Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-23
ECLI:NL:RBROT:2025:8942
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
7,156 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/691890 / FA RK 24-9690
Datum uitspraak: 23 april 2025
Beschikking over beëindiging van het ouderlijk gezag
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.E. Toxopeus, kantoorhoudende te Rotterdam.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
[naam oma moederszijde]
,
de oma moederszijde, hierna te noemen: de oma, wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 31 december 2024;
- de door de Raad nagezonden bereidverklaring aanvaarding voogdij van 16 april 2025, bij de griffie ingekomen op 22 april 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] ;
- de oma.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist
is opgeroepen.
1.4.
De rechtbank heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de oma.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 augustus 2024 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 12 augustus 2025. Tevens heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij oma, tot 12 augustus 2025.
2.4.
De oma heeft zich bij brief van 16 april 2025 bereid verklaard om de voogdij over de kinderen te aanvaarden.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de oma tot voogdes over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad verwijst naar het verzoekschrift. Er zijn zorgen over de moeder. De moeder is niet goed aanspreekbaar en steeds maar korte periodes in contact met de hulpverlening. Het perspectief van de kinderen is verzekerd bij de oma en zij is al langere tijd de hoofdopvoeder van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Het is goed om te horen dat oma nog wel contact heeft met de moeder en dat de deur van oma altijd voor de moeder openstaat. De afgelopen jaren is er helaas geen verandering gekomen in de situatie en daarom is een beëindiging van het gezag passend. De Raad adviseert de voogdij bij de oma te leggen. Er is veel liefde tussen oma en de kinderen en daarnaast heeft de oma de afgelopen jaren laten zien dat zij in staat is de zorg voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te dragen. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de oma lopen nog tot 12 augustus 2025. Hierdoor kan de GI zorgdragen voor een warme overdracht met pleegzorg naar het vrijwillig kader.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De aanvraag voor het onderzoek naar gezagsbeëindiging is in juli 2024 gedaan. Destijds had de GI voor ogen dat zij de voogdij zou krijgen. De jeugdbeschermer is echter sinds november 2024 betrokken en ziet dat er veel liefde is tussen de oma en de kinderen. Zij ziet ook dat de kinderen het erg fijn hebben bij oma. Zodoende kan de GI zich aansluiten bij het standpunt van de Raad, en dient de voogdij ook wat betreft de GI naar de oma te gaan.
4.2.
De advocaat van de moeder brengt naar voren dat hij de moeder verschillende mails en berichtjes gestuurd heeft en haar ook via diverse telefoonnummers geprobeerd heeft te bereiken, maar dat het helaas niet is gelukt om met haar in contact te komen. Om deze reden kan de advocaat namens de moeder geen standpunt innemen.
4.3.
De oma heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder wist dat de zitting vandaag was, maar wil geen contact. De kinderen missen de moeder erg en maken zich zorgen om haar. [voornaam minderjarige 2] heeft veel verdriet van de situatie, maar [voornaam minderjarige 1] heeft zich er inmiddels bij neergelegd. De oma heeft er de afgelopen jaren alles aan gedaan om het contact tussen de moeder en de kinderen te herstellen. De verslavingsproblematiek van de moeder staat echter nog steeds op de voorgrond, waardoor de moeder oma niet toelaat. Desondanks zal de deur van oma altijd voor de moeder open blijven staan. Er is een sterke band tussen de kinderen en de rest van de familie. Zij zien hun ooms en tantes (mz) regelmatig, en de oma is voornemens om op korte termijn vast te leggen wie er, in geval van ziekte of overlijden, voor de kinderen zal zorgen. De oma houdt veel van de kinderen en wil het beste voor hen. Zij vindt het een groot compliment dat de Raad en de GI haar een passende voogdes vinden.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
De Raad heeft het onder b. genoemde niet aan zijn verzoek ten grondslag gelegd, zodat deze grond niet besproken behoeft te worden.
5.3.
Een beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als van de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is de maatstaf van artikel 8 EVRM voor gezagsbeëindiging anders dan die van artikel 1:266 BW. Uit artikel 8 EVRM volgt ook het vereiste dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel (het subsidiariteitsbeginsel). Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (het proportionaliteitsbeginsel). De inbreuk op het gezinsleven moet noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de moeder, ondanks meerdere pogingen vanuit de GI en de oma, helaas niet of nauwelijks nog betrokken is bij (de opvoeding van) [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De kinderen staan inmiddels al jaren onder toezicht en hebben meerdere woon- en verblijfplaatsen gehad. De moeder heeft gedurende de verschillende kinderbeschermingsmaatregelen onvoldoende vooruitgang laten zien om de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] weer op zich te kunnen nemen. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven sinds 2024 bij de oma en hebben daarvoor in twee verschillende pleeggezinnen verbleven. Zij hechten zich aan de oma en ontwikkelen zich goed bij haar. De oma zorgt ervoor dat de kinderen contact kunnen onderhouden met hun familieleden.
5.5.
De aanvaardbare termijn voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] om in onzekerheid te verkeren over hun perspectief is verstreken; zij hebben behoefte aan, en recht op, duidelijkheid over hun perspectief. Het is van belang dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de oma kunnen blijven en dat zij daar verder kunnen opgroeien. Nu er niet meer gewerkt wordt aan een thuisplaatsing bij de moeder, is een gezagsbeëindiging de meest passende maatregel. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.
5.6.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voldaan is aan de vereisten van artikel 8 EVRM. De rechtbank heeft daarnaast bij deze beslissing rekening gehouden met artikel 3, eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin is bepaald - samengevat - dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
5.7.
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De voorgestelde voogdes heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de oma de meest aangewezen persoon is om te worden belast met de voogdij. Zij zorgt al lange tijd goed voor de kinderen en kan vorm geven aan het contact tussen de kinderen en hun moeder. Zij is al geruime tijd de hoofopvoeder van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en zij hebben een liefdevolle en hechte band met elkaar.
5.8.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 van het BW worden de ouders van wie het gezag is beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan hun opvolger in dit bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van de minderjarigen.
5.9.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1980 in [geboorteplaats 2] , over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ;
6.2.
benoemt tot voogdes over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , [naam oma moederszijde], geboren op [geboortedatum 4] 1957 in [geboorteplaats 3] ( [geboorteland] );
6.3.
veroordeelt de moeder aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te doen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 23 mei 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/691890 / FA RK 24-9690
Datum uitspraak: 23 april 2025
Beschikking over beëindiging van het ouderlijk gezag
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. G.E. Toxopeus, kantoorhoudende te Rotterdam.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
[naam oma moederszijde]
,
de oma moederszijde, hierna te noemen: de oma, wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 31 december 2024;
- de door de Raad nagezonden bereidverklaring aanvaarding voogdij van 16 april 2025, bij de griffie ingekomen op 22 april 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] ;
- de oma.
1.3.
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist
is opgeroepen.
1.4.
De rechtbank heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de oma.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 augustus 2024 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 12 augustus 2025. Tevens heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking de machtiging verlengd om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij oma, tot 12 augustus 2025.
2.4.
De oma heeft zich bij brief van 16 april 2025 bereid verklaard om de voogdij over de kinderen te aanvaarden.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de oma tot voogdes over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De Raad verwijst naar het verzoekschrift. Er zijn zorgen over de moeder. De moeder is niet goed aanspreekbaar en steeds maar korte periodes in contact met de hulpverlening. Het perspectief van de kinderen is verzekerd bij de oma en zij is al langere tijd de hoofdopvoeder van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Het is goed om te horen dat oma nog wel contact heeft met de moeder en dat de deur van oma altijd voor de moeder openstaat. De afgelopen jaren is er helaas geen verandering gekomen in de situatie en daarom is een beëindiging van het gezag passend. De Raad adviseert de voogdij bij de oma te leggen. Er is veel liefde tussen oma en de kinderen en daarnaast heeft de oma de afgelopen jaren laten zien dat zij in staat is de zorg voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te dragen. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de oma lopen nog tot 12 augustus 2025. Hierdoor kan de GI zorgdragen voor een warme overdracht met pleegzorg naar het vrijwillig kader.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De aanvraag voor het onderzoek naar gezagsbeëindiging is in juli 2024 gedaan. Destijds had de GI voor ogen dat zij de voogdij zou krijgen. De jeugdbeschermer is echter sinds november 2024 betrokken en ziet dat er veel liefde is tussen de oma en de kinderen. Zij ziet ook dat de kinderen het erg fijn hebben bij oma. Zodoende kan de GI zich aansluiten bij het standpunt van de Raad, en dient de voogdij ook wat betreft de GI naar de oma te gaan.
4.2.
De advocaat van de moeder brengt naar voren dat hij de moeder verschillende mails en berichtjes gestuurd heeft en haar ook via diverse telefoonnummers geprobeerd heeft te bereiken, maar dat het helaas niet is gelukt om met haar in contact te komen. Om deze reden kan de advocaat namens de moeder geen standpunt innemen.
4.3.
De oma heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder wist dat de zitting vandaag was, maar wil geen contact. De kinderen missen de moeder erg en maken zich zorgen om haar. [voornaam minderjarige 2] heeft veel verdriet van de situatie, maar [voornaam minderjarige 1] heeft zich er inmiddels bij neergelegd. De oma heeft er de afgelopen jaren alles aan gedaan om het contact tussen de moeder en de kinderen te herstellen. De verslavingsproblematiek van de moeder staat echter nog steeds op de voorgrond, waardoor de moeder oma niet toelaat. Desondanks zal de deur van oma altijd voor de moeder open blijven staan. Er is een sterke band tussen de kinderen en de rest van de familie. Zij zien hun ooms en tantes (mz) regelmatig, en de oma is voornemens om op korte termijn vast te leggen wie er, in geval van ziekte of overlijden, voor de kinderen zal zorgen. De oma houdt veel van de kinderen en wil het beste voor hen. Zij vindt het een groot compliment dat de Raad en de GI haar een passende voogdes vinden.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
De Raad heeft het onder b. genoemde niet aan zijn verzoek ten grondslag gelegd, zodat deze grond niet besproken behoeft te worden.
5.3.
Een beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als van de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is de maatstaf van artikel 8 EVRM voor gezagsbeëindiging anders dan die van artikel 1:266 BW. Uit artikel 8 EVRM volgt ook het vereiste dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel (het subsidiariteitsbeginsel). Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (het proportionaliteitsbeginsel). De inbreuk op het gezinsleven moet noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de moeder, ondanks meerdere pogingen vanuit de GI en de oma, helaas niet of nauwelijks nog betrokken is bij (de opvoeding van) [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De kinderen staan inmiddels al jaren onder toezicht en hebben meerdere woon- en verblijfplaatsen gehad. De moeder heeft gedurende de verschillende kinderbeschermingsmaatregelen onvoldoende vooruitgang laten zien om de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] weer op zich te kunnen nemen. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven sinds 2024 bij de oma en hebben daarvoor in twee verschillende pleeggezinnen verbleven. Zij hechten zich aan de oma en ontwikkelen zich goed bij haar. De oma zorgt ervoor dat de kinderen contact kunnen onderhouden met hun familieleden.
5.5.
De aanvaardbare termijn voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] om in onzekerheid te verkeren over hun perspectief is verstreken; zij hebben behoefte aan, en recht op, duidelijkheid over hun perspectief. Het is van belang dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de oma kunnen blijven en dat zij daar verder kunnen opgroeien. Nu er niet meer gewerkt wordt aan een thuisplaatsing bij de moeder, is een gezagsbeëindiging de meest passende maatregel. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.
5.6.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voldaan is aan de vereisten van artikel 8 EVRM. De rechtbank heeft daarnaast bij deze beslissing rekening gehouden met artikel 3, eerste lid van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin is bepaald - samengevat - dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
5.7.
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De voorgestelde voogdes heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de oma de meest aangewezen persoon is om te worden belast met de voogdij. Zij zorgt al lange tijd goed voor de kinderen en kan vorm geven aan het contact tussen de kinderen en hun moeder. Zij is al geruime tijd de hoofopvoeder van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en zij hebben een liefdevolle en hechte band met elkaar.
5.8.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:276 lid 1 van het BW worden de ouders van wie het gezag is beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan hun opvolger in dit bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van de minderjarigen.
5.9.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1980 in [geboorteplaats 2] , over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] ;
6.2.
benoemt tot voogdes over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , [naam oma moederszijde], geboren op [geboortedatum 4] 1957 in [geboorteplaats 3] ( [geboorteland] );
6.3.
veroordeelt de moeder aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te doen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 23 mei 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.