Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBROT:2025:6543
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
898 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/693087 / HA ZA 25-94
Vonnis van 28 mei 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres] TE [plaats],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. K. Zeylmaker te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
, voorheen handelend onder de namen [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat aanvankelijk mr. P.J. van Hartingsveldt te Barneveld, maar nu niet meer vertegenwoordigd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 januari 2025, met bijlagen 1 tot en met 19.
1.2.
Mr. Van Hartingsveldt heeft de rechtbank op 15 april 2025 laten weten dat hij zich als advocaat van gedaagde onttrekt. Daarop heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol van 7 mei 2025 voor het stellen van een advocaat namens gedaagde. Op die rol heeft zich namens gedaagde geen advocaat gesteld. De rechtbank heeft gedaagde vervolgens een akte niet dienen verleend en de zaak voor vonnis verwezen naar vandaag.
Beoordeling
2.1.
De stellingen van eiseres kunnen het gevorderde dragen en zijn door gedaagde niet weersproken. Het gevorderde wordt daarom toegewezen.
2.2.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- dagvaarding € 126,68
- griffierecht € 2.995,00
- salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt × tarief IV)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.513,68
2.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.4.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van betaling aan eiseres te betalen € 61.314,21 inclusief BTW aan vervangende schadevergoeding, aanvullende schadevergoeding en expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 26 december 2024 tot de dag dat alles is betaald;
3.2.
veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van betaling aan eiseres te betalen € 1.679,65 inclusief BTW aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 13 januari 2025 tot de dag dat alles is betaald;
3.3.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 4.513,68, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.4.
veroordeelt gedaagde in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling. Het is ondertekend door de rolrechter en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
3349 / 1980