Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-30
ECLI:NL:RBROT:2025:7249
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,628 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11334142 CV EXPL 24-24884
datum uitspraak: 30 mei 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.H.P. Dingenouts,
tegen
[gedaagde] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon A] en [persoon B]
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 23 september 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de email van [eiseres] van 21 maart 2025, met bijlagen;
de email van [eiseres] van 28 maart 2025, met een bijlage;
de spreekaantekeningen van [eiseres] .
1.2.
Op 2 april 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiseres] met haar gemachtigde en namens [gedaagde] [persoon A] (bestuurder) en [persoon B] (beheermedewerker).
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiseres] huurde een kamer in de woning aan de [adres] in Rotterdam (hierna: de woning) van 1 maart 2023 tot en met 31 augustus 2023 voor € 600,00 per maand. Op 12 juli 2023 heeft zij de Huurcommissie verzocht om deze huur te beoordelen. De Huurcommissie heeft geoordeeld dat een huur van € 214,66 redelijk is. Volgens [eiseres] was zij de huurovereenkomst aangegaan met [gedaagde] . Zij vordert daarom de onverschuldigd betaalde huur en de waarborgsom terug van [gedaagde] . [gedaagde] is het daarmee niet eens. De vordering wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Huurovereenkomst?
2.2.
De vraag die hier centraal staat is of [gedaagde] als verhuurder partij is bij de huurovereenkomst met [eiseres] dan wel als zodanig moet worden aangemerkt. [eiseres] vindt van wel en heeft als onderbouwing onder andere twee huurcontracten overgelegd. In het contract dat ziet op de kamer die zij huurde, is [persoon C] vermeld als eigenaar. Op het andere contract, dat ziet op een andere huurder en een andere kamer in dezelfde woning, staat [gedaagde] als eigenaar. Beide contracten vermelden als vertegenwoordigers [bedrijf A] . (hierna: [bedrijf A] ) en [persoon D] (hierna: [persoon D] ) en zijn ondertekend namens [bedrijf A] .
2.3.
[eiseres] heeft erop gewezen dat uit het kadester blijkt dat de vermelding van [persoon C] als eigenaar een vergissing is en dat [gedaagde] als eigenaar van de woning staat geregistreerd. Volgens [eiseres] mag zij daarom, ook gelet op het andere huurcontract, ervan uitgaan dat zij haar huurovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde] als eigenaar en dat [bedrijf A] of [persoon D] namens [gedaagde] heeft gehandeld. Dit vindt volgens haar bevestiging in de uitspraak van de Huurcommissie waarin [gedaagde] als verhuurder wordt genoemd, waarbij nog komt dat deze uitspraak tussen partijen vast is komen te staan.
2.4.
[gedaagde] betwist dat zij een huurovereenkomst heeft gesloten met [eiseres] dan wel dat zij [persoon D] of [bedrijf A] heeft gemachtigd om namens haar als vertegenwoordiger op te treden. [gedaagde] heeft toegelicht dat zij in 2021 en 2022 een aantal woningen in verhuurde staat heeft gekocht, waarvan [persoon D] een van de huurders was. Toen is de woning aan [persoon D] verhuurd. Hij is deze vervolgens per kamer gaan onderverhuren, ook aan [eiseres] . [persoon D] was echter niet gemachtigd om dit namens [gedaagde] te doen en [gedaagde] was hier ook niet van op de hoogte. Daarom is zij van mening dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de vordering van [eiseres] .
2.5.
Geoordeeld wordt dat niet kan worden vastgesteld dat [eiseres] haar huurovereenkomst met [gedaagde] heeft gesloten. Het huurcontract biedt daarvoor geen steun, omdat daarin [persoon C] als eigenaar is genoemd, vertegenwoordigd door [bedrijf A] of [persoon D] . Het enkele gegeven dat [gedaagde] de eigenaar van de woning is maakt niet zonder meer dat ervan kan en moet worden uitgegaan dat [bedrijf A] of [persoon D] een volmacht hadden om namens [gedaagde] de kamer te verhuren. Enige onderbouwing voor het bestaan van zo’n volmacht ontbreekt. Dat [gedaagde] in een ander huurcontract als eigenaar staat genoemd, is daarvoor onvoldoende.
Schijn van vertegenwoordiging
2.6.
Voor zover [eiseres] zich beroept op de schijn van vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 3:61 BW kan haar dat evenmin baten. Niet valt in te zien dat en waarom [eiseres] vanwege het overdragen van sleutels door [bedrijf A] of [persoon D] en de beschikking krijgen over de kamer redelijkerwijze mocht aannemen dat [gedaagde] een toereikende volmacht had verleend. Welke verklaring of gedraging van [gedaagde] daaraan zou hebben bijgedragen, is ook niet duidelijk geworden. Op zitting heeft [eiseres] namelijk verteld dat zij contact had met [persoon D] en de huur betaalde aan [bedrijf A] van wie zij maandelijks een betaallink ontving en dat zij pas via het huurcontract van de andere huurder bekend werd met het bestaan van [gedaagde] . Deze omstandigheden zijn onvoldoende om de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te nemen. De conclusie is dus [gedaagde] niet als contractspartij van [eiseres] kan worden aangemerkt. Haar vorderingen worden daarom afgewezen
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op nihil.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
48436