Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-13
ECLI:NL:RBROT:2025:7250
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
2,247 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11525631 VV EXPL 25-66
datum uitspraak: 13 maart 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,
beiden woonplaats: [woonplaats 1] , en
3. [eiser 3] ,
woonplaats: [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 1] ,
eisers,
gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
woonplaats: Rotterdam
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 3] , gemeente [gemeente 2] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. M. Kool.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’, ‘ [eiser 3] ’ en ‘ [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 februari 2025, met bijlagen en de aanvullende bijlagen;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1.2.
Op 25 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , in het bijzijn van [persoon A] (hierna: [persoon A] ), met mr. Hehenkamp,
[persoon B] , namens beheerder YouSpace B.V., met mr. Kool.
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
Op 20 december 2019 is een huurovereenkomst gesloten tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [eiser 1] ten aanzien van de zelfstandige woonruimte in de [adres] te Rotterdam. De huurprijs inclusief voorschot als vergoeding voor zaken en diensten is toen bepaald € 1.095,- per maand. In de op schrift gestelde huurovereenkomst is vermeld dat het [eiser 1] is toegestaan om de woonruimte gedeeltelijk te onderverhuren aan [eiser 2] en [persoon A] . Ook is bepaald dat onderverhuur aan andere personen uitsluitend is toegestaan met schriftelijke instemming van de verhuurder. In verband met het vertrek van [persoon A] uit de woning heeft [eiser 1] zich gewend tot YouSpace om toestemming te vragen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te mogen onderverhuren aan [eiser 3] . Daarmee is niet ingestemd, ook niet nadat de gemachtigde [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiertoe heeft aangeschreven. Vervolgens is tot dagvaarden overgegaan.
2.2.
Geëist wordt - kort gezegd - dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld om:
primair,
te gedogen dat de gewenste huurderswissel doorgang vindt en dat [eiser 3] als (onder)huurder de vrijgekomen kamer zal bewonen en door middel van een allonge zal toetreden tot de bestaande huurovereenkomst;
het ‘voordrachtrecht’ van artikel 12.1 van de huurovereenkomst te respecteren totdat in een bodemprocedure onherroepelijk de rechten en verplichtingen van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] vastgesteld zijn;
subsidiair, voor het geval geen huurderswissel mag en kan plaatsvinden,
- de maandelijkse huurprijs met ingang van het vertrek van [persoon A] per 31 december 2024 te verminderen met één derde deel;
een en ander met dwangsommen,
en met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten.
2.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het hiermee niet eens.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
Beoordeling
2.4.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben bij toewijzing van de eisen worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Afwijzing eisen, want geen spoedeisend belang
2.5.
De kantonrechter wijst de eisen af, reeds omdat niet is komen vast te staan dat [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorzieningen. Dat spoedeisend belang is namelijk betwist en anders dan hun gemachtigde stelt volgt dat in dit geval niet uit de aard van de zaak. Wat in de dagvaarding op dit punt is gesteld, namelijk dat [eiser 1] en [eiser 2] door het vertrek van [persoon A] de huurprijs met zijn tweeën in plaats van met zijn drieën moeten opbrengen, levert op zichzelf genomen geen spoedeisend belang op. Niet gesteld is hoe hoog de maandhuur nu is, maar uitgaande van het bedrag van € 1.095,- dat in de huurovereenkomst staat, brengt het vertrek van [persoon A] met zich dat ieder van hen nog geen € 200,- per maand extra moet betalen aan huur, ervan uitgaande dat zij gelijkelijk bijdragen aan de huur die [eiser 1] maandelijks voldoet. Dat komt neer op minder dan € 600,- aan huur per persoon per maand. Financiële gegevens zijn niet verstrekt, maar beiden hebben inkomen uit arbeid. Zonder nadere informatie hierover, die ontbreekt, valt niet in te zien dat door het niet instemmen met [eiser 3] als onderhuurder hun financiële situatie nu dermate knelt dat een spoedeisend belang kan worden aangenomen en een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
2.6.
Hierbij wordt meegewogen dat niet aannemelijk is dat de eisen in een bodemprocedure worden toegewezen. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] hebben zich voor hun standpunt voornamelijk gebaseerd op een uitspraak van de kantonrechter in een kort geding tussen andere partijen, maar zaken kunnen verschillen en in die zaak werd het spoedeisend belang niet betwist. Dat wat in de onderhavige procedure naar voren is gebracht, lijkt niet tot het oordeel te kunnen leiden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in redelijkheid niet hebben mogen weigeren in te stemmen met [eiser 3] als onderhuurder. Anders dan betoogd, bevat artikel 12.1 van de huurovereenkomst geen clausule die bestempeld zou kunnen worden als een ‘voordrachtrecht’ van huurder. Bepaald is dat onderverhuur aan andere personen uitsluitend is toegestaan met schriftelijke instemming van de verhuurder. Die ontbreekt. Ter zitting is meegedeeld dat de ontstane situatie inherent is aan wat tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [eiser 1] is overeengekomen en dat het bepaalde in artikel 12.1 niet meebrengt dat de weigering om in te stemmen met een onderhuurder gemotiveerd moet worden. Dat valt inderdaad niet te lezen in die bepaling, maar in het kader van de, jarenlange, overeenkomst waarin het [eiser 1] eerder wel is toegestaan om aan twee personen te onderverhuren had enige toelichting bij de weigering om in te stemmen op zijn plaats geweest. Daarom is meermaals verzocht, maar een reactie is uitgebleven. De toelichting ter zitting dat men geen nieuwe onderhuurder wil met het oog op allerhande wetswijzigingen en gemeentelijke regelgeving, is niet onbegrijpelijk en was misschien voldoende geweest voor [eiser 1] om zich bij de weigering neer te leggen.
2.7.
Wat [eiser 2] en [eiser 3] betreft, geldt nog dat uit de dagvaarding niet blijkt wat de grondslag is voor hun eisen, terwijl ertegen aangevoerd is dat zij geen huurrelatie hebben met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Ter zitting is dit door hen evenmin voldoende beargumenteerd en is die evenmin anderszins gebleken. De huurovereenkomst is gesloten tussen [eiser 1] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Het kan zo zijn dat [eiser 3] inmiddels een half jaar uitkijkt naar het hebben van een kamer in de woonruimte en dat dit en het reizen tussen Lepelstraat en Rotterdam voor zijn studie hem frustreert en tot studievertraging leidt, maar dat levert in rechte geen basis op voor zijn eisen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
Proceskosten
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt de kosten die zij aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten betalen vast op € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 678,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eisen af;
3.2.
veroordeelt [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden vastgesteld op € 678,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465