Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-21
ECLI:NL:RBROT:2025:6672
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,683 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11220252 CV EXPL 24-17968
datum uitspraak: 21 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [naam].
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 6 mei 2024, met bijlagen;
het antwoord en aanvullend antwoord, met bijlagen;
de brief van 21 augustus 2024 aan de zijde van [gedaagde];
de brief van 8 november 2022 aan de zijde van VGZ, met een bijlage;
de e-mail ter rolle van 28 januari 2025 aan de zijde van [gedaagde];
de akte ter rolle van 28 januari 2025 aan de zijde van VGZ, met bijlagen.
1.2.
Op 22 november 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
aan de zijde van VGZ: mr. Ackermans namens Flanderijn;
[gedaagde] met [naam] (werkzaam bij Stichting Timon).
1.3.
Op 27 februari 2025 heeft [gedaagde] een e-mail naar de rechtbank gestuurd met daarin het verzoek om een nadere datum voor reactie te bepalen, nu zij niet op de rolzitting van 25 februari 2025 is verschenen. Op 26 februari 2025 is echter al vonnis bepaald, waardoor deze e-mail van [gedaagde] buiten behandeling is gebleven.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft bij VGZ een zorgverzekering afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moet zij elke maand premie en een deel van haar eigen risico, ongeacht haar ziektekosten, aan VGZ betalen. Volgens VGZ heeft [gedaagde] de zorgpremie en het eigen risico van de maanden december 2022, november 2023 en december 2023 niet (volledig) betaald. VGZ wil dat [gedaagde] dat bedrag alsnog betaalt. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, wil VGZ ook dat [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente betaalt.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij voert aan dat zij nog een verrekeningsvordering heeft op VGZ. Zij is namelijk een pakket met VGZ overeengekomen waarbij zij elke maand ongeacht haar ziektekosten een deel van haar eigen risico moet betalen. Als zij aan het einde van het jaar niet daadwerkelijk haar gehele eigen risico heeft verbruikt, krijgt zij het bedrag dat zij aan eigen risico te veel heeft betaald terug of wordt dit bedrag verrekend met openstaande vorderingen van VGZ. Volgens [gedaagde] heeft VGZ ten onrechte het door haar te veel betaalde eigen risico niet verrekend.
[gedaagde] moet € 428,80 aan achterstallige premie betalen
2.3.
[gedaagde] moet € 428,80 aan achterstallige premie betalen, omdat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] haar premie over de maanden december 2022, november 2023 en december 2023 moet betalen en de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagde] geen verrekeningsvordering op VGZ heeft. Hierna wordt toegelicht waarom.
2.4.
[gedaagde] stelt bij antwoord dat zij een verrekeningsvordering heeft omdat de kosten van een behandeling die zij niet heeft gehad, ten onrechte zijn afgetrokken van het bedrag dat zij aan eigen risico vooruit heeft betaald en normaliter dus terug zou krijgen. Bij de akte ter rolle van 28 januari 2025 erkent zij dat zij die behandeling wel heeft gehad. Nu [gedaagde] deze behandeling wel heeft gehad en de kosten daarvan terecht zijn afgetrokken van het bedrag dat zij aan eigen risico vooruit heeft betaald, is de kantonrechter van oordeel dat zij geen verrekeningsvordering heeft.
[gedaagde] moet incassokosten van € 77,83 betalen
2.5.
De incassokosten van € 77,83 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
2.6.
De rente wordt toegewezen, omdat VGZ genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan VGZ moet betalen de rente van € 18,11 die VGZ heeft berekend tot en met 5 mei 2025. Daarnaast moet [gedaagde] de rente conform artikel 6:119 BW betalen over een bedrag van € 428,80 vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan VGZ moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 328,00 aan griffierecht, € 337,50 aan salaris voor de gemachtigde (2.5 punten x € 135,00) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 870,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VGZ dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 524,74 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119BW over een bedrag van € 428,80 vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VGZ worden begroot op € 870,39;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64266