Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-17
ECLI:NL:RBROT:2025:8801
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,327 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf
Parketnummers 10.250898.23 en 10.204953.23 (gev. ttz.)
Datum uitspraak 17 februari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. W. Suttorp, advocaat in Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 februari 2025.
2Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. P. Wijnands heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder beide parketnummers ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, en oplegging van de 38v-maatregel, inhoudende een contactverbod met beide slachtoffers gedurende 5 jaren, waarbij 1 week hechtenis wordt opgelegd per overtreding.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak beide parketnummers
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
Aangevoerd is dat beide zaken bewezen kunnen worden verklaard. In de zaak met parketnummer 10.250898.23 wordt de aangifte ondersteund door de filmpjes die door de verdachte zijn gemaakt en in zijn telefoon zijn gevonden. Daar komt bij dat de verdachte in een andere zaak (met parketnummer 10-052364-21) door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor verkrachting. De modus operandi van beide zaken komt dusdanig overeen dat er (ook) sprake is van schakelbewijs.
In de zaak met parketnummer 10.204953.23 wordt de aangifte ondersteund door de verklaring van de moeder van de aangeefster, die letsel bij haar heeft gezien, en dat letsel is ook op foto’s te zien.
4.1.2.
Beoordeling
Parketnummer 10.250898.23
Aan de verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. Een kenmerk van dit soort delicten is dat bij de seksuele handelingen vaak maar twee personen aanwezig zijn: degene die aangifte doet en de verdachte.
De aangeefster heeft verklaard dat zij deels vrijwillige seks heeft gehad met de verdachte, maar dat zij geen penetratie wilde. De verdachte zou vervolgens een filmpje van haar hebben gemaakt en daarbij hebben gezegd dat hij dit pas zou verwijderen als zij seks in de zin van penetratie met hem zou hebben. Dit zou de aangeefster toen tegen haar wil hebben gedaan. Haar verklaring komt op de rechtbank betrouwbaar over. Het kan dus goed zijn dat het is gegaan zoals de aangeefster heeft verklaard. Daar tegenover staat echter de verklaring van de verdachte, die zegt dat alles (dus ook de penetratie) met wederzijdse instemming is gebeurd.
In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, staat dat het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet mag worden aangenomen op basis van één (getuigen)verklaring die niet wordt ondersteund door ander bewijs. Er moet dus, kort gezegd, steunbewijs zijn. Dat steunbewijs ontbreekt in deze zaak. Ten aanzien van de filmpjes waar de officier van justitie naar verwijst, heeft de verdachte op de zitting verklaard dat hij deze na de seks heeft gemaakt. Dit kan op basis van het dossier niet worden uitgesloten en om die reden kunnen de filmpjes dan ook niet als steunbewijs dienen.
Volgens vaste jurisprudentie mogen verklaringen van andere aangeefsters in zedenzaken tegen dezelfde verdachte als schakelbewijs worden gebruikt. Daarvoor is wel vereist dat die verklaringen (en eventueel steunbewijs dat daarvoor is) op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertonen met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte. Nog los van het feit dat de verdachte niet onherroepelijk is veroordeeld in de door de officier van justitie aangehaalde andere zaak, ziet de rechtbank in die zaak onvoldoende overeenkomsten met deze zaak. Een wezenlijk verschil is dat in die zaak sprake is van een filmpje waarop blijkens het arrest de (bewezen verklaarde) onvrijwillige seksuele handelingen te zien zijn, terwijl op de filmpjes in de onderhavige zaak geen seksuele handelingen zijn vastgelegd. Dat betekent dat er ook geen schakelbewijs is.
Concluderend is er onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.
Parketnummer 10.204953.23
De aangeefster heeft verklaard dat zij op 23 september 2022 is mishandeld door de verdachte. De verdachte heeft dit stellig ontkend. De moeder van de aangeefster heeft verklaard dat zij haar dochter ongeveer 24 uur later heeft gezien en dat zij toen een rode keel had en dat haar mond opgezwollen was met bloedresten.
De rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat het letsel dat bijna 24 uur later door de moeder van de aangeefster is gezien bij de aangeefster, door de verdachte is toegebracht. Er bevinden zich weliswaar foto’s van de aangeefster in het dossier, maar niet alleen is het letsel daarop niet goed te zien, ook is onduidelijk wanneer die zijn gemaakt. Verder bevindt zich, op de verklaring van de aangeefster na, in het dossier geen ander bewijs dat de verdachte degene is geweest die het letsel aan de aangeefster heeft toegebracht.
Alles afwegend vindt de rechtbank ook in deze zaak dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.
4.1.3.
Conclusie
Het onder beide parketnummers ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummers 10.250898.23 en 10.204953.23 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. E. IJspeerd en P.T. Verweijen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.M. Sinon, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10.250898.23
hij op of omstreeks 27 september 2023 te Ridderkerk [slachtoffer 1] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door te dreigen een filmpje te verspreiden, waarop die [slachtoffer 1] naakt is te zien en hierbij de woorden toe te voegen: “Je gaat seks hebben met mij, of dit filmpje gaat online”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1] ;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 september 2023 te Ridderkerk, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1] , door te dreigen een filmpje te verspreiden, waarop die [slachtoffer 1] naakt is te zien en hierbij de woorden toe te voegen: “Je gaat seks hebben met mij, of dit filmpje gaat online”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
Parketnummer 10.204953.23
hij op of omstreeks 23 september 2022 te Ridderkerk, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door- haar vast te pakken en/of op bed te duwen,- haar meerdere malen in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan,- met twee handen haar keel dicht te knijpen, en/of- aan haar haren te trekken;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )