Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-14
ECLI:NL:RBROT:2025:6830
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,890 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11320301 CV EXPL 24-24189
datum uitspraak: 14 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [naam bedrijf],
woonplaats: Spijkenisse,
eiser in conventie,
verweerder in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. W. Suttorp,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiser in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. N. Claassen.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 4 september 2024, met bijlagen;
het antwoord met eis in voorwaardelijke reconventie (tegeneis), met bijlagen;
de nadere productie van [gedaagde];
1.2.
Op 12 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting met beide partijen en de gemachtigden besproken. Ook was aanwezig de moeder van [gedaagde].
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft op 30 april 2024 van [eiser] een auto gehuurd voor € 300,-. [gedaagde] is tijdens de huurperiode met de auto betrokken geraakt bij een ongeval. De politie heeft de auto na het ongeval in beslag genomen. [eiser] heeft de auto op 9 mei 2024 teruggekregen. [eiser] eist dat [gedaagde] € 9.200,- met rente en kosten betaalt. Dit bedrag bestaat uit het restant van de huur (€ 150,-), kosten voor het wegtakelen van de auto (€ 250,-), schade aan de auto (€ 4.000,-) en gederfde huur (€ 4.800,-). [gedaagde] is het niet eens met de eis. De kantonrechter wijst de eis van [eiser] voor het grootste deel af. [gedaagde] moet nog wel het restant van de huur betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet het restant van de huur betalen
2.2.
[gedaagde] moet het restant van de huur van € 150,- nog aan [eiser] betalen. Hij heeft, tegenover de betwisting van [eiser], onvoldoende onderbouwd dat hij na de aanbetaling van € 150,- nog € 150,- heeft betaald.
[gedaagde] hoeft geen schadevergoeding te betalen
2.3.
[gedaagde] is een consument en de tussen partijen gesloten huurovereenkomst is een consumentenovereenkomst. De belangrijkste elementen van de overeenkomst, zoals het type auto, de huurprijs en de huurperiode, zijn telefonisch overeengekomen. De auto is op straat afgeleverd. Voor een dergelijke overeenkomst geldt dat moet zijn voldaan aan de informatieplichten zoals neergelegd in artikel 6:230m BW. Op grond van dit artikel moet onder meer informatie worden gegeven over de totale prijs van de zaken of diensten en eventuele andere kosten of, als deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn.
2.4.
Ook moeten bedingen in een consumentenovereenkomst duidelijk en begrijpelijk zijn (artikel 6:238 lid 2 BW). Gelet op artikel 5 van de EG-richtlijn over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten beperkt dit artikel zich niet tot algemene voorwaarden. Bij twijfel over de betekenis van een bepaald beding prevaleert de voor in dit geval [gedaagde] gunstigste uitleg.
2.5.
[eiser] stelt dat een eigen risico van € 25.000,- is overeengekomen en beroept zich op de als productie 1 bij dagvaarding in het geding gebrachte schriftelijke huurovereenkomst. [gedaagde] heeft verklaard dat bij de aflevering van de auto op straat met de laptop een contract werd opgemaakt. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit het document is dat [eiser] heeft overgelegd. De kantonrechter gaat er bij de beoordeling daarom van uit dat deze overeenkomst tussen partijen geldt.
2.6.
In deze overeenkomst staat:
“Eigen Risico (ER): € 0,00 per schade
ER verminderd tot € 25.000,00 per schade
Premie verlaging ER: N.V.T.”
[eiser] heeft aangevoerd dat de tekst van de overeenkomst duidelijk is en dat het betekent dat er een eigen risico gold van € 25.000,- per schade. Dat kan echter niet direct uit de tekst van deze overeenkomst worden afgeleid. Om te beginnen staat er dat het eigen risico “€ 0,00 per schade” is. In de volgende regel staat “ER verminderd tot”, dus dat het eigen risico verminderd wordt, terwijl [eiser] kennelijk bedoelt dat het eigen risico verhoogd wordt. De daarop volgende regel “Premie verlaging ER: N.V.T.” maakt het geheel ook niet duidelijker. Hieruit volgt dat de uitleg die [gedaagde] heeft gegeven, namelijk dat hij geen eigen risico voor schade had, moet worden gevolgd. Dat geldt temeer omdat niet is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m BW.
2.7.
Gelet op het voorgaande wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de voorwaardelijke eis in reconventie.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.8.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [eiser] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om de openstaande hoofdsom binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). In de brief die aan [gedaagde] is gestuurd staat een te hoog bedrag aan hoofdsom. De brief voldoet dus niet aan de wet.
[gedaagde] moet rente betalen
2.9.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.10.
De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat partijen hun eigen kosten dragen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 150,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 3 juni 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
26975