Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBROT:2025:7252
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,654 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11422775 VZ VERZ 24-9943
datum uitspraak: 28 maart 2025
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
TPS (The Perfect Start) B.V.,
vestigingsplaats: Utrecht,
verzoekster,
verweerster in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
gemachtigden: mr. L.H. Toonen en mr. M. Melo-Kocyigit,
tegen
[persoon A]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerster,
verzoekster in de (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
gemachtigde: mr. L. van Luipen.
De partijen worden hierna ‘TPS’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van TPS (ontvangen op 27 november 2024), met bijlagen;
het verweerschrift van [persoon A] met (voorwaardelijke) tegenverzoeken;
de brieven van partijen van 31 januari 2025, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van partijen.
1.2.
Op 6 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon B] ( [naam functie 1] ) en [persoon C] ( [naam functie 2] ) voor TPS met de gemachtigden en [persoon A] met haar gemachtigde.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
De arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden met ingang van
1 mei 2025, vanwege verwijtbaar handelen van [persoon A] . Dit gebeurt ondanks ziekte en zwangerschap van [persoon A] . [persoon A] heeft recht op doorbetaling van haar loon tot genoemde datum. Zij heeft dan ook recht op een eindafrekening en de uitbetaling van de niet genoten vakantiedagen en het opgebouwde vakantiegeld. Zij heeft dan tevens recht op transitievergoeding van € 15.725,10 bruto want er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen. Daaraan heeft TPS zich ook niet schuldig gemaakt, zodat [persoon A] geen billijke vergoeding wordt toegekend. Evenmin wordt grond gezien om te bepalen dat TPS geen beroep toekomt op het overeengekomen concurrentiebeding en het relatiebeding en dat TPS aan [persoon A] de werkelijke proceskosten dient te vergoeden. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Redelijke grond: verwijtbaar handelen
2.2.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, omdat is voldaan aan de voorwaarden voor opzegging. Geoordeeld wordt namelijk dat [persoon A] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van TPS in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:671b, lid 1, onder a, en lid 2, in samenhang met artikel 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder e, BW). Het verwijtbare handelen betreft het onjuist informeren van collega’s over het hebben ingediend van een projectvoorstel bij een belangrijke klant van TPS, terwijl dat niet was gebeurd. Ook betreft het de wijze waarop [persoon A] vervolgens gereageerd heeft na hiermee te zijn geconfronteerd. In dit verband is het volgende van belang.
2.3.
Niet in geschil is dat TPS op 23 september 2024 twee projectaanvragen ontvangen heeft van een belangrijke klant met wie zij al lange tijd zaken doet. Beide aanvragen betroffen de werving en selectie van personeel. Op 3 oktober 2024 is projectaanvraag 1 ingetrokken, omdat de klant geen capaciteit had om nieuw personeel op te leiden. Projectaanvraag 2 is voortgezet. Volgens TPS heeft de klant vervolgens een nieuwe projectaanvraag 1 gedaan, gericht op de werving en selectie van nieuwe medewerkers die TPS zou (laten) opleiden. Volgens [persoon A] is dat op haar initiatief gebeurd. Hoe dat is gegaan kan echter in het midden blijven. Waar het om gaat, is dat TPS zich is gaan inzetten om de klant op deze wijze van het benodigde personeel te voorzien. Er liepen op dat moment dus twee trajecten voor projectvoorstellen aan de klant, wat steun vindt in notulen van een salesoverleg van 15 oktober 2024.
2.4.
Vaststaat dat [persoon A] in de uitoefening van haar functie als business unit manager samen met een externe kracht vanaf week 2 van oktober gewerkt heeft aan projectvoorstel 1 om de klant te voorzien in de behoefte aan personeel, waarbij een derde partij betrokken zou worden bij de opleiding van het personeel om te kunnen werken als consulent. Onbetwist is dat de externe kracht door middel van financiële input de basis zou leggen voor de businesscase en dat [persoon A] die zou aanvullen na overleg met de externe opleider en de klant. [persoon A] was verantwoordelijk voor de afronding en de indiening van het projectvoorstel bij de klant. De externe kracht heeft op 16 oktober 2024 zijn input geleverd en op 18 oktober 2024 via WhatsApp aan [persoon A] gevraagd of zij naar het voorstel had kunnen kijken.
Op 21 oktober 2024 heeft [persoon A] hem laten weten ernaar gekeken te hebben maar er nog niets mee te hebben gedaan en te verwachten in de middag meer tijd te hebben. Op 22 oktober 2024 heeft [persoon A] het concept voorstel besproken met de externe kracht, waarbij zij volgens TPS aan hem te kennen heeft gegeven het projectvoorstel op 25 oktober 2024 te zullen indienen bij de klant. [persoon A] zelf zegt dat dat het streven was. Het projectvoorstel is toen echter niet ingediend. Op 25 oktober 2024 is overleg gevoerd tussen [persoon A] en de externe kracht, waarbij zij hem heeft meegedeeld dat het projectvoorstel waarschijnlijk op maandag 28 oktober 2024 bij de klant zou worden neergelegd. Daarnaar gevraagd door de externe kracht is hem op 30 oktober 2024 duidelijk gemaakt dat [persoon A] het projectvoorstel de maandag daarvoor niet had afgemaakt en verzonden naar de klant.
2.5.
TPS heeft onderbouwd gesteld dat in de tussentijd op 24 oktober 2024 een salesoverleg heeft plaatsgevonden waarbij [persoon A] heeft gezegd dat beide projectvoorstellen waren ingediend. Op die dag is bij mail een salesupdate gedaan aan medewerkers van de afdeling sales en anderen waarbij is meegedeeld dat de projectvoorstellen bij de klant zijn ingeleverd. TPS heeft ook onderbouwd gesteld dat op 29 oktober 2024 weer een salesoverleg heeft plaatsgevonden en dat [persoon A] ook bij die gelegenheid heeft gezegd dat beide projectvoorstellen waren ingediend.
2.6.
Op 30 oktober 2024 heeft [persoon A] contact gehad met de klant, waarbij haar is meegedeeld dat TPS het project niet zou krijgen, omdat de klant al gekozen had voor een andere aanbieder. Diezelfde dag heeft zij hierover gesproken met de salesmanager [persoon D] en met de externe kracht en de externe opleider. Toen heeft [persoon A] verteld dat zij het projectvoorstel niet had ingediend. Vervolgens is TPS op 31 oktober 2024 overgegaan tot schorsing van [persoon A] voor nader onderzoek. In reactie hierop heeft [persoon A] bezwaar gemaakt tegen de schorsing, waarbij zij heeft weersproken te hebben gelogen over het indienen van het project. [persoon A] heeft erop gewezen dat haar wordt verweten dat zij tijdens het salesoverleg van 24 oktober 2024 heeft verteld het project te hebben ingediend, maar dat sprake was van verwarring met een tweede project voor de klant dat zij op 23 oktober heeft ingediend. Volgens [persoon A] heeft zij [persoon D] niet misleid maar zijn twee projecten door elkaar gehaald.
2.7.
Tegen deze achtergrond onderschrijft de kantonrechter het standpunt van TPS dat [persoon A] kwalijk kan worden genomen dat zij het projectvoorstel 1 niet heeft ingediend. Meermaals is door de externe kracht geïnformeerd naar de stand van zaken en telkens heeft dat niet geleid tot indiening van het voorstel bij de klant. Het is voor [persoon A] duidelijk geweest wat moest gebeuren. Waar [persoon A] mee bezig is geweest, was niet vrijblijvend, ook omdat TPS in de betreffende periode al was overgegaan tot de werving en selectie van nieuwe medewerkers om opgeleid te gaan worden voor de klant. Het kan zijn dat haar tijd in beslag werd genomen door andere werkzaamheden, maar van iemand in haar positie had mogen worden verwacht dat zij aan de bel zou trekken dat het niet op tijd ging lukken met projectvoorstel 1. Deze omstandigheden zijn op zichzelf misschien nog niet voldoende om te komen tot een einde van het dienstverband. De mededelingen van [persoon A] in de salesoverleggen van 24 en 29 oktober 2024 dat beide projectvoorstellen waren ingediend, maken dat echter anders. Voldoende is namelijk komen vast te staan dat zij dat heeft gezegd, terwijl zij wist dat het niet was gebeurd. Dat levert zodanig verwijtbaar handelen op dat van TPS in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij wordt ook meegenomen dat TPS erop mocht vertrouwen dat het voorstel was ingediend, omdat met het oog daarop al nieuwe medewerkers waren geworven en opgeleid.
Opzegverboden
2.8.
Hoewel [persoon A] op dit moment ongeschikt is voor het verrichten van haar werk wegens ziekte en zij zwanger is, staan deze opzegverboden niet aan het verzoek tot ontbinding in de weg. Zij houden hiermee namelijk geen verband, alleen al omdat beide pas zijn opgekomen na de verweten gedragingen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2025;
3.2.
veroordeelt TPS om aan [persoon A] te betalen:
€ 6.000,- bruto per maand aan loon (onder aftrek van de WaZo-uitkering) tot 1 mei 2025;
€ 15.725,10 bruto aan transitievergoeding;
de door haar niet genoten vakantiedagen en opgebouwde vakantietoeslag op de eerstvolgende gebruikelijke datum van loonbetaling na 1 mei 2025, met verstrekking aan [persoon A] van een deugdelijke bruto-netto specificatie daarvan;
3.3.
bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
465