Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBROT:2025:7417
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,860 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10800849 CV EXPL 23-30785
datum uitspraak: 28 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
woonplaats: [plaats 1] , [gemeente] ,
eisers,
gemachtigde: mr. A.G.A. Meulenberg,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J. Klein.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 17 mei 2024 en de stukken die daarin zijn genoemd;
de akte van [eiser 1] en [eiser 2] van 19 juni 2024;
de mail van de gemachtigde van [gedaagde] van 20 juni 2024;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 13 november 2024;
de mail van de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] van 27 november 2024;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 27 januari 2025;
de akte na enquête van [eiser 1] en [eiser 2] , met bijlagen;
de akte na enquête van [gedaagde] , met bijlagen.
2De verdere beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een aannemingsovereenkomst gesloten met [gedaagde] . Zij hebben afgesproken dat [gedaagde] diverse muren van hun huis zou behangen en die deels ook zou verven. [eiser 1] en [eiser 2] zijn ontevreden over het resultaat. Zij eisen in deze procedure een schadevergoeding van € 13.015,- en een vergoeding van de expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, met rente.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat de partijen het erover eens zijn dat het behangen niet mooi kon worden, omdat de muren vooraf gestukt hadden moeten worden. [gedaagde] had als aannemer en professional daarvoor moeten waarschuwen. [gedaagde] stelt dat hij dit heeft gedaan. In het vonnis heeft de kantonrechter hem de gelegenheid gegeven dat te bewijzen.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het bewijs niet heeft geleverd. Hij wordt veroordeeld om € 10.393,82 te betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] . In dit vonnis legt de kantonrechter dit oordeel uit.
[gedaagde] heeft het bewijs niet geleverd
2.4.
[gedaagde] heeft als bewijs alleen zichzelf laten verhoren als getuige. Uit de wet volgt dat zijn (partij)getuigenverklaring geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij het een aanvulling is op onvolledig bewijs (artikel 164 lid 2 Rv-oud). Van een aanvulling op onvolledig bewijs is geen sprake. Er is verder namelijk geen bewijs voor de stelling van [gedaagde] dat hij [eiser 1] en [eiser 2] heeft gewaarschuwd.
2.5.
In zijn akte na enquête verwijst [gedaagde] wel naar een bericht van 2 februari 2022, waarin [eiser 1] schrijft “Het kan zijn dat bij de vooroplevering e.e.a. gecorrigeerd
moet worden (aan wanden/kozijnen).” Volgens hem blijkt hieruit dat hij [eiser 1] en [eiser 2] heeft gewaarschuwd. Dat kan de kantonrechter daar echter niet uit opmaken. Die mail vormt dus geen (onvolledig) bewijs.
2.6.
Alleen al omdat de getuigenverklaring van [gedaagde] geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren is het bewijs niet geslaagd. Dat betekent dat niet vaststaat dat [gedaagde] heeft gewaarschuwd dat de muren eerst nog gestukt moesten worden.
[gedaagde] moet de schade van [eiser 1] en [eiser 2] vergoeden
2.7.
Zoals in het tussenvonnis al is aangekondigd (2.8) betekent dit dat [gedaagde] de schade van [eiser 1] en [eiser 2] moet vergoeden. De reden daarvan is dat [gedaagde] in verzuim verkeert en [eiser 1] en [eiser 2] een vervangende schadevergoeding hebben gevraagd, in plaats van nakoming. De kantonrechter werkt dat hierna uit.
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
2.8.
De partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de muren zou behangen en verven. Zoals in het tussenvonnis al is vastgesteld zijn de partijen het erover eens dat het eindresultaat niet mooi is. Zij hebben vastgesteld dat het behang niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Dat kon ook niet, omdat de muren eerst nog gestukt hadden moeten worden. [gedaagde] had hiervoor moeten waarschuwen (artikel 7:754 BW). Zoals uit het voorgaande volgt, staat niet vast dat hij dit heeft gedaan. De gevolgen daarvan komen voor zijn rekening (artikel 7:760 lid 2 BW).
[gedaagde] is in verzuim
2.9.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben [gedaagde] op 18 mei 2022 een brief gemaild. In die brief hebben zij hem in gebreke gesteld en hem een termijn van 14 dagen gegeven om de overeenkomst alsnog na te komen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Hij is daarom in verzuim geraakt (artikel 6:82 BW). Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dat verzuim op 3 juni 2022 ingetreden. [gedaagde] heeft daar geen verweer tegen gevoerd. De kantonrechter hanteert die datum daarom ook.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een omzettingsverklaring gestuurd
2.10.
Nadat het verzuim is ingetreden, namelijk op 27 oktober 2022, hebben [eiser 1] een [eiser 2] een brief gestuurd aan [gedaagde] . Ze hebben daarin meegedeeld dat ze niet langer willen dat [gedaagde] de overeenkomst nakomt, maar dat hij hun schade vergoedt. Zij hebben daarom recht op een schadevergoeding (artikel 6:87 BW).
[gedaagde] moet een schadevergoeding van € 8.370,- betalen aan [eiser 1] en [eiser 2]
2.11.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] een schadevergoeding van € 8.370,- moet betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] . Dat bedrag is als volgt berekend.
2.12.
Om alsnog tot een mooi resultaat te komen, moet volgens [eiser 1] en [eiser 2] eerst al het behang eraf, vervolgens moeten de muren gestukt worden en daarna moet opnieuw behangen worden. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Hoewel de deskundige die hij heeft ingeschakeld ervan uitgaat dat het ook mogelijk is om gedeeltes te vervangen, heeft [gedaagde] daar zelf niets over gesteld. De kantonrechter neemt volledige vervanging daarom ook als uitgangspunt. Dat ligt overigens ook wel in de rede. De partijen zijn het er namelijk over eens dat de muur eerst gestukt moet worden. Dat kan alleen als eerst al het behang eraf is.
2.13.
Volgens [eiser 1] en [eiser 2] gaat dit € 13.015,- kosten. Zij verwijzen daarvoor naar het rapport van [deskundige] , de deskundige die zij hebben ingeschakeld. In dat rapport staat een grove begroting, met ronde bedragen, die verder niet zijn onderbouwd of voorzien van een berekening. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag. Volgens hem is het ‘volstrekt onredelijk en onbillijk’. Hij wijst er daarbij op dat hijzelf met [eiser 1] en [eiser 2] een aanneemsom van € 5.190,- heeft afgesproken. Verder wijst hij erop dat [eiser 1] en [eiser 2] in eerste instantie een schadevergoeding van € 6.558,22 hebben gevraagd. Dat bedrag was gebaseerd op een offerte van een andere aannemer.
2.14.
Gezien het grote verschil tussen deze bedragen en de geëiste schadevergoeding, had het op de weg van [eiser 1] en [eiser 2] gelegen om te onderbouwen waarom dit wel een redelijke vergoeding is. Vooral ook omdat zij zich alleen baseren op de globale begroting van [deskundige] en dus niet op een concrete offerte van een aannemer. Zij hebben in de spreekaantekeningen wel in het algemeen een verklaring gegeven voor een deel van het verschil, maar lang niet voor het geheel. Bij gebrek aan een goede onderbouwing van de schade, schat de kantonrechter die (artikel 6:97 Rv).
2.15.
De deskundige begroot € 1.000,- voor het afplakken en afdekken van de vloeren. De kantonrechter ziet bij een gebrek aan een berekening of onderbouwing niet in waarom dit zo’n grote schadepost is.
Conclusie
2.26.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] € 7.730,- moet betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] (€ 8.370,- min € 640,-).
2.27.
De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen. [eiser 1] en [eiser 2] vragen die rente vanaf 3 juni 2022, de dag dat het verzuim is ontstaan. Die eis is op de wet gebaseerd (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW) en wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de expertisekosten betalen
2.28.
[gedaagde] moet ook de kosten vergoeden die [eiser 1] en [eiser 2] hebben gemaakt voor het deskundigenonderzoek. Doordat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en er discussie was over de kwaliteit van het werk, was het redelijk dat [eiser 1] en [eiser 2] een deskundige hebben ingeschakeld. De deskundige heeft daarvoor € 1.742,40 in rekening gebracht. De kantonrechter oordeelt dat dit redelijke kosten zijn, gezien de omvang van het onderzoek en het rapport. [gedaagde] moet daarom die kosten vergoeden (artikel 6:96 lid 2 onder b BW).
2.29.
[eiser 1] en [eiser 2] eisen de wettelijke rente over die kosten vanaf de datum van de factuur van de deskundige, 21 juli 2023. Deze eis is niet betwist en op de wet (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW) gebaseerd en wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten betalen
2.30.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben hun rechtsbijstandsverzekeraar ingeschakeld. Deze heeft verschillende aanmaningen gestuurd en geprobeerd om het geschil buiten een rechtszaak om op te lossen. Zij hebben recht op een vergoeding van de kosten die ze hebben gemaakt (artikel 6:96 lid 2 onder c BW). De kantonrechter wijst een vergoeding van € 921,42 toe, berekend op basis van het toegewezen bedrag (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten).
2.31.
[eiser 1] en [eiser 2] eisen de wettelijke rente over die kosten vanaf de datum dat het verzuim is ontstaan, 3 juni 2022. Deze eis is niet betwist en op de wet (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW) gebaseerd en wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.32.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] moet betalen op € 131,90 aan dagvaardingskosten, € 693,- aan griffierecht, € 1.356,- aan salaris voor de gemachtigde (4 punten x € 339,-), € 25,- aan vergoeding voor de getuige en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.340,90. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.33.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser 1] en [eiser 2] dat eisen en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen € 10.393,82 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.651,42 vanaf 3 juni 2022 en over € 1.742,40 vanaf 21 juli 2023, tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op € 2.340,90 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
33394
Per 1 januari 2025 is dit artikel veranderd, maar het oude artikel geldt, omdat deze procedure voor 1 januari 2025 is begonnen (artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht).
Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586, 3.5
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10800849 CV EXPL 23-30785
datum uitspraak: 28 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
woonplaats: [plaats 1] , [gemeente] ,
eisers,
gemachtigde: mr. A.G.A. Meulenberg,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J. Klein.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 17 mei 2024 en de stukken die daarin zijn genoemd;
de akte van [eiser 1] en [eiser 2] van 19 juni 2024;
de mail van de gemachtigde van [gedaagde] van 20 juni 2024;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 13 november 2024;
de mail van de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] van 27 november 2024;
het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 27 januari 2025;
de akte na enquête van [eiser 1] en [eiser 2] , met bijlagen;
de akte na enquête van [gedaagde] , met bijlagen.
2De verdere beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een aannemingsovereenkomst gesloten met [gedaagde] . Zij hebben afgesproken dat [gedaagde] diverse muren van hun huis zou behangen en die deels ook zou verven. [eiser 1] en [eiser 2] zijn ontevreden over het resultaat. Zij eisen in deze procedure een schadevergoeding van € 13.015,- en een vergoeding van de expertisekosten, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, met rente.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat de partijen het erover eens zijn dat het behangen niet mooi kon worden, omdat de muren vooraf gestukt hadden moeten worden. [gedaagde] had als aannemer en professional daarvoor moeten waarschuwen. [gedaagde] stelt dat hij dit heeft gedaan. In het vonnis heeft de kantonrechter hem de gelegenheid gegeven dat te bewijzen.
2.3.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het bewijs niet heeft geleverd. Hij wordt veroordeeld om € 10.393,82 te betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] . In dit vonnis legt de kantonrechter dit oordeel uit.
[gedaagde] heeft het bewijs niet geleverd
2.4.
[gedaagde] heeft als bewijs alleen zichzelf laten verhoren als getuige. Uit de wet volgt dat zijn (partij)getuigenverklaring geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij het een aanvulling is op onvolledig bewijs (artikel 164 lid 2 Rv-oud). Van een aanvulling op onvolledig bewijs is geen sprake. Er is verder namelijk geen bewijs voor de stelling van [gedaagde] dat hij [eiser 1] en [eiser 2] heeft gewaarschuwd.
2.5.
In zijn akte na enquête verwijst [gedaagde] wel naar een bericht van 2 februari 2022, waarin [eiser 1] schrijft “Het kan zijn dat bij de vooroplevering e.e.a. gecorrigeerd
moet worden (aan wanden/kozijnen).” Volgens hem blijkt hieruit dat hij [eiser 1] en [eiser 2] heeft gewaarschuwd. Dat kan de kantonrechter daar echter niet uit opmaken. Die mail vormt dus geen (onvolledig) bewijs.
2.6.
Alleen al omdat de getuigenverklaring van [gedaagde] geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren is het bewijs niet geslaagd. Dat betekent dat niet vaststaat dat [gedaagde] heeft gewaarschuwd dat de muren eerst nog gestukt moesten worden.
[gedaagde] moet de schade van [eiser 1] en [eiser 2] vergoeden
2.7.
Zoals in het tussenvonnis al is aangekondigd (2.8) betekent dit dat [gedaagde] de schade van [eiser 1] en [eiser 2] moet vergoeden. De reden daarvan is dat [gedaagde] in verzuim verkeert en [eiser 1] en [eiser 2] een vervangende schadevergoeding hebben gevraagd, in plaats van nakoming. De kantonrechter werkt dat hierna uit.
[gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
2.8.
De partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] de muren zou behangen en verven. Zoals in het tussenvonnis al is vastgesteld zijn de partijen het erover eens dat het eindresultaat niet mooi is. Zij hebben vastgesteld dat het behang niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk. Dat kon ook niet, omdat de muren eerst nog gestukt hadden moeten worden. [gedaagde] had hiervoor moeten waarschuwen (artikel 7:754 BW). Zoals uit het voorgaande volgt, staat niet vast dat hij dit heeft gedaan. De gevolgen daarvan komen voor zijn rekening (artikel 7:760 lid 2 BW).
[gedaagde] is in verzuim
2.9.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben [gedaagde] op 18 mei 2022 een brief gemaild. In die brief hebben zij hem in gebreke gesteld en hem een termijn van 14 dagen gegeven om de overeenkomst alsnog na te komen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Hij is daarom in verzuim geraakt (artikel 6:82 BW). Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dat verzuim op 3 juni 2022 ingetreden. [gedaagde] heeft daar geen verweer tegen gevoerd. De kantonrechter hanteert die datum daarom ook.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een omzettingsverklaring gestuurd
2.10.
Nadat het verzuim is ingetreden, namelijk op 27 oktober 2022, hebben [eiser 1] een [eiser 2] een brief gestuurd aan [gedaagde] . Ze hebben daarin meegedeeld dat ze niet langer willen dat [gedaagde] de overeenkomst nakomt, maar dat hij hun schade vergoedt. Zij hebben daarom recht op een schadevergoeding (artikel 6:87 BW).
[gedaagde] moet een schadevergoeding van € 8.370,- betalen aan [eiser 1] en [eiser 2]
2.11.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] een schadevergoeding van € 8.370,- moet betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] . Dat bedrag is als volgt berekend.
2.12.
Om alsnog tot een mooi resultaat te komen, moet volgens [eiser 1] en [eiser 2] eerst al het behang eraf, vervolgens moeten de muren gestukt worden en daarna moet opnieuw behangen worden. [gedaagde] heeft dat niet betwist. Hoewel de deskundige die hij heeft ingeschakeld ervan uitgaat dat het ook mogelijk is om gedeeltes te vervangen, heeft [gedaagde] daar zelf niets over gesteld. De kantonrechter neemt volledige vervanging daarom ook als uitgangspunt. Dat ligt overigens ook wel in de rede. De partijen zijn het er namelijk over eens dat de muur eerst gestukt moet worden. Dat kan alleen als eerst al het behang eraf is.
2.13.
Volgens [eiser 1] en [eiser 2] gaat dit € 13.015,- kosten. Zij verwijzen daarvoor naar het rapport van [deskundige] , de deskundige die zij hebben ingeschakeld. In dat rapport staat een grove begroting, met ronde bedragen, die verder niet zijn onderbouwd of voorzien van een berekening. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag. Volgens hem is het ‘volstrekt onredelijk en onbillijk’. Hij wijst er daarbij op dat hijzelf met [eiser 1] en [eiser 2] een aanneemsom van € 5.190,- heeft afgesproken. Verder wijst hij erop dat [eiser 1] en [eiser 2] in eerste instantie een schadevergoeding van € 6.558,22 hebben gevraagd. Dat bedrag was gebaseerd op een offerte van een andere aannemer.
2.14.
Gezien het grote verschil tussen deze bedragen en de geëiste schadevergoeding, had het op de weg van [eiser 1] en [eiser 2] gelegen om te onderbouwen waarom dit wel een redelijke vergoeding is. Vooral ook omdat zij zich alleen baseren op de globale begroting van [deskundige] en dus niet op een concrete offerte van een aannemer. Zij hebben in de spreekaantekeningen wel in het algemeen een verklaring gegeven voor een deel van het verschil, maar lang niet voor het geheel. Bij gebrek aan een goede onderbouwing van de schade, schat de kantonrechter die (artikel 6:97 Rv).
2.15.
De deskundige begroot € 1.000,- voor het afplakken en afdekken van de vloeren. De kantonrechter ziet bij een gebrek aan een berekening of onderbouwing niet in waarom dit zo’n grote schadepost is.
Conclusie
2.26.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] € 7.730,- moet betalen aan [eiser 1] en [eiser 2] (€ 8.370,- min € 640,-).
2.27.
De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen. [eiser 1] en [eiser 2] vragen die rente vanaf 3 juni 2022, de dag dat het verzuim is ontstaan. Die eis is op de wet gebaseerd (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW) en wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de expertisekosten betalen
2.28.
[gedaagde] moet ook de kosten vergoeden die [eiser 1] en [eiser 2] hebben gemaakt voor het deskundigenonderzoek. Doordat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en er discussie was over de kwaliteit van het werk, was het redelijk dat [eiser 1] en [eiser 2] een deskundige hebben ingeschakeld. De deskundige heeft daarvoor € 1.742,40 in rekening gebracht. De kantonrechter oordeelt dat dit redelijke kosten zijn, gezien de omvang van het onderzoek en het rapport. [gedaagde] moet daarom die kosten vergoeden (artikel 6:96 lid 2 onder b BW).
2.29.
[eiser 1] en [eiser 2] eisen de wettelijke rente over die kosten vanaf de datum van de factuur van de deskundige, 21 juli 2023. Deze eis is niet betwist en op de wet (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW) gebaseerd en wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten betalen
2.30.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben hun rechtsbijstandsverzekeraar ingeschakeld. Deze heeft verschillende aanmaningen gestuurd en geprobeerd om het geschil buiten een rechtszaak om op te lossen. Zij hebben recht op een vergoeding van de kosten die ze hebben gemaakt (artikel 6:96 lid 2 onder c BW). De kantonrechter wijst een vergoeding van € 921,42 toe, berekend op basis van het toegewezen bedrag (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten).
2.31.
[eiser 1] en [eiser 2] eisen de wettelijke rente over die kosten vanaf de datum dat het verzuim is ontstaan, 3 juni 2022. Deze eis is niet betwist en op de wet (artikel 6:119 en 6:83 onder b BW) gebaseerd en wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.32.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] moet betalen op € 131,90 aan dagvaardingskosten, € 693,- aan griffierecht, € 1.356,- aan salaris voor de gemachtigde (4 punten x € 339,-), € 25,- aan vergoeding voor de getuige en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.340,90. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.33.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser 1] en [eiser 2] dat eisen en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen € 10.393,82 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 8.651,42 vanaf 3 juni 2022 en over € 1.742,40 vanaf 21 juli 2023, tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op € 2.340,90 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
33394
Per 1 januari 2025 is dit artikel veranderd, maar het oude artikel geldt, omdat deze procedure voor 1 januari 2025 is begonnen (artikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht).
Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586, 3.5
Procesverloop
Hij schat deze schade op € 500,-.
2.16.
De deskundige begroot € 1.270,- voor het verwijderen van het behang. De kantonrechter kan zich voorstellen dat met het verwijderen de nodige tijd en moeite gepaard kan gaan. Dit bedrag wijst hij daarom toe.
2.17.
De deskundige heeft € 2.500,- begroot voor ‘voorbewerken stucafwerkingen’. Uit het rapport volgt niet wat daarmee is bedoeld. Het staat vast dat de partijen niet hebben afgesproken dat [gedaagde] de muren ook zou stuken. Zonder verdere toelichting ziet de kantonrechter daarom niet in waarom dit schade is die [gedaagde] zou moeten vergoeden. Dit deel van de schadevergoeding wordt dus afgewezen.
2.18.
Voor het opnieuw behangen en verven van de muren begroot de deskundige de schade op € 7.095,-. Dit is aanmerkelijk meer dan de aanneemsom van € 5.190,-. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daar geen onderbouwing voor gegeven. De kantonrechter schat deze kosten daarom op € 6.000,-. Dit is hoger dan de aanneemsom, omdat algemeen bekend is dat de prijzen ook in de bouwsector de laatste tijd hard zijn gestegen.
2.19.
De deskundige begroot de kosten voor het schoonmaken op € 900,-. Uit het rapport en de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] volgt niet wat er schoongemaakt moet worden. De kantonrechter vindt het wel aannemelijk dat na het verwijderen van het oude behang er een ander schoongemaakt moet worden. Hij schat deze schade op € 500,-.
2.20.
Voor stortkosten begroot de deskundige € 250,-. Die schadepost is niet onderbouwd. Zonder verdere onderbouwing ziet de rechter niet in waarom het afvoeren van het behang € 250,- moet kosten. Hij schat die kosten op € 100,-.
Er is geen sprake van eigen schuld van [eiser 1] en [eiser 2]
2.21.
Volgens [gedaagde] zou een deel van de schade voor rekening van [eiser 1] en [eiser 2] moeten blijven, omdat zij hebben nagelaten om de wanden te laten stuken (artikel 6:101 BW). Op zich staat vast dat [eiser 1] en [eiser 2] dit inderdaad hebben nagelaten, maar de kantonrechter oordeelt dat dit geen reden is om een deel van de schade voor hun rekening te laten. Het is namelijk niet gebleken dat [eiser 1] en [eiser 2] (in tegenstelling tot [gedaagde] ) wisten dat dit nog moest, voor een goed resultaat.
Geen afwijking in verband met redelijkheid en billijkheid
2.22.
[gedaagde] heeft ook nog aangevoerd dat [eiser 1] en [eiser 2] niet meer schadevergoeding kunnen eisen dan € 640,- op grond van artikel 6:248 BW. Waarom dit zo zou zijn heeft hij niet gesteld. Dit verweer slaagt dus ook niet.
[gedaagde] kan € 640,- verrekenen met de schadevergoeding
2.23.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat hij € 640,- kan verrekenen met de schadevergoeding. De partijen hadden namelijk een aanneemsom van € 5.190,- afgesproken. [eiser 1] en [eiser 2] moesten nog € 640,- betalen. Zij hebben ervoor gekozen om de overeenkomst niet te ontbinden, maar vervangende schadevergoeding te vragen. Doordat de overeenkomst nog steeds bestaat, is het uitgangspunt dat zij dit bedrag van € 640,- alsnog moeten betalen.
2.24.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, omdat [gedaagde] dit bedrag heeft kwijtgescholden. [gedaagde] heeft dit in zijn antwoord betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij alleen heeft toegezegd dat zij dit pas hoefden te betalen als wat opleverpunten waren gecorrigeerd. [eiser 1] en [eiser 2] hebben vervolgens niet verder onderbouwd dat dit bedrag onvoorwaardelijk is kwijtgescholden. Dat staat daarom niet vast. Omdat [eiser 1] en [eiser 2] niet langer nakoming van de overeenkomst vragen, moet ook het resterende bedrag worden betaald.
2.25.
[gedaagde] kan deze eis verrekenen met de schadevergoeding die hij moet betalen (artikel 6:127 BW).
Procesverloop
Hij schat deze schade op € 500,-.
2.16.
De deskundige begroot € 1.270,- voor het verwijderen van het behang. De kantonrechter kan zich voorstellen dat met het verwijderen de nodige tijd en moeite gepaard kan gaan. Dit bedrag wijst hij daarom toe.
2.17.
De deskundige heeft € 2.500,- begroot voor ‘voorbewerken stucafwerkingen’. Uit het rapport volgt niet wat daarmee is bedoeld. Het staat vast dat de partijen niet hebben afgesproken dat [gedaagde] de muren ook zou stuken. Zonder verdere toelichting ziet de kantonrechter daarom niet in waarom dit schade is die [gedaagde] zou moeten vergoeden. Dit deel van de schadevergoeding wordt dus afgewezen.
2.18.
Voor het opnieuw behangen en verven van de muren begroot de deskundige de schade op € 7.095,-. Dit is aanmerkelijk meer dan de aanneemsom van € 5.190,-. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daar geen onderbouwing voor gegeven. De kantonrechter schat deze kosten daarom op € 6.000,-. Dit is hoger dan de aanneemsom, omdat algemeen bekend is dat de prijzen ook in de bouwsector de laatste tijd hard zijn gestegen.
2.19.
De deskundige begroot de kosten voor het schoonmaken op € 900,-. Uit het rapport en de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] volgt niet wat er schoongemaakt moet worden. De kantonrechter vindt het wel aannemelijk dat na het verwijderen van het oude behang er een ander schoongemaakt moet worden. Hij schat deze schade op € 500,-.
2.20.
Voor stortkosten begroot de deskundige € 250,-. Die schadepost is niet onderbouwd. Zonder verdere onderbouwing ziet de rechter niet in waarom het afvoeren van het behang € 250,- moet kosten. Hij schat die kosten op € 100,-.
Er is geen sprake van eigen schuld van [eiser 1] en [eiser 2]
2.21.
Volgens [gedaagde] zou een deel van de schade voor rekening van [eiser 1] en [eiser 2] moeten blijven, omdat zij hebben nagelaten om de wanden te laten stuken (artikel 6:101 BW). Op zich staat vast dat [eiser 1] en [eiser 2] dit inderdaad hebben nagelaten, maar de kantonrechter oordeelt dat dit geen reden is om een deel van de schade voor hun rekening te laten. Het is namelijk niet gebleken dat [eiser 1] en [eiser 2] (in tegenstelling tot [gedaagde] ) wisten dat dit nog moest, voor een goed resultaat.
Geen afwijking in verband met redelijkheid en billijkheid
2.22.
[gedaagde] heeft ook nog aangevoerd dat [eiser 1] en [eiser 2] niet meer schadevergoeding kunnen eisen dan € 640,- op grond van artikel 6:248 BW. Waarom dit zo zou zijn heeft hij niet gesteld. Dit verweer slaagt dus ook niet.
[gedaagde] kan € 640,- verrekenen met de schadevergoeding
2.23.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat hij € 640,- kan verrekenen met de schadevergoeding. De partijen hadden namelijk een aanneemsom van € 5.190,- afgesproken. [eiser 1] en [eiser 2] moesten nog € 640,- betalen. Zij hebben ervoor gekozen om de overeenkomst niet te ontbinden, maar vervangende schadevergoeding te vragen. Doordat de overeenkomst nog steeds bestaat, is het uitgangspunt dat zij dit bedrag van € 640,- alsnog moeten betalen.
2.24.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, omdat [gedaagde] dit bedrag heeft kwijtgescholden. [gedaagde] heeft dit in zijn antwoord betwist. Hij heeft aangevoerd dat hij alleen heeft toegezegd dat zij dit pas hoefden te betalen als wat opleverpunten waren gecorrigeerd. [eiser 1] en [eiser 2] hebben vervolgens niet verder onderbouwd dat dit bedrag onvoorwaardelijk is kwijtgescholden. Dat staat daarom niet vast. Omdat [eiser 1] en [eiser 2] niet langer nakoming van de overeenkomst vragen, moet ook het resterende bedrag worden betaald.
2.25.
[gedaagde] kan deze eis verrekenen met de schadevergoeding die hij moet betalen (artikel 6:127 BW).