Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-21
ECLI:NL:RBROT:2025:8502
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,253 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/316502-24
Datum uitspraak: 21 februari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
raadsvrouw mr. H.J.E. Korteweg, advocaat te Dordrecht.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 21 februari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. Hem wordt verweten dat hij een aanrijding heeft veroorzaakt als gevolg waarvan een persoon is overleden. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde in die zin dat sprake is van “aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend” rijgedrag;
veroordeling van de verdachte tot taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis;
veroordeling van de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
4Waardering van het bewijs
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit.
Het enkel overschrijden van de maximumsnelheid is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW). Er is geen sprake van enige bijkomende gedraging of omstandigheid die maakt dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. De verdachte had groen licht en hoefde er niet op bedacht te zijn dat er onverwacht een fietser, die rood licht had, zou oversteken. Uit het onderzoek naar de dynamische vermijdbaarheid kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat het ongeval voorkomen had kunnen worden als de verdachte 80 kilometer per uur had gereden. Evenmin was er door het rijgedrag van de verdachte een reële kans op een ongeluk in de zin van artikel 5 WVW.
Beoordeling
De verdachte reed op 6 april 2024 op de Groene Kruisweg te Spijkenisse in een personenauto. Hij is op een (brom)fietsoversteekplaats in botsing gekomen met een overstekende fietser, het slachtoffer [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer). Door dit verkeersongeval is het slachtoffer overleden.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte aan deze aanrijding schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte vlak voordat hij bij de oversteekplaats kwam te hard reed. Zijn snelheid was tenminste 119 kilometer per uur. Ter plaatse was de maximum toegestane snelheid 80 km per uur. Hij reed dus bijna 40 kilometer per uur harder dan was toegestaan. Door met zeer hoge snelheid de oversteekplaats voor brommers en fietsers te naderen, heeft de verdachte niet op tijd kunnen remmen dan wel het overstekende slachtoffer kunnen ontwijken. Als gevolg daarvan heeft het ongeval plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Dat de verdachte groen licht had, terwijl het slachtoffer rood licht had, doet aan het voorgaande niets af. In zijn algemeenheid geldt dat de eventuele aanwezigheid van medeschuld aan de zijde van de slachtoffers, de schuld in strafrechtelijke zin aan de zijde van de verdachte niet opheft. In uitzonderlijke gevallen kan dit anders zijn. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is echter geen sprake. Doordat de verdachte zelf met een veel te hoge snelheid een oversteekplaats naderde, was zijn gedrag niet voorzienbaar voor andere verkeersdeelnemers, hetgeen mogelijk heeft meegespeeld in de gemaakte verkeersfout van het slachtoffer. Daar komt bij dat verkeersdeelnemers, met name de sterkere zoals automobilisten, altijd bedacht moeten zijn op de mogelijkheid dat er iets onverwachts kan gebeuren, waaronder eventuele verkeersfouten van anderen.
4.1.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 6 april 2024 te Spijkenisse als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Groene Kruisweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig ,
- met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km/u te rijden en
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- vervolgens tegen die [slachtoffer] aan te botsen, waardoor die [slachtoffer] werd gedood.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander wordt gedood.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit,
de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt door zich aanmerkelijk onvoorzichtig te gedragen in het verkeer. Hij is met de auto met veel te hoge snelheid een kruising met een oversteekplaats opgereden en heeft daardoor niet tijdig kunnen remmen voor een overstekende fietser waardoor hij met die fietser in botsing is gekomen. De fietser is als gevolg van de aanrijding overleden.
De verdachte heeft met zijn handelen bij de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed teweeg gebracht, zoals ook is gebleken uit de op zitting afgelegde verklaringen door de vrouw en nicht van het slachtoffer.
De rechtbank twijfelt er niet aan dat de verdachte, zoals hij op zitting heeft verklaard, nooit een aanrijding heeft willen veroorzaken, zeker niet met deze gevolgen. De verdachte zal moeten leven met de gedachte dat door zijn onvoorzichtigheid het slachtoffer is komen te overlijden. Hij heeft er op de zitting blijk van gegeven dat hij zich dit zeer aantrekt en de familie daarover zijn spijt en verdriet betuigd.
De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2025 gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
Bij de bepaling van de straffen heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden. Daarbij komt de rechtbank tot oplegging van een lagere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte iets zwaarder laat meewegen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en
de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 (één) jaar;
bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Lange, voorzitter,
en mr. A.M.G. van de Kragt en mr. S.W.H. Bootsma, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de 21 februari 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op 6 april 2024 te Spijkenisse als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, de Groene Kruisweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km/u, in elk geval met een gelet op de omstandigheden te hoge snelheid te rijden en/of
- niet tijdig op te merken dat een fietser, genaamd [slachtoffer], doende was de rijbaan van die Groene Kruisweg over te steken en/of
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- vervolgens tegen die [slachtoffer] aan te botsen, waardoor die [slachtoffer] werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 april 2024 te Spijkenisse als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken]), daarmede
rijdende over de weg, de Groene Kruisweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, door
- met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km/u, in elk geval met een gelet op de omstandigheden te hoge snelheid te rijden en/of
- niet tijdig op te merken dat een fietser, genaamd [slachtoffer], doende was de rijbaan van die Groene Kruisweg over te steken en/of
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- vervolgens tegen die [slachtoffer] aan te botsen.