Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-12
ECLI:NL:RBROT:2025:7374
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,625 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 12 juni 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 23 april 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van 23 april 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni 2025.
Ter zitting van 2 juni 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
de heer [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan omdat verzoeker niet fulltime werkte in verband met de opvang van zijn kinderen. Verzoeker heeft ter zitting meegedeeld dat hij nu wel fulltime werkzaam is. Hij werkt 38 uur per week. Zijn arbeidscontract is verlengd en als verzoeker goed zijn best doet zal het contract worden omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De inkomsten uit arbeid zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Ter zitting is gebleken dat de huur over de maanden april, mei en juni 2025 is betaald. Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schulden en is zich er van bewust dat dit zijn laatste kans is.
3Het verweer
Verweerster heeft ter zitting bevestigd dat de huur over de maanden april, mei en juni 2025 zijn voldaan. Verweerster is blij dat zij in contact is kunnen komen met verzoeker. Verweerster is niet onwelwillend om verzoeker alsnog een kans te geven onder de voorwaarde dat het contact blijft en de huur tijdig wordt voldaan.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 maart 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 1 april 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 29 april 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 maart 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inkomsten uit een fulltime dienstbetrekking. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verweerster heeft ter zitting bevestigd dat de huur over de maanden april, mei en juni 2025 is voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 maart 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 23 april 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2025.