Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-20
ECLI:NL:RBROT:2025:6546
Civiel recht
Wraking
1,850 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[naam verzoeker]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.P.G. Rietbergen,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met zaak- en rekestnummer C/10/690620 / JE RK 24-2618 (‘de hoofdzaak’). De hoofdzaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot opheffing van de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen van verzoeker. Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal van de op 14 februari 2025 gehouden mondelinge behandeling in de hoofdzaak, inhoudende het wrakingsverzoek dat verzoeker voorafgaand aan die mondelinge behandeling per e-mail heeft ingediend;
de schriftelijke reactie van de rechter van 3 april 2025;
de reactie van verzoeker van 9 april 2025 op de schriftelijke reactie van de rechter;
de verschillende e-mails tussen verzoeker en de algemeen secretaris van de wrakingskamer.
1.3.
De algemeen secretaris van de wrakingskamer heeft verzoeker gevraagd of hij prijs stelt op een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek. In reactie op dat verzoek heeft verzoeker niet aangegeven dat hij daar prijs op stelt. Er heeft om die reden geen mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. De wrakingskamer doet uitspraak op basis van de schriftelijke dossierstukken.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
In het proces-verbaal van de op 14 februari 2025 gehouden mondelinge behandeling in de hoofdzaak wordt een e-mail van verzoeker geciteerd, waaruit blijkt dat verzoeker de rechter wil wraken. Het citaat luidt als volgt:
“Ps. Middels dit schrijven wordt de rechtbank ook verzocht tot het wraken van de rechter die nu onze casus doet behandelen. Redenen waarom:
- Bewust de belangrijkste getuigen weigeren.
- Bewust alle verzoeken heeft doen negeren.
- Totaal geen belangstelling heeft voor de feitelijke onjuiste documentatie die WEDEROM is ingediend door JBRR/LET.
- Het feit dat mevrouw [persoon A] geen rechter is is absoluut onacceptabel gezien de geschiedenis en voornamelijk de laatste zittingen, afijn.
Wij vernemen graag van u omtrent het wraking verzoek.”.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Hoewel verzoeker in zijn wrakingsverzoek schrijft over “onze zaak” en hij schrijft dat “wij” graag vernemen over het wrakingsverzoek, merkt de wrakingskamer het wrakingsverzoek aan als een verzoek van alleen verzoeker. Daarvoor is redengevend dat verzoeker niet heeft uitgelegd namens wie het wrakingsverzoek, naast hemzelf, is ingediend. De communicatie over het wrakingsverzoek heeft ook steeds met verzoeker plaatsgevonden. Daarom is verzoeker in de kop van deze beslissing als (enige) verzoeker aangemerkt.
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.3.
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.4.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter tegenover hem een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
3.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van zo’n zwaarwegende aanwijzing.
3.6.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd wat hiervoor in overweging 2.1. is geciteerd. Dat citaat is afkomstig uit een e-mail van verzoeker aan de rechter, althans dat begrijpt de wrakingskamer. De wrakingskamer constateert dat de eerste drie door verzoeker in zijn e-mail aangevoerde gronden erg algemeen zijn geformuleerd. Verzoeker heeft nagelaten om concrete feiten te stellen waaruit blijkt dat de rechter (a) de belangrijkste getuigen heeft geweigerd en welke getuigen dat dan zijn, (b) alle verzoeken negeert en welke verzoeken dat dan zijn en (c) geen belangstelling heeft voor feitelijk onjuiste documentatie en welke documentatie dat dan is, en (d) hoe uit dit alles kan worden afgeleid dat de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor tegenover verzoeker aanwezig is. Het had op de weg van verzoeker gelegen om die concrete feiten wel te stellen. Dat hij dat niet heeft gedaan, leidt ertoe dat de wrakingskamer niet kan beoordelen of en, zo ja, welke concrete feiten er zouden zijn waaruit kan worden afgeleid dat de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor tegenover verzoeker aanwezig is. De eerste drie door verzoeker aangevoerde gronden kunnen om die reden niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Ook de vierde wrakingsgrond kan dat niet. Dat verzoeker er de voorkeur aan geeft dat een andere rechter de hoofdzaak behandelt, betekent niet dat de gewraakte rechter vooringenomen is tegenover verzoeker of dat de vrees daarvoor van verzoeker objectief gerechtvaardigd is.
3.7.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. Franken, voorzitter, mr. M. Fiege en mr. F. Aukema-Hartog, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.