Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-07-17
ECLI:NL:RBROT:2025:8995
Civiel recht
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11601180 VV EXPL 25-161 datum uitspraak: 17 juli 2025 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] , woonplaats: [plaats 1] , gemachtigde: mr. C. Buitelaar, eiseres, tegen 1de vennootschap naar [buitenlands] recht [gedaagde 1] , vestigingsplaats: [plaats 2] , [land] , gemachtigde: mr. M. Kocuroğlu, 2. [gedaagde 2] B.V. vestigingsplaats: [plaats 3] , die niet is verschenen, gedaagden. De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd. 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaardingen van 1 en 11 april 2025, met bijlagen; de akte van [gedaagde 1] van 25 juni 2025, met bijlagen; de brieven van de gemachtigde van [eiseres] van 25 juni en 7 juli 2025, met bijlagen. 1.2. Op 10 juli 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. [eiseres] was daarbij aanwezig, met haar echtgenoot en haar gemachtigde. Ook de gemachtigde van [gedaagde 1] is verschenen. Namens [gedaagde 2] was niemand aanwezig. Tegen haar is verstek verleend. Waar gaat het om? 2.1. [eiseres] is sinds 2005 schoonmaakster in het hotel van [gedaagde 2] in [plaats 1] . Zij werkte hier tot 1 december 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] . Per 1 december 2024 heeft [gedaagde 2] een schoonmaakovereenkomst gesloten met [gedaagde 1] . [gedaagde 1] heeft op haar beurt aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) de opdracht gegeven om deze schoonmaakwerkzaamheden uit te voeren. [bedrijf 2] is vervolgens een arbeidsovereenkomst aangegaan met [eiseres] . 2.2. Volgens [eiseres] betaalt [bedrijf 2] haar salaris maar voor een deel. [eiseres] stelt dat [gedaagde 1] ook aansprakelijk is voor het betalen van haar salaris, omdat zij als werkgever moet worden aangemerkt of omdat zij onrechtmatig handelt. Zij eist dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om dat salaris te betalen vanaf 1 januari 2025, met wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, en om loonstroken af te geven. Zij wil ook dat de kantonrechter [gedaagde 1] verbiedt om andere schoonmakers haar werk te laten verrichten, totdat het salaris is betaald. Zij eist ten slotte dat de kantonrechter [gedaagde 2] gebiedt om haar betalingen aan [gedaagde 1] op basis van de schoonmaakovereenkomst op te schorten, totdat de salarisachterstand is betaald. 2.3. [gedaagde 1] is het niet eens met de eis. Zij stelt dat zij niet de werkgever is en dat zij daarom het loon niet hoeft te betalen. 2.4. De rechter veroordeelt [gedaagde 1] om het salaris van [eiseres] te betalen vanaf 1 januari 2025. De andere eisen wijst ze af. In dit vonnis legt ze dit uit. [bedrijf 2] is geen partij meer bij deze zaak 2.5. In eerste instantie eiste [eiseres] dat [bedrijf 2] ook werd veroordeeld om haar salaris te betalen. De dagvaarding kon echter niet betekend worden, omdat het adres van [bedrijf 2] niet bleek te kloppen. Tijdens de zitting heeft [eiseres] toen haar eis tegen [bedrijf 2] ingetrokken. [bedrijf 2] is daarom niet meer genoemd als partij in deze zaak. De kantonrechter rechter is bevoegd om deze zaak te beoordelen 2.6. Dit is een internationale zaak, omdat [gedaagde 1] in [land] is gevestigd en [eiseres] in Nederland woont en werkt. Daarom moet de rechter beoordelen of zij bevoegd is deze zaak te behandelen. Zij oordeelt dat dit het geval is. [gedaagde 1] is namelijk verschenen en heeft de bevoegdheid van de kantonrechter niet betwist (artikel 26 lid 1 EEX-Vo). [gedaagde 1] is geen werkgever van [eiseres] 2.7. Volgens [eiseres] moet [gedaagde 1] naast [bedrijf 2] worden aangemerkt als werkgever. Deze stelling moet worden beoordeeld op basis van Nederlands recht, omdat [eiseres] in Nederland werkt (artikel 8 Rome I-vo). [gedaagde 1] betwist dat zij werkgever is. Zij stelt dat ze geen overeenkomst heeft gesloten met [eiseres] , dat ze geen loon betaalt en geen gezag uitoefent (artikel 7:610 BW). [eiseres] heeft vervolgens haar stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst niet verder onderbouwd. De kantonrechter oordeelt daarom dat onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 1] . [gedaagde 1] handelt niet onrechtmatig 2.8. [eiseres] heeft ook nog gesteld dat [gedaagde 1] onrechtmatig handelt ten opzichte van haar, omdat [gedaagde 1] erop moet toezien dat haar opdrachtnemer het loon van haar werknemers betaalt. [eiseres] verwijst daarvoor naar de ‘Code verantwoordelijk marktgedrag in de schoonmaak- en glazenwassersbranche’. Ook deze stelling moet worden beoordeeld op basis van Nederlands recht, omdat het gaat om schoonmaakwerkzaamheden en salarisbetaling in Nederland (artikel 4 Rome II-vo). [gedaagde 1] betwist dat zij onrechtmatig handelt. Volgens haar is de Code niet bindend. Dat is de rechter met [gedaagde 1] eens. Zelfs als die Code wel bindend zou zijn dan leidt dat nog niet tot de conclusie dat [gedaagde 1] onrechtmatig handelt. De verplichtingen uit die code gaan namelijk niet zover dat [gedaagde 1] erop moet toezien dat [bedrijf 2] het afgesproken salaris daadwerkelijk betaalt. Een beroep op vereenzelviging gaat niet op 2.9. [eiseres] stelt verder dat [gedaagde 1] en [bedrijf 2] zo nauw samenwerken dat ze allebei verantwoordelijk zijn voor het betalen van salaris. [eiseres] heeft niet duidelijk gemaakt wat ze hier juridisch gezien mee bedoelt. Ze lijkt daarmee een beroep te doen op vereenzelviging . [gedaagde 1] heeft echter aangevoerd dat er ondernemingsrechtelijk geen banden tussen haar en [bedrijf 2] bestaan. Dat heeft [eiseres] vervolgens niet verder weersproken. Daarom kan van vereenzelviging van [gedaagde 1] met [bedrijf 2] geen sprake zijn. [gedaagde 1] moet het loon betalen op basis van ketenaansprakelijkheid 2.10. De kantonrechter concludeert dat de juridische argumenten die de gemachtigde van [eiseres] heeft aangevoerd voor de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] allemaal niet opgaan. Tijdens de zitting heeft de rechter de gronden aangevuld (artikel 25 Rv). Zij heeft de vraag opgeworpen of [gedaagde 1] wellicht aansprakelijk is op basis van ketenaansprakelijkheid. Het werk dat [eiseres] doet op basis van haar arbeidsovereenkomst met [bedrijf 2] , doet ze in het kader van het uitvoeren van een overeenkomst van opdracht die [bedrijf 2] met [gedaagde 1] heeft. In de wet staat dat in dat geval [gedaagde 1] als opdrachtgever van de werkgever hoofdelijk aansprakelijk is voor het betalen van het loon van de werknemer (artikel 7:616a BW). Deze ketenaansprakelijkheid geldt ongeacht welk recht van toepassing is (artikel 7:616c BW). 2.11. [gedaagde 1] heeft niet betwist dat aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. Zij heeft alleen aangevoerd dat het haar niet kan worden verweten dat [bedrijf 2] het loon niet heeft betaald (artikel 7:616a lid 2 BW). Dat betoog gaat niet op. Het is namelijk gebleken dat [bedrijf 2] niet eens een loonheffingennummer heeft in Nederland. Kennelijk is [gedaagde 1] niet nagegaan of [bedrijf 2] wel als werkgever kan optreden in Nederland. In die omstandigheden is onaannemelijk dat [gedaagde 1] geen verwijt kan worden gemaakt. De kantonrechter oordeelt daarom voorlopig dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor het betalen van loon. [gedaagde 1] wordt veroordeeld om het loon te betalen 2.12. Er is geen discussie over dat [eiseres] recht heeft op een salaris van € 2.163,19 bruto per maand. [gedaagde 1] wordt veroordeeld om dat loon te betalen. In eerste instantie eiste [eiseres] dit vanaf 1 december 2024. Tijdens de zitting heeft zij dit veranderd naar 1 januari 2025, omdat zij in december 2024 nog loon heeft gekregen van haar vorige werkgever [bedrijf 1] . [eiseres] heeft gesteld dat zij na 1 januari 2025 maar twee bedragen heeft gehad, van € 2.989,86 en € 249,60. [gedaagde 1] heeft in eerste instantie gesteld dat [bedrijf 2] ook nog twee keer € 1.494,93 heeft betaald. [eiseres] heeft dat betwist en bankafschriften laten zien. Vervolgens heeft [gedaagde 1] dit verweer losgelaten. [gedaagde 1] wordt daarom veroordeeld om vanaf 1 januari 2025 tot het einde van het dienstverband € 2.163,19 bruto per maand te betalen, met aftrek van € 3.239,46 netto. 2.13. [eiseres] heeft ook onbetwist gesteld dat ze recht heeft op 8% vakantietoeslag en 5% eindejaarsuitkering. Uit de arbeidsovereenkomst en cao volgt dat die bedragen in mei en december moeten worden betaald. [gedaagde 1] wordt veroordeeld om ook dit loon te betalen vanaf het moment dat dit verschuldigd is. [gedaagde 1] hoeft geen loonstroken te verstrekken 2.14. [gedaagde 1] hoeft geen loonstroken te verstrekken. Die verplichting rust alleen op de werkgever (artikel 7:626 BW). Die eis van [eiseres] wordt dus afgewezen. De kantonrechter begrijpt dat de geëiste dwangsom aan deze eis is gekoppeld. Die dwangsom wordt dus ook afgewezen. [gedaagde 1] hoeft geen wettelijke verhoging te betalen 2.15. [gedaagde 1] is op basis van de ketenaansprakelijkheid alleen verplicht om loon te betalen. Wettelijke verhoging is geen loon. Dat hoeft [gedaagde 1] daarom niet te betalen. Ook deze eis van [eiseres] wordt dus afgewezen. [gedaagde 1] moet rente betalen over het loon van januari 2.16. [eiseres] eist de wettelijke rente over het loon vanaf de opeisbaarheid. Wettelijke rente is echter pas verschuldigd vanaf de dag van verzuim (artikel 6:119 BW). De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] op 14 februari 2025 in verzuim is geraakt voor het loon van januari 2025. De gemachtigde van [eiseres] heeft namelijk op 10 februari 2025 een aanmaning gestuurd naar [gedaagde 1] . Daarin heeft hij de gelegenheid gegeven om het loon van januari binnen 3 dagen te betalen. Dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan. De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] vanaf 1 januari 2025 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [bedrijf 2] rechtsgeldig is geëindigd te betalen: € 2.163,19 bruto per maand, met eenmalig een aftrek van € 3.239,46 netto; per mei van ieder jaar vakantietoeslag van 8%; per december van ieder jaar eindejaarsuitkering van 5%; de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.163,19 bruto vanaf 14 februari tot en met 14 mei 2025 en over het restant van de achterstand vanaf 31 juli 2025 tot de dag dat volledig is betaald; dit alles met de bepaling dat wanneer [bedrijf 2] één van deze bedragen (deels) betaalt [gedaagde 1] dat niet meer hoeft te betalen; 3.2. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.079,47; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken. 33394 Hoge Raad 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480, 3.5 (Rainbow) Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, 4.5.3