Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBROT:2025:6748
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,705 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11444237 CV EXPL 24-31505
datum uitspraak: 28 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: H.A.M. Over de Vest,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
eiser in verzet
gemachtigde: mr. J. Pearson.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 9 oktober 2024, met bijlagen;
het verstekvonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2024 met zaaknummer 11356035 \ CV EXPL 24-25794 (hierna: het verstekvonnis);
de verzetdagvaarding van 27 november 2024, met bijlagen;
1.2.
Op 25 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer H.A.M. Over de Vest als gemachtigde van [eiseres] en mr. J. Pearson als gemachtigde van [gedaagde] .
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiseres] is in oktober 2024 deze procedure gestart tegen [gedaagde] . In deze procedure heeft [eiseres] gesteld dat sprake is van een huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] met betrekking tot de woning aan [adres 1] te [plaats] . Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan. [eiseres] eist daarom dat [gedaagde] deze huurachterstand moet betalen met rente en kosten. Ook eist [eiseres] dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de woning moet ontruimen. Voorts stelt [eiseres] dat, voordat [gedaagde] aan het bovengenoemde adres woonde, hij eerst een huurovereenkomst met [eiseres] had ten aanzien van het adres aan [adres 2] te [plaats] . Ook ten aanzien van dit adres heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan. Verder is volgens [eiseres] bij de eindinspectie van deze woning geconstateerd dat herstelwerkzaamheden uitgevoerd moeten worden omdat [gedaagde] de woning niet in de originele staat heeft opgeleverd. [eiseres] eist daarom verder dat [gedaagde] ook wordt veroordeeld in het betalen van zowel de huurachterstand die nog open staat op het adres aan [adres 2] als de kosten van de herstelwerkzaamheden. Tegen [gedaagde] is verstek verleend en de vorderingen van [eiseres] zijn, met uitzondering van de incassokosten en rente, toegewezen in het verstekvonnis.
2.2.
[gedaagde] is van mening dat hij ten onrechte bij verstek is veroordeeld. Allereerst betwist hij de hoogte van de huurachterstand, omdat hij inmiddels meerdere keren een bedrag aan de gemachtigde van [eiseres] heeft betaald. Verder voert hij aan dat hij een financieel lastige periode achter de rug heeft, waardoor betalingsproblemen zijn ontstaan. Inmiddels heeft hij weer een stabiel inkomen waardoor de lopende huur weer kan worden betaald. Ook heeft hij hulp gezocht voor zijn schulden. Tot slot stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de melding die [eiseres] heeft gemaakt conform het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening niet voldoet aan de Beleidsregels van de Rechtbank Rotterdam. [gedaagde] verzoekt de kantonrechter het verstekvonnis te vernietigen en de eis van [eiseres] af te wijzen.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 8.205,18 betalen
2.3.
[eiseres] heeft tijdens de zitting een actuele specificatie overgelegd van de betalingsachterstand van [gedaagde] . Deze specificatie ziet zowel op de huurachterstand als op de kosten van de herstelwerkzaamheden die [eiseres] heeft gevorderd. De betalingsachterstand bedroeg op dat moment € 8.205,18, berekend tot en met februari 2025. Bij berekening van deze achterstand is rekening gehouden met de bedragen die [gedaagde] inmiddels heeft betaald. [gedaagde] heeft de hoogte van de betalingsachterstand tijdens de mondelinge behandeling niet betwist. Dit betekent dat – in afwijking van het verstekvonnis – een bedrag van € 8.205,18 wordt toegewezen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.4.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan van ruim negen maanden. Gedurende deze procedure is de huurachterstand alleen maar verder opgelopen doordat [gedaagde] ook de lopende huur niet heeft betaald. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden die volgens [gedaagde] hebben geleid tot deze betalingsproblemen kunnen – hoe vervelend deze ook zijn – niet aan [eiseres] worden tegengeworpen. Deze persoonlijke omstandigheden betekenen niet dat [gedaagde] de huur niet meer hoeft te betalen. Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] zodanig ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, dat dit de door [eiseres] gevorderde en bij verstekvonnis toegewezen ontbinding rechtvaardigt.
2.5.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de ontbinding moet worden afgewezen nu de melding die [eiseres] heeft gemaakt in het kader van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening niet voldoet aan de beleidsregels. [eiseres] heeft op 15 maart 2024 een melding gedaan bij de gemeente. De dagvaarding is op 9 oktober 2024 uitgebracht. De melding is dus ouder dan zes maanden. De kantonrechter is van oordeel dat dit in de onderhavige situatie niet in de weg kan staan aan de ontbinding van de huurovereenkomst. [eiseres] heeft toegelicht dat de melding door de gemeente is afgerond omdat [gedaagde] niet kon worden bereikt of geen hulp heeft willen aanvaarden. Kort daarna heeft [gedaagde] een betalingsregeling getroffen met [eiseres] , die hij vervolgens niet is nagekomen. Omdat [eiseres] er aanvankelijk op vertrouwde dat de betalingsregeling zou worden nagekomen, heeft het langer dan zes maanden geduurd voordat zij [gedaagde] heeft gedagvaard. Dat [gedaagde] dat vertrouwen heeft geschonden kan niet aan [eiseres] worden tegengeworpen. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [gedaagde] niet is geschaad doordat [eiseres] iets meer dan zes maanden heeft laten verstrijken voordat zij tot dagvaarding is overgegaan.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.6.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. [gedaagde] moet tot en met de dag van de ontruiming een gebruiksvergoeding van € 650,47 per maand betalen (artikel 7:225 BW). [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
2.7.
Omdat het toegewezen bedrag aan huurachterstand in dit vonnis is berekend tot en met februari 2025, zal de gebruiksvergoeding- in afwijking van het verstekvonnis- worden toegewezen vanaf de maand maart 2025.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
2.8.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de algemene voorwaarden van [eiseres] staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling (artikel 17.1). Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [eiseres] daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete van € 50,- per dag moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [eiseres] wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.9.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
vernietigt het verstekvonnis van de kantonrechter in deze rechtbank van 31 oktober 2024 met zaaknummer 11356035 \ CV EXPL 24-25794 voor zover [gedaagde] daarin is veroordeeld om aan [eiseres] te betalen:
€ 5.171,82 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand september 2024;
€ 650,47 per maand vanaf de maand oktober 2024 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
3.2.
in zoverre opnieuw rechtdoende, veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen:
€ 8.205,18 aan achterstallige huur berekend tot en met februari 2025;
€ 650,47 per maand vanaf de maand maart 2025 tot en met de dag dat waarop de ontruiming plaatsvindt;
3.3.
bekrachtigt het op 31 oktober 2024 met zaaknummer 11356035 \ CV EXPL 24-25794 gewezen verstekvonnis voor het overige;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de verzetprocedure, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 474,-;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
64362
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)