Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-14
ECLI:NL:RBROT:2025:7420
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
17,132 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10957194 CV EXPL 24-5766
datum uitspraak: 14 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. M.A.C. Backx,
tegen
1de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] ,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
2. [gedaagde sub 2],
woonplaats: [plaats 2] ,
3. [gedaagde sub 3],
woonplaats: [plaats 2] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
gemachtigde: A. Weerwag.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 20 december 2024 en de stukken die daarin zijn genoemd;
de mail namens [gedaagde c.s.] van 15 januari 2025, met bijlagen;
de akte van [eiseres] van 13 februari 2025, met een vermindering van de eis, met bijlagen.
2De verdere beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] huren, zowel in privé als in hoedanigheid van vennoten van de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] , (hierna gezamenlijk aangeduid als ‘ [gedaagde c.s.] ’) een bedrijfsruimte van [eiseres] . Zij exploiteren daarin een zonnestudio.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde c.s.] in principe een huurachterstand van € 23.838,04 heeft (berekend tot en met juni 2024). [gedaagde c.s.] kan echter mogelijk aanspraak maken op coronakorting. [gedaagde c.s.] heeft daarom de gelegenheid gekregen om een duidelijke en onderbouwde berekening van de gestelde coronakorting in het geding te brengen. Dat heeft [gedaagde c.s.] gedaan en [eiseres] heeft daarop gereageerd.
2.3.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde c.s.] om een huurachterstand van € 3.567,- met rente en buitengerechtelijke kosten te betalen aan [eiseres] . In dit vonnis legt zij dat uit.
De huurachterstand zonder coronakorting bedraagt € 13.838,04
2.4.
[gedaagde c.s.] had kort voor het tussenvonnis in een mail gesteld dat zij nog € 10.000,- had betaald. Dat bedrag was niet betrokken in de in het tussenvonnis genoemde achterstand van € 23.838,04 omdat [eiseres] nog niet op die stelling had kunnen reageren. In haar akte na het tussenvonnis heeft [eiseres] bevestigd dat zij dit bedrag heeft ontvangen. Dat betekent dat er nog een achterstand van € 13.838,04 overblijft.
2.5.
Bij haar akte heeft [eiseres] een actuele specificatie gevoegd. Daaruit volgt dat tot en met januari 2025 nog steeds sprake is van die achterstand. [gedaagde c.s.] heeft geen gelegenheid gehad om daarop te reageren. Aangezien zij in haar mail echter ook niet heeft gesteld dat zij inmiddels meer heeft betaald dan alleen de lopende huur, of van plan is dat te doen, gaat de kantonrechter ervan uit dat deze specificatie klopt. Als [gedaagde c.s.] toch meer heeft betaald dan de lopende huur, strekt dat uiteraard in mindering op het bedrag dat [gedaagde c.s.] op grond van dit vonnis moet betalen.
[gedaagde c.s.] heeft recht op € 10.271,04 coronakorting
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde c.s.] recht heeft op een coronakorting van € 10.271,04. Zij is als volgt tot dat oordeel gekomen.
De coronakorting wordt berekend over de hele periode dat er beperkende maatregelen golden
2.7.
De eerste vraag is over welke periode de coronakorting moet worden berekend. [gedaagde c.s.] gaat uit van maart 2020 tot en met maart 2022. [eiseres] gaat in haar berekening uit van de maanden augustus 2020 tot en met juni 2021, december 2021 en januari 2022. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom zij specifiek deze maanden heeft gekozen. In de dagvaarding gaat zij uit van de maanden waarin een lockdown gold.
2.8.
De kantonrechter volgt de berekening van [gedaagde c.s.] . De partijen zijn het erover eens dat aan de hand van de zogenoemde vastelastenmethode van de Hoge Raad moet worden beoordeeld of [gedaagde c.s.] recht heeft op huurkorting en zo ja, hoeveel. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de korting geldt wanneer een huurder de bedrijfsruimte als gevolg van overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie niet of slechts in geringe mate kan exploiteren. De kantonrechter oordeelt dat hiervan in de hele periode maart 2020 tot en met maart 2022 sprake was. Hoewel er niet steeds sprake was van een lockdown, golden wel andere beperkende maatregelen en adviezen van de overheid om contacten te beperken. Het gevolg daarvan is dat ondernemers (veel) minder publiek ontvingen. Zeker voor een zonnestudio zal dit ook opgaan.
De partijen zijn het eens over een deel van de gegevens
2.9.
De partijen hebben allebei aan de hand van hetzelfde Excelsheet een berekening gemaakt van de coronakorting. Daaruit blijkt dat zij het voor een deel eens zijn. Er is geen discussie over de omzetgegevens van 2019 tot 2022, de omzetdaling en de huur. Daarom neemt de kantonrechter die gegevens over in haar berekening.
2.10.
Het enige verschil op dit punt is dat [eiseres] in haar berekening voor de maanden januari en april 2021 uitgaat van € 0,- omzet, terwijl [gedaagde c.s.] uitgaat van hogere bedragen. De kantonrechter volgt hierin de stellingen van [gedaagde c.s.] , omdat dit geen bewuste keuze van [eiseres] lijkt, en ook aangezien dit in haar nadeel zou zijn.
De TVL moet worden toegerekend aan de periode waarvoor die is gegeven
2.11.
Er is geen discussie over dat [gedaagde c.s.] TVL heeft ontvangen. Het gaat volgens [gedaagde c.s.] om de volgende bedragen:
€ 6.067,48 voor juni tot september 2020;
€ 20.225,65 voor het eerste kwartaal van 2021;
€ 18.431,05 voor het tweede kwartaal van 2021;
€ 10.272,18 voor het vierde kwartaal van 2021,
[eiseres] heeft deze bedragen niet betwist en ook niet gesteld dat er sprake is van aanvullende bedragen. Daarom gaat de kantonrechter hier ook vanuit.
2.12.
De kantonrechter oordeelt dat die TVL in de berekening moet worden betrokken bij de maanden waarvoor die TVL is verstrekt. Dat betekent dat de kantonrechter niet de redenering van [gedaagde c.s.] volgt, die de TVL heeft ‘uitgesmeerd’ over de hele periode. Maar zij volgt dus ook niet de redenering van [eiseres] , die de TVL alleen heeft betrokken op de maand waarin die is uitgekeerd.
25% van de TVL moet worden toegekend aan deze vestiging
2.13.
[gedaagde c.s.] heeft onbetwist gesteld dat de TVL die zij heeft gekregen ziet op alle vier haar vestigingen. [gedaagde c.s.] gaat ervan uit dat 18,8% moet worden toegekend aan deze vestiging. Zij baseert zich daarbij op het aandeel dat deze vestiging in 2019 had in de totale omzet van [gedaagde c.s.] . De kantonrechter is het met [eiseres] eens dat de verdeling zou moeten worden berekend op basis van het omzetverlies en de vaste lasten van elke vestiging. Op basis van die gegevens is de TVL namelijk ook berekend. Die gegevens heeft [gedaagde c.s.] niet overgelegd. Dat komt voor haar risico. [eiseres] heeft niet gesteld hoe volgens haar (bij gebrek aan die gegevens) de TVL moet worden verdeeld. De kantonrechter gaat er bij gebrek aan onderbouwing van beide kanten van uit dat alle vestigingen hetzelfde omzetverlies en dezelfde vaste lasten hebben.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijzigt de huurovereenkomst tussen de partijen door de huurprijs van de maanden maart 2020 tot en met maart 2022 te verminderen zoals weergegeven in 2.16;
3.2.
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 3.567,- aan huurachterstand berekend tot en met januari 2025, met de contractuele rente van 2% per maand, met een minimum van € 300,-, over de huurachterstand die na iedere mutatie heeft opengestaan, vanaf 1 januari 2021 tot de dag dat die volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 582,86 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 16 februari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk in de proceskosten in conventie, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 3.019,06 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
bepaalt dat de partijen in reconventie de eigen proceskosten dragen;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
33394
Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10957194 CV EXPL 24-5766
datum uitspraak: 14 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [plaats 1] ,
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. M.A.C. Backx,
tegen
1de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] ,
vestigingsplaats: [plaats 2] ,
2. [gedaagde sub 2],
woonplaats: [plaats 2] ,
3. [gedaagde sub 3],
woonplaats: [plaats 2] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
gemachtigde: A. Weerwag.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 20 december 2024 en de stukken die daarin zijn genoemd;
de mail namens [gedaagde c.s.] van 15 januari 2025, met bijlagen;
de akte van [eiseres] van 13 februari 2025, met een vermindering van de eis, met bijlagen.
2De verdere beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] huren, zowel in privé als in hoedanigheid van vennoten van de vennootschap onder firma [gedaagde sub 1] , (hierna gezamenlijk aangeduid als ‘ [gedaagde c.s.] ’) een bedrijfsruimte van [eiseres] . Zij exploiteren daarin een zonnestudio.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde c.s.] in principe een huurachterstand van € 23.838,04 heeft (berekend tot en met juni 2024). [gedaagde c.s.] kan echter mogelijk aanspraak maken op coronakorting. [gedaagde c.s.] heeft daarom de gelegenheid gekregen om een duidelijke en onderbouwde berekening van de gestelde coronakorting in het geding te brengen. Dat heeft [gedaagde c.s.] gedaan en [eiseres] heeft daarop gereageerd.
2.3.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde c.s.] om een huurachterstand van € 3.567,- met rente en buitengerechtelijke kosten te betalen aan [eiseres] . In dit vonnis legt zij dat uit.
De huurachterstand zonder coronakorting bedraagt € 13.838,04
2.4.
[gedaagde c.s.] had kort voor het tussenvonnis in een mail gesteld dat zij nog € 10.000,- had betaald. Dat bedrag was niet betrokken in de in het tussenvonnis genoemde achterstand van € 23.838,04 omdat [eiseres] nog niet op die stelling had kunnen reageren. In haar akte na het tussenvonnis heeft [eiseres] bevestigd dat zij dit bedrag heeft ontvangen. Dat betekent dat er nog een achterstand van € 13.838,04 overblijft.
2.5.
Bij haar akte heeft [eiseres] een actuele specificatie gevoegd. Daaruit volgt dat tot en met januari 2025 nog steeds sprake is van die achterstand. [gedaagde c.s.] heeft geen gelegenheid gehad om daarop te reageren. Aangezien zij in haar mail echter ook niet heeft gesteld dat zij inmiddels meer heeft betaald dan alleen de lopende huur, of van plan is dat te doen, gaat de kantonrechter ervan uit dat deze specificatie klopt. Als [gedaagde c.s.] toch meer heeft betaald dan de lopende huur, strekt dat uiteraard in mindering op het bedrag dat [gedaagde c.s.] op grond van dit vonnis moet betalen.
[gedaagde c.s.] heeft recht op € 10.271,04 coronakorting
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde c.s.] recht heeft op een coronakorting van € 10.271,04. Zij is als volgt tot dat oordeel gekomen.
De coronakorting wordt berekend over de hele periode dat er beperkende maatregelen golden
2.7.
De eerste vraag is over welke periode de coronakorting moet worden berekend. [gedaagde c.s.] gaat uit van maart 2020 tot en met maart 2022. [eiseres] gaat in haar berekening uit van de maanden augustus 2020 tot en met juni 2021, december 2021 en januari 2022. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom zij specifiek deze maanden heeft gekozen. In de dagvaarding gaat zij uit van de maanden waarin een lockdown gold.
2.8.
De kantonrechter volgt de berekening van [gedaagde c.s.] . De partijen zijn het erover eens dat aan de hand van de zogenoemde vastelastenmethode van de Hoge Raad moet worden beoordeeld of [gedaagde c.s.] recht heeft op huurkorting en zo ja, hoeveel. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de korting geldt wanneer een huurder de bedrijfsruimte als gevolg van overheidsmaatregelen in verband met de coronapandemie niet of slechts in geringe mate kan exploiteren. De kantonrechter oordeelt dat hiervan in de hele periode maart 2020 tot en met maart 2022 sprake was. Hoewel er niet steeds sprake was van een lockdown, golden wel andere beperkende maatregelen en adviezen van de overheid om contacten te beperken. Het gevolg daarvan is dat ondernemers (veel) minder publiek ontvingen. Zeker voor een zonnestudio zal dit ook opgaan.
De partijen zijn het eens over een deel van de gegevens
2.9.
De partijen hebben allebei aan de hand van hetzelfde Excelsheet een berekening gemaakt van de coronakorting. Daaruit blijkt dat zij het voor een deel eens zijn. Er is geen discussie over de omzetgegevens van 2019 tot 2022, de omzetdaling en de huur. Daarom neemt de kantonrechter die gegevens over in haar berekening.
2.10.
Het enige verschil op dit punt is dat [eiseres] in haar berekening voor de maanden januari en april 2021 uitgaat van € 0,- omzet, terwijl [gedaagde c.s.] uitgaat van hogere bedragen. De kantonrechter volgt hierin de stellingen van [gedaagde c.s.] , omdat dit geen bewuste keuze van [eiseres] lijkt, en ook aangezien dit in haar nadeel zou zijn.
De TVL moet worden toegerekend aan de periode waarvoor die is gegeven
2.11.
Er is geen discussie over dat [gedaagde c.s.] TVL heeft ontvangen. Het gaat volgens [gedaagde c.s.] om de volgende bedragen:
€ 6.067,48 voor juni tot september 2020;
€ 20.225,65 voor het eerste kwartaal van 2021;
€ 18.431,05 voor het tweede kwartaal van 2021;
€ 10.272,18 voor het vierde kwartaal van 2021,
[eiseres] heeft deze bedragen niet betwist en ook niet gesteld dat er sprake is van aanvullende bedragen. Daarom gaat de kantonrechter hier ook vanuit.
2.12.
De kantonrechter oordeelt dat die TVL in de berekening moet worden betrokken bij de maanden waarvoor die TVL is verstrekt. Dat betekent dat de kantonrechter niet de redenering van [gedaagde c.s.] volgt, die de TVL heeft ‘uitgesmeerd’ over de hele periode. Maar zij volgt dus ook niet de redenering van [eiseres] , die de TVL alleen heeft betrokken op de maand waarin die is uitgekeerd.
25% van de TVL moet worden toegekend aan deze vestiging
2.13.
[gedaagde c.s.] heeft onbetwist gesteld dat de TVL die zij heeft gekregen ziet op alle vier haar vestigingen. [gedaagde c.s.] gaat ervan uit dat 18,8% moet worden toegekend aan deze vestiging. Zij baseert zich daarbij op het aandeel dat deze vestiging in 2019 had in de totale omzet van [gedaagde c.s.] . De kantonrechter is het met [eiseres] eens dat de verdeling zou moeten worden berekend op basis van het omzetverlies en de vaste lasten van elke vestiging. Op basis van die gegevens is de TVL namelijk ook berekend. Die gegevens heeft [gedaagde c.s.] niet overgelegd. Dat komt voor haar risico. [eiseres] heeft niet gesteld hoe volgens haar (bij gebrek aan die gegevens) de TVL moet worden verdeeld. De kantonrechter gaat er bij gebrek aan onderbouwing van beide kanten van uit dat alle vestigingen hetzelfde omzetverlies en dezelfde vaste lasten hebben.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijzigt de huurovereenkomst tussen de partijen door de huurprijs van de maanden maart 2020 tot en met maart 2022 te verminderen zoals weergegeven in 2.16;
3.2.
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 3.567,- aan huurachterstand berekend tot en met januari 2025, met de contractuele rente van 2% per maand, met een minimum van € 300,-, over de huurachterstand die na iedere mutatie heeft opengestaan, vanaf 1 januari 2021 tot de dag dat die volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 582,86 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 16 februari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt de gedaagden hoofdelijk in de proceskosten in conventie, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 3.019,06 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
bepaalt dat de partijen in reconventie de eigen proceskosten dragen;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
33394
Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1974
Procesverloop
Dat betekent dat 25% van de TVL moet worden toegekend aan deze vestiging.
2.14.
Concreet komt dit op de volgende toerekening van de TVL neer:
voor juni tot september 2020 € 379,22 per maand (€ 6.067,48 TVL / 4 maanden / 4 vestigingen);
voor het eerste kwartaal van 2021 € 1.685,47 per maand (€ 20.225,65 TVL / 3 maanden / 4 vestigingen);
voor het tweede kwartaal van 2021 € 1.535,92 per maand (€ 18.431,05 / 3 maanden / 4 vestigingen);
voor het vierde kwartaal van 2021 € 856,02 per maand (€ 10.272,18 / 3 maanden / 4 vestigingen).
44% tot 48% van de TVL voor deze vestiging moet worden toegerekend aan huur
2.15.
De partijen verschillen ook van mening over de vraag welk deel van de TVL voor deze vestiging moet worden toegekend aan huur. [gedaagde c.s.] gaat uit van 46% en [eiseres] van 65%. De kantonrechter oordeelt dat dit varieert van 44% tot 48%. [gedaagde c.s.] heeft gesteld dat haar vaste lasten € 5.048,91 per maand bedragen. Ze heeft daarvoor een specificatie overgelegd. [eiseres] heeft die specificatie niet betwist. De kantonrechter gaat daar dus ook van uit. Omdat de huur tussen maart 2020 en maart 2022 twee keer is verhoogd, is het aandeel van de huur gestegen van 44% naar 46% en vervolgens naar 48%.
[gedaagde c.s.] heeft recht op € 10.271,04 coronakorting
2.16.
Op basis van de uitgangspunten die hiervoor zijn genoemd heeft [gedaagde c.s.] recht op € 10.271,04 coronakorting. De reconventionele eis wordt in zoverre toegewezen. Dat bedrag is als volgt berekend.
maand
2019
2020
daling
vaste lasten
huur
deel huur
TVL
aan huur toegerekende TVL
huurkorting
mrt
€ 11.203,25
€ 7.549,68
33%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 359,06
apr
€ 10.394,05
€ 6.126,25
41%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 452,08
mei
€ 13.048,95
€ 6.743,03
48%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 532,06
jun
€ 8.713,25
€ 5.686,00
35%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 353,79
jul
€ 9.304,60
€ 6.552,90
30%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 301,15
aug
€ 9.047,15
€ 6.626,92
27%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 272,41
sep
€ 8.537,60
€ 7.773,01
9%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 91,20
okt
€ 10.094,13
€ 3.925,15
61%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 672,88
nov
€ 10.519,35
€ 2.981,70
72%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 788,93
dec
€ 11.664,0
Procesverloop
Dat betekent dat 25% van de TVL moet worden toegekend aan deze vestiging.
2.14.
Concreet komt dit op de volgende toerekening van de TVL neer:
voor juni tot september 2020 € 379,22 per maand (€ 6.067,48 TVL / 4 maanden / 4 vestigingen);
voor het eerste kwartaal van 2021 € 1.685,47 per maand (€ 20.225,65 TVL / 3 maanden / 4 vestigingen);
voor het tweede kwartaal van 2021 € 1.535,92 per maand (€ 18.431,05 / 3 maanden / 4 vestigingen);
voor het vierde kwartaal van 2021 € 856,02 per maand (€ 10.272,18 / 3 maanden / 4 vestigingen).
44% tot 48% van de TVL voor deze vestiging moet worden toegerekend aan huur
2.15.
De partijen verschillen ook van mening over de vraag welk deel van de TVL voor deze vestiging moet worden toegekend aan huur. [gedaagde c.s.] gaat uit van 46% en [eiseres] van 65%. De kantonrechter oordeelt dat dit varieert van 44% tot 48%. [gedaagde c.s.] heeft gesteld dat haar vaste lasten € 5.048,91 per maand bedragen. Ze heeft daarvoor een specificatie overgelegd. [eiseres] heeft die specificatie niet betwist. De kantonrechter gaat daar dus ook van uit. Omdat de huur tussen maart 2020 en maart 2022 twee keer is verhoogd, is het aandeel van de huur gestegen van 44% naar 46% en vervolgens naar 48%.
[gedaagde c.s.] heeft recht op € 10.271,04 coronakorting
2.16.
Op basis van de uitgangspunten die hiervoor zijn genoemd heeft [gedaagde c.s.] recht op € 10.271,04 coronakorting. De reconventionele eis wordt in zoverre toegewezen. Dat bedrag is als volgt berekend.
maand
2019
2020
daling
vaste lasten
huur
deel huur
TVL
aan huur toegerekende TVL
huurkorting
mrt
€ 11.203,25
€ 7.549,68
33%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 359,06
apr
€ 10.394,05
€ 6.126,25
41%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 452,08
mei
€ 13.048,95
€ 6.743,03
48%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 532,06
jun
€ 8.713,25
€ 5.686,00
35%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 353,79
jul
€ 9.304,60
€ 6.552,90
30%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 301,15
aug
€ 9.047,15
€ 6.626,92
27%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 272,41
sep
€ 8.537,60
€ 7.773,01
9%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 379,22
€ 165,39
€ 91,20
okt
€ 10.094,13
€ 3.925,15
61%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 672,88
nov
€ 10.519,35
€ 2.981,70
72%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 788,93
dec
€ 11.664,0
Procesverloop
0
€ 4.190,65
64%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 705,44
maand
2019
2021
daling
vaste lasten
huur
deel huur
TVL
aan huur toegerekende TVL
huurkorting
jan
€ 8.467,40
€ 5.056,41
40%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 1.685,47
€ 735,10
€ 295,47
feb
€ 9.699,95
€ -
100%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 1.685,47
€ 735,10
€ 733,46
mrt
€ 11.203,25
€ -
100%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.685,47
€ 774,82
€ 773,09
apr
€ 10.394,05
€ 4.607,76
56%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.535,92
€ 706,07
€ 449,51
mei
€ 13.048,95
€ -
100%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.535,92
€ 706,07
€ 807,47
jun
€ 8.713,25
€ 3.400,80
61%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.535,92
€ 706,07
€ 492,31
jul
€ 9.304,60
€ 7.565,47
19%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 216,91
aug
€ 9.047,15
€ 5.349,51
41%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 474,31
sep
€ 8.537,60
€ 5.048,55
41%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 474,26
okt
€ 10.094,13
€ 9.642,44
4%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 856,02
€ 393,51
€ 43,13
nov
€ 10.519,35
€ 6.144,26
42%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 856,02
€ 393,51
Procesverloop
0
€ 4.190,65
64%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ -
€ 0,00
€ 705,44
maand
2019
2021
daling
vaste lasten
huur
deel huur
TVL
aan huur toegerekende TVL
huurkorting
jan
€ 8.467,40
€ 5.056,41
40%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 1.685,47
€ 735,10
€ 295,47
feb
€ 9.699,95
€ -
100%
€ 5.048,91
€ 2.202,02
44%
€ 1.685,47
€ 735,10
€ 733,46
mrt
€ 11.203,25
€ -
100%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.685,47
€ 774,82
€ 773,09
apr
€ 10.394,05
€ 4.607,76
56%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.535,92
€ 706,07
€ 449,51
mei
€ 13.048,95
€ -
100%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.535,92
€ 706,07
€ 807,47
jun
€ 8.713,25
€ 3.400,80
61%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 1.535,92
€ 706,07
€ 492,31
jul
€ 9.304,60
€ 7.565,47
19%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 216,91
aug
€ 9.047,15
€ 5.349,51
41%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 474,31
sep
€ 8.537,60
€ 5.048,55
41%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 474,26
okt
€ 10.094,13
€ 9.642,44
4%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 856,02
€ 393,51
€ 43,13
nov
€ 10.519,35
€ 6.144,26
42%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 856,02
€ 393,51
Procesverloop
€ 400,83
dec
€ 11.664,00
€ 9.491,21
19%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 856,02
€ 393,51
€ 179,53
maand
2019
2022
daling
vaste lasten
huur
deel huur
TVL
aan huur toegerekende TVL
huurkorting
jan
€ 8.467,40
€ 5.535,87
35%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 401,78
feb
€ 9.699,95
€ 14.085,84
0%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 0,00
mrt
€ 11.203,25
€ 14.733,83
0%
€ 5.048,91
€ 2.440,92
48%
€ -
€ 0,00
€ 0,00
[gedaagde c.s.] moet een achterstand van € 3.567,- betalen
2.17.
Uit het voorgaande volgt dat zonder coronakorting sprake is van een achterstand van € 13.838,04 (2.4). Als de coronakorting wordt verwerkt resteert een achterstand van € 3.567,- (€ 13.838,04 - € 10.271,04). [gedaagde c.s.] wordt veroordeeld om dat bedrag te betalen.
De eisen die samenhangen met de ontbinding van de overeenkomst worden afgewezen
2.18.
In eerste instantie vroeg [eiseres] om de huurovereenkomst te ontbinden. Die eis heeft zij ingetrokken, evenals de eis tot ontruiming. Daarom wordt de eis om [gedaagde c.s.] te veroordelen € 3.528,70 (de lopende huur) per maand te betalen vanaf de datum van het vonnis afgewezen. Uit de huurovereenkomst vloeit immers voort dat [gedaagde c.s.] dat moet doen en [gedaagde c.s.] betaalt de lopende huur ook al weer geruime tijd. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij (toch) belang heeft bij toewijzing van deze eis (artikel 3:303 BW).
[gedaagde c.s.] moet boeterente betalen
2.19.
De eis van [eiseres] om [gedaagde c.s.] te veroordelen om de overeengekomen (boete)rente te betalen wordt toegewezen (2.12 tussenvonnis). De kantonrechter wijst die boete toe voor iedere maand dat sprake is van een huurachterstand. De kantonrechter legt de boetebepaling zo uit. Voor het geval [eiseres] iets anders heeft bedoeld te eisen, wordt dat deel van de eis dus afgewezen. Uit de onbetwiste specificatie volgt dat de achterstand op 1 januari 2021 is ontstaan. Daarom wordt de (boete)rente vanaf die datum toegewezen.
[gedaagde c.s.] moet € 582,86 buitengerechtelijke kosten betalen
2.20.
[gedaagde c.s.] moet de buitengerechtelijke kosten vergoeden die [eiseres] heeft gemaakt (2.14 tussenvonnis). De kantonrechter wijst € 582,86 toe. Zij ziet namelijk aanleiding om de afgesproken vergoeding van 15% ambtshalve te matigen tot het bedrag waarop [eiseres] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv). [eiseres] heeft namelijk niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze hogere kosten te maken. De vergoeding is berekend over € 3.567,-. Dat is de achterstand na aftrek van de coronakorting.
2.21.
De wettelijke rente over deze kosten wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (16 februari 2024), zoals door [eiseres] is geëist (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW).
De kantonrechter blijft bij haar oordelen uit het tussenvonnis
2.22.
Voor het overige blijft de kantonrechter bij haar oordelen uit het tussenvonnis.
[gedaagde c.s.] moet de proceskosten in conventie betalen
2.23.
De proceskosten in conventie komen voor rekening van [gedaagde c.s.] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde c.s.] aan [eiseres] moet betalen op € 117,56 aan dagvaardingskosten, € 1.409,- aan griffierecht, € 1.357,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 543,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 3.019,06. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
2.24.
De kantonrechter heeft de proceskosten berekend op basis van de huurachterstand zonder aftrek van de coronakorting, omdat [gedaagde c.s.] pas in haar laatste processtuk duidelijk heeft gemaakt hoe zij die heeft berekend.
De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd
2.25.
De kantonrechter bepaalt dat de partijen in reconventie de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Procesverloop
€ 400,83
dec
€ 11.664,00
€ 9.491,21
19%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ 856,02
€ 393,51
€ 179,53
maand
2019
2022
daling
vaste lasten
huur
deel huur
TVL
aan huur toegerekende TVL
huurkorting
jan
€ 8.467,40
€ 5.535,87
35%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 401,78
feb
€ 9.699,95
€ 14.085,84
0%
€ 5.048,91
€ 2.321,00
46%
€ -
€ 0,00
€ 0,00
mrt
€ 11.203,25
€ 14.733,83
0%
€ 5.048,91
€ 2.440,92
48%
€ -
€ 0,00
€ 0,00
[gedaagde c.s.] moet een achterstand van € 3.567,- betalen
2.17.
Uit het voorgaande volgt dat zonder coronakorting sprake is van een achterstand van € 13.838,04 (2.4). Als de coronakorting wordt verwerkt resteert een achterstand van € 3.567,- (€ 13.838,04 - € 10.271,04). [gedaagde c.s.] wordt veroordeeld om dat bedrag te betalen.
De eisen die samenhangen met de ontbinding van de overeenkomst worden afgewezen
2.18.
In eerste instantie vroeg [eiseres] om de huurovereenkomst te ontbinden. Die eis heeft zij ingetrokken, evenals de eis tot ontruiming. Daarom wordt de eis om [gedaagde c.s.] te veroordelen € 3.528,70 (de lopende huur) per maand te betalen vanaf de datum van het vonnis afgewezen. Uit de huurovereenkomst vloeit immers voort dat [gedaagde c.s.] dat moet doen en [gedaagde c.s.] betaalt de lopende huur ook al weer geruime tijd. [eiseres] heeft niet gesteld dat zij (toch) belang heeft bij toewijzing van deze eis (artikel 3:303 BW).
[gedaagde c.s.] moet boeterente betalen
2.19.
De eis van [eiseres] om [gedaagde c.s.] te veroordelen om de overeengekomen (boete)rente te betalen wordt toegewezen (2.12 tussenvonnis). De kantonrechter wijst die boete toe voor iedere maand dat sprake is van een huurachterstand. De kantonrechter legt de boetebepaling zo uit. Voor het geval [eiseres] iets anders heeft bedoeld te eisen, wordt dat deel van de eis dus afgewezen. Uit de onbetwiste specificatie volgt dat de achterstand op 1 januari 2021 is ontstaan. Daarom wordt de (boete)rente vanaf die datum toegewezen.
[gedaagde c.s.] moet € 582,86 buitengerechtelijke kosten betalen
2.20.
[gedaagde c.s.] moet de buitengerechtelijke kosten vergoeden die [eiseres] heeft gemaakt (2.14 tussenvonnis). De kantonrechter wijst € 582,86 toe. Zij ziet namelijk aanleiding om de afgesproken vergoeding van 15% ambtshalve te matigen tot het bedrag waarop [eiseres] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv). [eiseres] heeft namelijk niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze hogere kosten te maken. De vergoeding is berekend over € 3.567,-. Dat is de achterstand na aftrek van de coronakorting.
2.21.
De wettelijke rente over deze kosten wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (16 februari 2024), zoals door [eiseres] is geëist (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW).
De kantonrechter blijft bij haar oordelen uit het tussenvonnis
2.22.
Voor het overige blijft de kantonrechter bij haar oordelen uit het tussenvonnis.
[gedaagde c.s.] moet de proceskosten in conventie betalen
2.23.
De proceskosten in conventie komen voor rekening van [gedaagde c.s.] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde c.s.] aan [eiseres] moet betalen op € 117,56 aan dagvaardingskosten, € 1.409,- aan griffierecht, € 1.357,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 543,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 3.019,06. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
2.24.
De kantonrechter heeft de proceskosten berekend op basis van de huurachterstand zonder aftrek van de coronakorting, omdat [gedaagde c.s.] pas in haar laatste processtuk duidelijk heeft gemaakt hoe zij die heeft berekend.
De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd
2.25.
De kantonrechter bepaalt dat de partijen in reconventie de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.