Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-16
ECLI:NL:RBROT:2025:9033
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,327 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 16 juli 2025
[verzoeker]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 25 maart 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 9 juli 2025 zijn verschenen:
de heer [verzoeker] , verzoeker;
mevrouw [persoon A] , schuldhulpverlener;
mevrouw [persoon B] , begeleider van het wijkteam.
De uitspraak is bepaald op heden.
Feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een PW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 39.400,66.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoeker op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij niet in staat zou zijn om deze te betalen. Verzoeker heeft een moeilijke periode gehad. Hierdoor ging verzoeker geld uitgeven aan spullen die hij niet kon betalen. Verzoeker heeft hierover ter zitting verklaard dat dit uit emotionele noodzaak was, om zo een gelukkig gevoel te ervaren. Verzoeker kwalificeert het als een koopverslaving. Verzoeker erkent dat hij foute keuzes heeft gemaakt. Deze schulden, en de schulden die hierdoor onbetaald zijn gebleven, zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan aan toelating in de weg.
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoeker heeft op dit moment een PW-uitkering. Onbekend is of verzoeker ontheven is van zijn sollicitatieverplichting. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een medische belemmering heeft, maar hiervoor is geen diagnose gesteld. Hierdoor is voor de rechtbank onvoldoende gebleken dat verzoeker de inspanningsverplichting naar behoren zal nakomen. Ook heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij het maken van nieuwe schulden onder controle heeft, althans dat hij hiermee op de goede weg is. Verzoeker heeft ook verklaard dat hij er nog niet helemaal is. Voor de rechtbank is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat verzoeker de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan zal nakomen.
Feiten
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat het verzoeker vrij staat een minnelijk voorstel aan zijn schuldeisers te doen. Ook staat het verzoeker vrij om over enige tijd, en na het doen van een minnelijk voorstal aan zijn schuldeisers, opnieuw een verzoek te doen tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarvoor is noodzakelijk dat verzoeker aantoont dat hij de verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling zal nakomen en geen schulden meer maakt die duiden op overbesteding.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.