Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-02
ECLI:NL:RBROT:2025:7860
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
1,057 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11523833 VV EXPL 25-64
datum uitspraak: 2 april 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [plaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. C.A. Gobbens,
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Kool.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 14 februari 2025, met bijlagen 1 tot en met 39;
de akte van [eiser] met bijlagen 40 en 41;
de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
1.2.
Op 8 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon A] en
mr. Gobbens en met [persoon B] , werkzaam bij [makelaardij] , voor [gedaagde] en mr. Kool.
1.3.
Op verzoek van partijen is de zaak twee weken aangehouden, om hun gelegenheid te geven een regeling in der minne te treffen. Dat is niet gelukt. Gevraagd is vonnis te wijzen.
Beoordeling
2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Waar gaat het om?
2.2.
[eiser] huurt van [gedaagde] de bedrijfsruimte aan [adres] te [plaats 1] (hierna: het gehuurde) om te gebruiken als een viswinkel. Zijn broer, [persoon A] , heeft in het gehuurde de viswinkel “ [bedrijfsnaam] ” geëxploiteerd. Daarmee is hij gestopt. De winkel is verkocht aan [persoon C] en [persoon D] . Aan [gedaagde] is een verzoek gedaan om hen als huurders in de plaats te stellen van [eiser] . Daarmee heeft [gedaagde] niet ingestemd.
2.3.
[eiser] eist - kort gezegd - [gedaagde] te veroordelen te gedogen dat [persoon C] en [persoon D] alvast het gehuurde gebruiken voor de exploitatie van het door hen van [eiser] gekochte bedrijf, vooruitlopend op een op korte termijn te starten procedure tot indeplaatsstelling.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
Afwijzing eis
2.4.
De eis wordt afgewezen. De reden hiervoor is dat betwist is dat de voorgestelde huurders voldoende waarborgen bieden voor een volledige nakoming van de overeenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering. De solvabiliteit van de beoogde huurders is nauwelijks onderbouwd door [eiser] . Dat staat dus niet vast. Het kort geding biedt geen ruimte voor bewijslevering op dit punt. Bij deze stand van zaken is niet aannemelijk dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen.
Proceskosten betalen
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 949,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 949,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 7:307 lid 2 BW.