Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-04
ECLI:NL:RBROT:2025:8953
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,066 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-257030-24
Datum uitspraak: 4 maart 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] [plaats] ,
raadsman mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. T.J. Kodrzycki heeft gevorderd:
vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (poging tot doodslag);
bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 2 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, aangevuld met een klinische opname als start van de behandeling;
oplegging van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel;
dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering.
4Waardering van het bewijs
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte in de periode van 29 januari 2024 tot en met 30 januari 2024 meerdere keren fors geweld tegen haar heeft gebruikt en dat hij haar wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. De verdachte heeft dit ontkend. Hij heeft verklaard dat er weliswaar een conflict - met fysiek contact - tussen hen is geweest, maar zeker niet de gewelddadigheden en wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals de aangeefster die heeft beschreven.
Zaken van huiselijk geweld kenmerken zich vaak door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de vermeende handelingen: de aangever of aangeefster en de veronderstelde dader. Vaak zijn er geen getuigen bij aanwezig geweest. Indien een verdachte de gestelde handelingen of omstandigheden waaronder deze zouden hebben plaatsgevonden, ontkent, zoals in deze zaak, leidt dat er in veel gevallen toe dat alleen de verklaringen van de aangever of aangeefster als wettig bewijs beschikbaar zijn. Er is wettelijk bepaald dat het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet alléén kan worden gebaseerd op de verklaring van één getuige, zoals de verklaring(en) van de aangeefster in deze zaak (artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering). Daarom kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen als de door een getuige of aangeefster genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en er onvoldoende steun is in bewijsmateriaal uit een andere bron. Dit is het zogeheten bewijsminimum. Het hangt van de vastgestelde feiten en omstandigheden van het concrete geval af of er sprake is van voldoende steunbewijs.
Uit het dossier in deze zaak en het onderzoek op de zitting zijn onvoldoende aanknopingspunten uit een andere bron dan de verklaringen van aangeefster naar voren gekomen die kunnen bijdragen aan het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar het letsel van de aangeefster. De uitkomst van dat onderzoek, zijnde dat sprake is van kneuzingen en bloeduitstortingen, en niet van fracturen of bloedingen, past niet bij de gewelddadige handelingen en de intensiteit van het geweld zoals de aangeefster dat in haar verklaringen heeft beschreven. Hierdoor zijn de verklaringen van de aangeefster op zichzelf blijven staan en kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zou hebben gepoogd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook ten aanzien van feit 2, de wederrechtelijke vrijheidsberoving, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, nu de verklaring van aangeefster onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat aan de polsen van aangeefster enig letsel is geconstateerd, vormt onvoldoende steun voor haar verklaring dat zij wederrechtelijk van haar vrijheid is beroofd. Gelet hierop zal de verdachte worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.
5Voorlopige hechtenis
Bij een eerdere beslissing heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
6Vordering benadeelde partij
De [benadeelde partij] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet wordt toegepast.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
7Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. A. Hello en A.L. Pöll, rechters,
in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de pleegperiode van 29 januari 2024 tot en met 30 januari 2024 te
[plaats] ,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[benadeelde partij]
opzettelijk
van het leven te beroven, in elk geval zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [benadeelde partij]
- ( meermalen) heeft gewurgd, in elk geval (met kracht) de keel heeft dicht gedrukt
en/of geknepen,
- ( meermalen) tegen het lichaam heeft geschopt en/of gestompt en/of getrapt en/of
geduwd,
- ( meermalen) op/tegen de grond heeft geduwd en/of gegooid en/of (vervolgens)
over de grond heeft gesleept,
- de polsen aan elkaar heeft gebonden,
- ( meermalen) een of meerdere sokken in de mond heeft gestopt,
- ( meermalen) met kledingstukken en/of een sportelastiek heeft omwikkeld,
- ( meermalen) heeft "gewaterboard", door water op/over haar gezicht te gooien,
en/of
- heeft gedwongen om pillen tot zich te nemen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij in of omstreeks de pleegperiode van 29 januari 2024 tot en met 30 januari 2024 te
[plaats] ,
opzettelijk
[benadeelde partij]
wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
door die [benadeelde partij]
- zijn woning in te trekken en/of mee te nemen naar een kamer,
- ( vervolgens) aan haar polsen vast te binden en/of een of meerdere sokken in haar
mond te stoppen,
- met kledingstukken en/of een sportelastiek te omwikkelen, en/of
- met haar rug op de grond te leggen.