Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-19
ECLI:NL:RBROT:2025:7320
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,353 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1276
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. L.A. Alderlieste),
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. K. Bingöl).
Inleiding
1.1.
Met een besluit van 24 mei 2023 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiseres om compensatie voor al betaalde geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), afgewezen.
1.2.
De minister heeft het door eiseres ingediende bezwaar met een besluit van 18 december 2023 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Eiseres heeft een verzoek gedaan om compensatie voor door haar al betaalde schulden op grond van de Wht. Het betreft schulden aan EDR van (€ 284,24) en aan ABN AMRO (€ 1.800,-). De minister heeft het verzoek afgewezen omdat de schulden niet goed beoordeeld kunnen worden en er, ondanks verzoeken daartoe, geen extra informatie geleverd is om de schulden wel goed te kunnen beoordelen. Met het bestreden besluit is de minister bij de afwijzing gebleven.
3. De minister neemt op aanvraag een geldschuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel. Geldschulden die kunnen worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden en niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Voor leningen is verder van belang dat de hoofdsom slechts wordt overgenomen als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden. Een al betaalde schuld kan mogelijk alsnog in aanmerking komen voor vergoeding als de betrokkene eerst een compensatiebedrag heeft ontvangen en de schuld daarna (gedeeltelijk) heeft betaald.
4. Eiseres heeft als beroepsgrond aangevoerd (zoals verduidelijkt in de brief van haar gemachtigde van 29 januari 2025) dat beide schulden wel degelijk op basis van de reeds beschikbare informatie beoordeeld kunnen worden.
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat betreft de schuld aan EDR bevinden zich in het dossier een aanmaning en een betaalbewijs. De aanmaning is gericht aan een persoon met een andere naam dan die van eiseres. Daarnaast is de betaling aan EDR verricht vanaf een bankrekeningnummer dat niet bij de minister als rekeningnummer van eiseres bekend is. De minister kon daarom niet vaststellen of voldaan is aan de onder 3 genoemde voorwaarden. Dit laatste geldt ook voor de schuld aan ABN AMRO. Deze schuld blijkt slechts uit een notitie van deze schuld in het BKR-register. Eiseres heeft geen stukken verstrekt waaruit blijkt dat sprake is geweest van een betalingsachterstand.
6. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verklaard dat er over de schuld aan ABN AMRO geen nadere onderbouwing verstrekt kan worden. Ten aanzien van de schuld aan EDR heeft de gemachtigde aangeboden nader bewijs aan te leveren. De rechtbank zal de gemachtigde van eiseres hiertoe niet in de gelegenheid stellen. Er is ruimschoots eerder gelegenheid geweest om stukken in te dienen ter onderbouwing van het standpunt van eiseres. In elk geval had uit de beslissing op bezwaar en uit het verweerschrift opgemaakt kunnen worden wat hiervoor nodig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de schulden dus niet overgenomen worden door de minister. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wht.
Artikel 4.1, vierde lid, onder b, van de Wht.
Artikel 4.3, eerste lid, van de Wht.