouwd dan wel - direct of indirect -
hebben beticht van lastig, complex, aanhoudend en/of grensoverschrijdend
klaaggedrag. Daarnaast wordt verzocht om een kopie van alle documenten waaruit blijkt dat een of meerdere medewerkers van de ombudsman de hiervoor genoemde informatie op enig moment in- en/of extern met anderen hebben gedeeld.
3. De ombudsman stelt zich op het standpunt dat er geen documenten zijn die onder de reikwijdte van het verzoek vallen.
4. Eiseres betwist dat de ombudsman niet de beschikking heeft over documenten die onder de reikwijdte van haar Woo verzoek vallen. Eiseres verwijst naar een overzicht van contactafspraken met bijbehorend e-mailbericht van 2 augustus 2022. Bovendien is het onduidelijke welke zoekslag de ombudsman heeft verricht.
Beoordeling
5. Het beroep tegen het besluit van 22 juni 2023 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het nieuwe besluit van 4 september 2023. Nu het besluit van 4 september 2023 in de plaats is gekomen van het besluit van 22 juni 2023, heeft eiseres geen procesbelang meer bij een beoordeling van dat laatste besluit. Daarom is het beroep van eiseres in zoverre niet-ontvankelijk.
6. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de beslissing van de ombudsman op het Woo-verzoek van eiseres zoals die is gaan luiden bij het besluit van 4 september 2023.
6.1
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3088).
6.2.
In het verweerschrift van 15 januari 2024 heeft de ombudsman aangegeven de klachtdossiers van eiseres te hebben doorzocht en ook binnen de documenten van de adviseurs op het gebied van aanhoudend klaaggedrag te hebben gezocht naar documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek van eiseres vallen. Hiermee zijn geen documenten aangetroffen. Naar oordeel van de rechtbank heeft de ombudsman met deze nadere motivering de gemaakte zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt.
6.3.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennisgenomen van de door de ombudsman overgelegde vertrouwelijke lijst ‘contactafspraken’ waar eiseres naar verwezen heeft. De naam van eiseres komt op deze lijst niet voor. Dat de ombudsman verder over andere documenten die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek van eiseres vallen is ook niet aannemelijk gemaakt.
Conclusie
7. Omdat de ombudsman pas tijdens deze beroepsprocedure duidelijk heeft gemaakt waar naar onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallende documenten is gezocht, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt, ten aanzien van de zoekslag, vernietigd. Gelet op wat hiervoor door de rechtbank is overwogen bestaat er aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
8. De ombudsman moet het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten heeft eiseres ingetrokken.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 22 juni 2023, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 september 2023, gegrond;
vernietigt het besluit van 4 september 2023 voor zover de zoekslag niet duidelijk gemotiveerd is;
bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 4 september 2023 in stand blijven;
bepaald dat de ombudsman het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2025.
griffier
de rechter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.