Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-11
ECLI:NL:RBROT:2025:8511
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,919 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11387682 CV EXPL 24-27587
datum uitspraak: 11 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
vestigingsplaats: Apeldoorn,
eiseres,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: [plaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon B] (statutair bestuurder).
De partijen worden hierna ‘Achmea’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 26 september 2024, met bijlagen;
de aantekeningen van het mondelinge antwoord ter zitting van 7 november 2024;
de e-mails van 7 november 2024 aan de zijde van [gedaagde] , met bijlagen;
de brief van Achmea van 13 februari 2025 met als bijlage een akte wijziging grondslag van eis aan de zijde van Achmea, met bijlagen;
de brief van 17 februari 2025 aan de zijde van Achmea, met een bijlage.
1.2.
Op 25 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
aan de zijde van Achmea: [persoon A] namens Syncasso Gerechtsdeurwaarders;
aan de zijde van [gedaagde] ; [persoon B] , vergezeld door [persoon C] .
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft bij Achmea een overeenkomst ter dekking van zakelijke risico’s afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moest [gedaagde] elke maand voor de 5e van de maand premie aan Achmea betalen. De overeenkomst is per 8 maart 2024 beëindigd. Achmea heeft (uiteindelijk) gesteld dat [gedaagde] (vanwege een stornering van de premie voor de maand maart 2024 door [gedaagde] ) nog € 9,04 aan achterstallige premie moet betalen voor maart 2024 en dat Achmea bovendien € 81,37 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald. Achmea wil dat [gedaagde] deze € 90,41 aan haar betaalt. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, wil Achmea ook dat [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente betaalt.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij voert aan dat de verzekering per 8 maart 2024 is beëindigd en zij de laatste premie van € 90,41 op 16 februari 2024 heeft betaald. Zij heeft geen betaling gestorneerd en Achmea heeft daarom niets onverschuldigd aan haar betaald. Bovendien stelt zij dat zij geen aanmaningen heeft ontvangen.
De hoofdsom wordt afgewezen
2.3.
De vordering wordt afgewezen, omdat onduidelijk is of de (uiteindelijk) door Achmea gestelde feiten kloppen en de kantonrechter geen reden ziet voor verdere proceshandelingen. Dat wordt hierna toegelicht.
2.4.
In de dagvaarding heeft Achmea alleen gesteld dat tussen partijen sprake is van een verzekeringsovereenkomst en dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met het betalen van de premie over de periode 5 maart 2024 tot en met 4 april 2024. Hieruit kan worden afgeleid dat een beroep op nakoming (van de verplichting om premie te betalen) wordt gedaan. Pas na het verweer van [gedaagde] dat de verzekering per 8 maart 2024 is beëindigd heeft Achmea – in haar akte wijziging grondslag eis – een heel ander feitencomplex gegeven. Het klopt kennelijk dat de verzekeringsovereenkomst per 8 maart 2024 is geëindigd. Volgens Achmea moest voor de periode van 5 tot 8 maart 2024 € 9,04 aan premie door [gedaagde] worden betaald, maar de volledige premie van € 90,41 voor de periode 5 maart 2024 tot en met 4 april 2024 was al door Achmea geïncasseerd. Achmea heeft daarom op 11 maart 2024 € 81,37 aan [gedaagde] terugbetaald. Volgens Achmea heeft [gedaagde] op diezelfde datum de eerdere incasso van het bedrag van € 90,42 gestorneerd. Daarom maakt Achmea (thans) aanspraak op € 9,04 aan premie (uit hoofde van nakoming) en op € 81,37 uit hoofde van onverschuldigde betaling.
2.5.
[gedaagde] heeft op de zitting betwist dat zij de incasso van het bedrag van € 90,41 heeft gestorneerd. Ter onderbouwing daarvan heeft zij met haar internetbankieren app laten zien dat in de periode van 1 januari 2024 tot en met 1 april 2024 geen incasso’s zijn gestorneerd. Volgens Achmea is de incasso wel gestorneerd en blijkt dat uit de door haar ter zitting getoonde schermprint uit haar administratie.
2.6.
Volgens artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. In dit geval waren de feiten die Achmea in de dagvaarding had aangevoerd onjuist althans onvolledig. Van de beëindiging van de verzekering per 8 maart 2024 is geen melding gemaakt en ook de (gestelde) stornering van de laatste premiebetaling is niet genoemd. Dat stond allemaal pas in de akte wijziging grondslag van de eis die 12 dagen voor de zitting door Achmea is opgestuurd. Daardoor kon pas ter zitting door [gedaagde] worden gereageerd op de gestelde stornering en is toen niet duidelijk geworden of die nou wel of niet heeft plaatsgevonden. De kantonrechter zal Achmea niet in de gelegenheid stellen dit in een schriftelijke ronde alsnog nader te onderbouwen. Achmea had namelijk in de dagvaarding de juiste en volledige feiten kunnen en moeten opnemen, waarna [gedaagde] daar bij antwoord op had kunnen reageren. Naar verwachting had [gedaagde] dan bij antwoord al aangevoerd dat zij geen betaling had gestorneerd. Het had vervolgens in de rede gelegen dat Achmea tijdig voor de mondelinge behandeling nadere bewijsstukken zou overleggen (zoals bijvoorbeeld een bankafschrift en/of een verklaring van de bank) ter onderbouwing van haar stelling dat het bedrag van € 90,41 wel op 11 maart 2024 door [gedaagde] is gestorneerd. Achmea heeft niet toegelicht waarom zij pas na het antwoord en kort voor de zitting de juiste/volledige feiten naar voren heeft gebracht. Aan de omissie van Achmea om dit niet al bij de dagvaarding te doen, verbindt de kantonrechter de gevolgtrekking dat geen nadere proceshandelingen worden toegestaan.
2.7.
Dat brengt mee dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat op 11 maart 2024 een bedrag van € 90,41 is gestorneerd door [gedaagde] . Daarop strandt de vordering van Achmea.
Geen incassokosten en rente
2.8.
De incassokosten en rente worden afgewezen, omdat de hoofdsom waarover deze zijn berekend niet toewijsbaar is.
Achmea moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van Achmea, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Achmea aan [gedaagde] moet betalen op € 50,- aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt Achmea in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
64266