Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-28
ECLI:NL:RBROT:2025:6386
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,734 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5886
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] h.o.d.n. [bedrijf 1] , uit Rotterdam, eiser
(gemachtigde: mr. N. Claassen),
en
de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de sluiting op grond van artikel 2:35 van de APV Rotterdam 2012 (de APV) van twee panden (een autogarage op [adres 1] en een pand op [adres 2] ) voor de duur van een maand. Aan de sluiting ligt ten grondslag dat het Digitaal Opkopersregister (DOR) niet wordt bijgehouden door eiser. Eiser is het niet eens met de sluiting. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan die zien op de feitelijke grondslag van de bevoegdheid tot sluiting, de noodzaak en de evenwichtigheid van de sluiting. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester op de goede gronden de twee panden heeft gesloten voor de duur van een maand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit tot sluiting van de twee panden niet gebaseerd kan worden op de feiten en omstandigheden die de burgemeester daaraan ten grondslag heeft gelegd, zodat de bevoegdheid tot sluiting ontbrak. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat de totstandkoming van het bestreden besluit in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. [bedrijf 1] staat in de Kamer van Koophandel ingeschreven op het adres [adres 1] . Op dit adres is een garagebedrijf onder de naam [bedrijf 2] gevestigd. [eiser] is de bedrijfsleider/eigenaar van deze garage. Het naastgelegen pand [adres 2] is (privé) eigendom van [eiser] . Ook de panden [adres 3] en [adres 4] zijn eigendom van [eiser] .
2.1.
Uit een proces-verbaal van 24 februari 2022 blijkt dat op 21 januari 2022 door handhavers van de gemeente Rotterdam is geconstateerd dat [bedrijf 1] ( [adres 1] ) handelt in tweedehands goederen zonder dat deze in het DOR geregistreerd staan. Bij brief van 10 maart 2022 is aan [bedrijf 1] een bestuurlijke waarschuwing gegeven voor deze overtreding van het DOR. Uit een proces-verbaal van 24 februari 2022 blijkt dat aan [bedrijf 1] op 26 mei 2021 en 1 juni 2021 informatie is gegeven over het naleven van de registratieregels van het DOR.
2.2.
Uit een proces-verbaal van 27 oktober 2022 blijkt dat tijdens een controle op 21 oktober 2022 in [adres 1] een motorblok en een versnellingsbak zijn aangetroffen die niet in het DOR geregistreerd stonden. Tot 1 juni 2021 was het inkoopgedeelte van het DOR volledig en juist ingevuld. [eiser] verklaarde niet te handelen in tweedehands goederen en om die reden geen inzicht in het DOR te geven. Tijdens die controle zijn in [adres 2] door de inspecteurs 25 motorblokken aangetroffen. Deze stonden niet in het DOR geregistreerd. [eiser] verklaarde over deze motorblokken dat deze privé eigendom zijn en dat hij deze verzamelt.
2.3.
Uit een proces-verbaal van 19 september 2023 blijkt het volgende. Op 18 september 2023 bleek uit vooronderzoek dat [eiser] eigenaar is van [adres 2] , dat het pand volgens het bestemmingsplan de bestemming ‘industrie/bedrijfsfunctie’ heeft, en dat [eiser] eigenaar is van [adres 1] . Verder blijkt hieruit dat toezichthouders van de gemeente Rotterdam op 19 september 2023 toezicht op de naleving van het DOR hebben verricht in [adres 1] en in [adres 2] . Zij hebben geconstateerd dat er in [adres 2] goederen aanwezig waren die niet werden bijgehouden in het DOR. Het betrof in ieder geval 15 à 25 motorblokken, 30 à 40 velgen met band, 11 fietsen, 8 versnellingsbakken en 2 portieren. Daarnaast troffen de toezichthouders in [adres 2] tussen de 1.000 en 2.000 goederen aan die onderhevig zijn aan de registratieplicht in het DOR. Uit de foto’s bij het proces-verbaal blijkt dat dat met name auto-onderdelen betreft, zoals auto(zij)spiegels. [eiser] verklaarde over de aangetroffen goederen dat ze privé eigendom zijn en dat hij deze als hobby verzamelt. Uit een proces-verbaal van 11 november 2023 blijkt dat tijdens diezelfde controle op 19 september 2024 pakketten met adressering [adres 1] zijn aangetroffen. [eiser] verklaarde hierover dat hij mensen de gelegenheid geeft pakketten bij zijn bedrijf te laten bezorgen omdat hij er de ruimte voor heeft en hij meestal ter plekke aanwezig is. Uit een proces verbaal van 26 september 2024 blijkt verder dat tijdens de controle een gestolen voertuig (scooter van het merk Gilera (Piaggio)) is aangetroffen op [adres 2] . Een deel van het serienummer op het motorblok was door slijpbewerking onleesbaar gemaakt. Tot slot is tijdens de controle op 19 september 2023 in het pand [adres 4] een auto aangetroffen waarin een verborgen ruimte in aanbouw was.
2.4.
Met het primaire besluit van 3 januari 2024 heeft de burgemeester het pand [adres 1] en het pand [adres 2] voor de duur van een maand gesloten. Op verzoek van eiser heeft de voorzieningenrechter op 4 januari 2024 bij wijze van ordemaatregel bepaald dat het primaire besluit geschorst werd. Bij uitspraak van 16 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter de schorsing opgeheven en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De sluiting is geëffectueerd vanaf 19 januari 2024.
2.5.
Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het sluitingsbesluit gebleven. Hieraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat uit de bestuurlijke rapportage van 19 september 2023 is gebleken dat de bij die controle aangetroffen goederen niet in het DOR werden bijgehouden door eiser. Dat sprake is van connectie tussen (de aangetroffen goederen in) [adres 2] en [adres 1] volgt uit de hoeveelheid, aard en omvang en sortering van de aangetroffen goederen. Dat sprake is van een verzamelhobby acht de burgemeester niet aannemelijk. De aangetroffen postpakketten op [adres 2] met adressering [adres 1] acht de burgemeester ook relevant voor de link tussen de twee panden. Eiser is eerder gewaarschuwd voor het niet bijhouden van het DOR. Het aantreffen van de gestolen scooter en de auto met geheime ruimte in aanbouw neemt de burgemeester in aanmerking bij de belangenafweging om tot sluiting over te gaan.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de burgemeester zijn mr. A. Wintjes en mr. J. Langenbach verschenen.
Beoordeling
Procesbelang
3. De rechtbank moet eerst ambtshalve de vraag beoordelen of eiser voldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. De sluiting van de twee panden inmiddels achter de rug. Eiser heeft echter wel voldoende procesbelang omdat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt vergoeding te willen van de door hem als gevolg van de sluiting geleden schade.
Toetsingskader
4. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester een herstelsanctie opgelegd in de vorm van een sluiting voor een maand van de twee panden. De bevoegdheid voor het nemen van een sluiting van een pand is gelegen in artikel 2:35, eerste lid, van de APV, in samenhang met de artikelen 2:67 en 2:68 van de APV en artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Op grond van deze bepalingen kan de burgemeester een ‘voor het publiek openstaand gebouw’ of ‘een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte’ sluiten als dat naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist. Deze bevoegdheid is een zogenaamde discretionaire bevoegdheid: de burgemeester beschikt over beleidsvrijheid om zo’n pand al dan niet gesloten te verklaren.
4.1.
Voor de uitvoering van zijn discretionaire handhavingsbevoegdheid heeft de burgemeester beleidsregels opgesteld, die zijn neergelegd in de Beleidslijn heling voor handelaren in ongeregelde en gebruikte goederen (de Beleidslijn). Uit de Beleidslijn volgt dat met de sluiting van een pand wordt beoogd de aanzuigende werking van het pand op het inleveren van gestolen goederen te doen stoppen, dan wel in de toekomst te voorkomen. De ondernemer wordt geacht tijdens de sluiting maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde te voorkomen. Over het DOR staat het volgende in de Beleidslijn: “Niet goed bijhouden opkoopregister (waaronder identificatieplicht). Een belangrijke voorzorgsmaatregel die een handelaar kan nemen ter voorkoming van handel in gestolen goederen is het op juiste wijze registeren van goederen die de handelaar verkrijgt en verkoopt. Dit begint met de registratie in het inkoopregister bij het verkrijgen van het goed. Het op juiste wijze registreren maakt dat de aangeboden goederen en de personen die deze goederen aanbieden traceerbaar zijn voor de politie. Hiermee draagt de handelaar bij aan het opsporingsonderzoek van de politie, werpt de handelaar een barrière op voor (potentiële) delictplegers en draagt de handelaar daarmee in zijn algemeenheid bij aan de aanpak van High Impact Crime.” Over heling staat het volgende: “De beschreven overtredingen in het handhavingsarrangement dienen ter voorkoming van de handel in gestolen goederen. Bij heling, of wanneer het aannemelijk is dat de handelaar zich schuldig maakt aan heling, is sprake van een (vermoedelijk) misdrijf, waarmee de handelaar direct bijdraagt aan de handel in dit soort goederen. De handelaar stimuleert daarmee direct de hieraan voorafgaande misdrijven.” Over de belangenafweging vermeldt de Beleidslijn: “De burgemeester weegt in zijn besluitvorming over het treffen van een bestuurlijke maatregel het belang van de ondernemer en overige belanghebbenden af tegen dat van de openbare orde. De openbare orde weegt daarbij zwaar. […] Daarnaast wordt in de afweging ook meegenomen op welke wijze de inkoper aantoonbaar invulling geeft aan zijn ‘onderzoeksplicht’ voorafgaande aan de inkoop van goederen. Oftewel welke voorzorgsmaatregelen neemt een handelaar om te voorkomen dat gestolen goederen worden ingekocht. Van de handelaar mag worden verwacht dat deze de handelsmarkt in de betreffende goederen goed kent.” Verder volgt uit het Handhavingsarrangement dat bij niet naleving van het DOR na een eerdere waarschuwing tot een sluiting van twee weken wordt overgegaan. En in geval van heling bij een eerste constatering tot een sluiting van een maand.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert in beroep aan dat [adres 1] (het garagebedrijf) is ten onrechte gesloten omdat hij niet handelt in tweedehands goederen. Hij exploiteert een garagebedrijf. Hoe dan ook had de burgemeester kunnen volstaan met het maken van afspraken, of het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete. Een sluiting van een maand leidt tot onevenredige schade (omzetderving van 1/12 van een jaaromzet).
5.1.
[adres 2] is volgens eiser ten onrechte gesloten omdat de goederen op [adres 2] niet voor de exploitatie van het garagebedrijf op [adres 1] worden gebruikt. Alle goederen op [adres 2] zijn privé eigendom. Eiser verzamelt deze goederen; is een hoarder en handelt niet in deze goederen. Hij heeft dit pand al twintig jaar als opslag in gebruik en gooit nooit iets weg. Hij houdt geen inventaris bij van deze goederen omdat dat niet nodig is bij privégoederen. De onderdelen op [adres 2] worden nooit gebruikt voor de garage op [adres 1] . Ter zitting heeft eiser toegelicht dat dat praktisch gezien ook niet zou kunnen: de onderdelen zijn veelal te oud om in de huidige modellen auto’s te gebruiken en aan de klanten van de garage zou dan geen garantie gegeven kunnen worden zoals dat wel gebruikelijk is. Het zou bovendien tot boekhoudkundige complicaties leiden (inbreng van privé vermogensbestanddelen in het vermogen van de B.V.). Onderdelen voor reparaties die in de garage op [adres 1] worden uitgevoerd, worden uitsluitend op factuur besteld bij dealers/andere bedrijven en doorbelast aan de klant. Eiser heeft een overzicht uit de administratie van [bedrijf 1] overgelegd om dit aan te tonen. De burgemeester heeft een verband tussen [adres 2] en [adres 1] ook niet onderbouwd met observaties van bijvoorbeeld het verplaatsen van goederen tussen [adres 2] en [adres 1] . Ten onrechte legt de burgemeester de bewijslast bij eiser dat er geen verband is tussen [adres 2] en [adres 1] . Tot slot verwijst eiser naar een overgelegd stuk van de strafrechter waaruit volgens hem blijkt dat de strafrechter hem heeft vrijgesproken van de verplichting om het DOR bij te houden.
Wat vindt de burgemeester?
6. Aan de bevoegdheid tot sluiting van de beide panden heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat sprake is van een relatie tussen het pand [adres 2] en [adres 1] . Dit baseert de burgemeester op 1) de grote hoeveelheid auto-onderdelen, de soorten auto-onderdelen, en de sortering daarvan in [adres 2] , en 2) de postpakketten die bij [adres 2] liggen en bestemd zijn voor [adres 1] . De burgemeester vindt het onaannemelijk dat dit een (uit de hand gelopen) verzamelhobby is. Omdat het buurpand [adres 1] een autogarage is, is het aannemelijk dat de goederen (auto-onderdelen) behoren tot de bedrijfsvoorraad.
6.1.
Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat de aangetroffen gestolen scooter [adres 2] niet aan de sluitingsbevoegdheid ten grondslag is gelegd. Deze bevinding is meegewogen bij het bepalen van de wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt. Dat geldt ook voor de bevindingen rondom de aangetroffen auto met een verborgen ruimte in aanbouw, de omstandigheid dat eiser ondanks eerdere waarschuwingen ten aanzien van de naleving van het DOR eiser geen actie heeft ondernomen om de goederen op de juiste wijze te registreren, en de omstandigheid dat eiser vanuit zijn jarenlange ervaring in zijn garagebedrijf de risico’s kent van aan- en verkopen in deze branche.
Oordeel rechtbank over de sluitingsbevoegdheid
7. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank constateert in de eerste plaats dat de bevindingen van het niet bijhouden van het DOR zoals die uit het proces-verbaal van het toezicht op 19 september 2023 blijken, uitsluitend zien op goederen die in [adres 2] zijn aangetroffen. In het pand [adres 1] zijn bij dat laatste toezicht geen goederen aangetroffen die onderhevig zijn aan de verplichtingen van het DOR.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de burgemeester de panden [adres 2] en [adres 1] niet op 19 januari 2024 had mogen sluiten voor de duur van een maand. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en gelet op het geconstateerde bevoegdheidsgebrek zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit tot sluiting van de panden te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 907,-, en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108,-
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht ter hoogte van € 371,- aan eiser vergoedt;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E Jacobino, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 1
1. De handelaren, bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, […], auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, […].
Artikel 2
[…]
2. De handelaar, aangewezen in artikel 1 van dit besluit, voldoet aan de verplichting ingevolge artikel 437, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht tot het aantekening houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft verworven of voorhanden heeft indien hij een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld vermeldt:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkrijging van het goed;
c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d. de koopprijs of andere voorwaarden van verkrijging van het goed;
e. de naam en het adres van degene van wie het goed is verkregen;
f. zowel een omschrijving als het nummer van het document bedoeld in het eerste lid waarmee hij de identiteit van de aanbieder heeft vastgesteld, voor zover het de inkoop van koper en koperlegeringen betreft en de koopprijs van dat goed in contant geld wordt uitbetaald.
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV)
Artikel 2:35 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen
1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
[…]
Artikel 2:66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36).
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2. […]
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1°. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2°. van een verandering van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde adressen;
3°. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4°. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
APV = Algemene plaatselijke verordening.
Verplicht voor handelaren in onder meer gebruikte en ongeregelde goederen, en auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen op basis van artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht en het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
ECLI:NL:RBROT:2024:190, niet gepubliceerd.
In de zin van artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.
Hetgeen strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb oplevert.
In de zin van het onder 4 genoemde toetsingskader.
In de zin van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5886
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] h.o.d.n. [bedrijf 1] , uit Rotterdam, eiser
(gemachtigde: mr. N. Claassen),
en
de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester
(gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de sluiting op grond van artikel 2:35 van de APV Rotterdam 2012 (de APV) van twee panden (een autogarage op [adres 1] en een pand op [adres 2] ) voor de duur van een maand. Aan de sluiting ligt ten grondslag dat het Digitaal Opkopersregister (DOR) niet wordt bijgehouden door eiser. Eiser is het niet eens met de sluiting. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan die zien op de feitelijke grondslag van de bevoegdheid tot sluiting, de noodzaak en de evenwichtigheid van de sluiting. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester op de goede gronden de twee panden heeft gesloten voor de duur van een maand.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit tot sluiting van de twee panden niet gebaseerd kan worden op de feiten en omstandigheden die de burgemeester daaraan ten grondslag heeft gelegd, zodat de bevoegdheid tot sluiting ontbrak. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat de totstandkoming van het bestreden besluit in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. [bedrijf 1] staat in de Kamer van Koophandel ingeschreven op het adres [adres 1] . Op dit adres is een garagebedrijf onder de naam [bedrijf 2] gevestigd. [eiser] is de bedrijfsleider/eigenaar van deze garage. Het naastgelegen pand [adres 2] is (privé) eigendom van [eiser] . Ook de panden [adres 3] en [adres 4] zijn eigendom van [eiser] .
2.1.
Uit een proces-verbaal van 24 februari 2022 blijkt dat op 21 januari 2022 door handhavers van de gemeente Rotterdam is geconstateerd dat [bedrijf 1] ( [adres 1] ) handelt in tweedehands goederen zonder dat deze in het DOR geregistreerd staan. Bij brief van 10 maart 2022 is aan [bedrijf 1] een bestuurlijke waarschuwing gegeven voor deze overtreding van het DOR. Uit een proces-verbaal van 24 februari 2022 blijkt dat aan [bedrijf 1] op 26 mei 2021 en 1 juni 2021 informatie is gegeven over het naleven van de registratieregels van het DOR.
2.2.
Uit een proces-verbaal van 27 oktober 2022 blijkt dat tijdens een controle op 21 oktober 2022 in [adres 1] een motorblok en een versnellingsbak zijn aangetroffen die niet in het DOR geregistreerd stonden. Tot 1 juni 2021 was het inkoopgedeelte van het DOR volledig en juist ingevuld. [eiser] verklaarde niet te handelen in tweedehands goederen en om die reden geen inzicht in het DOR te geven. Tijdens die controle zijn in [adres 2] door de inspecteurs 25 motorblokken aangetroffen. Deze stonden niet in het DOR geregistreerd. [eiser] verklaarde over deze motorblokken dat deze privé eigendom zijn en dat hij deze verzamelt.
2.3.
Uit een proces-verbaal van 19 september 2023 blijkt het volgende. Op 18 september 2023 bleek uit vooronderzoek dat [eiser] eigenaar is van [adres 2] , dat het pand volgens het bestemmingsplan de bestemming ‘industrie/bedrijfsfunctie’ heeft, en dat [eiser] eigenaar is van [adres 1] . Verder blijkt hieruit dat toezichthouders van de gemeente Rotterdam op 19 september 2023 toezicht op de naleving van het DOR hebben verricht in [adres 1] en in [adres 2] . Zij hebben geconstateerd dat er in [adres 2] goederen aanwezig waren die niet werden bijgehouden in het DOR. Het betrof in ieder geval 15 à 25 motorblokken, 30 à 40 velgen met band, 11 fietsen, 8 versnellingsbakken en 2 portieren. Daarnaast troffen de toezichthouders in [adres 2] tussen de 1.000 en 2.000 goederen aan die onderhevig zijn aan de registratieplicht in het DOR. Uit de foto’s bij het proces-verbaal blijkt dat dat met name auto-onderdelen betreft, zoals auto(zij)spiegels. [eiser] verklaarde over de aangetroffen goederen dat ze privé eigendom zijn en dat hij deze als hobby verzamelt. Uit een proces-verbaal van 11 november 2023 blijkt dat tijdens diezelfde controle op 19 september 2024 pakketten met adressering [adres 1] zijn aangetroffen. [eiser] verklaarde hierover dat hij mensen de gelegenheid geeft pakketten bij zijn bedrijf te laten bezorgen omdat hij er de ruimte voor heeft en hij meestal ter plekke aanwezig is. Uit een proces verbaal van 26 september 2024 blijkt verder dat tijdens de controle een gestolen voertuig (scooter van het merk Gilera (Piaggio)) is aangetroffen op [adres 2] . Een deel van het serienummer op het motorblok was door slijpbewerking onleesbaar gemaakt. Tot slot is tijdens de controle op 19 september 2023 in het pand [adres 4] een auto aangetroffen waarin een verborgen ruimte in aanbouw was.
2.4.
Met het primaire besluit van 3 januari 2024 heeft de burgemeester het pand [adres 1] en het pand [adres 2] voor de duur van een maand gesloten. Op verzoek van eiser heeft de voorzieningenrechter op 4 januari 2024 bij wijze van ordemaatregel bepaald dat het primaire besluit geschorst werd. Bij uitspraak van 16 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter de schorsing opgeheven en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De sluiting is geëffectueerd vanaf 19 januari 2024.
2.5.
Met het bestreden besluit van 30 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het sluitingsbesluit gebleven. Hieraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat uit de bestuurlijke rapportage van 19 september 2023 is gebleken dat de bij die controle aangetroffen goederen niet in het DOR werden bijgehouden door eiser. Dat sprake is van connectie tussen (de aangetroffen goederen in) [adres 2] en [adres 1] volgt uit de hoeveelheid, aard en omvang en sortering van de aangetroffen goederen. Dat sprake is van een verzamelhobby acht de burgemeester niet aannemelijk. De aangetroffen postpakketten op [adres 2] met adressering [adres 1] acht de burgemeester ook relevant voor de link tussen de twee panden. Eiser is eerder gewaarschuwd voor het niet bijhouden van het DOR. Het aantreffen van de gestolen scooter en de auto met geheime ruimte in aanbouw neemt de burgemeester in aanmerking bij de belangenafweging om tot sluiting over te gaan.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens de burgemeester zijn mr. A. Wintjes en mr. J. Langenbach verschenen.
Beoordeling
Procesbelang
3. De rechtbank moet eerst ambtshalve de vraag beoordelen of eiser voldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. De sluiting van de twee panden inmiddels achter de rug. Eiser heeft echter wel voldoende procesbelang omdat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt vergoeding te willen van de door hem als gevolg van de sluiting geleden schade.
Toetsingskader
4. Met het bestreden besluit heeft de burgemeester een herstelsanctie opgelegd in de vorm van een sluiting voor een maand van de twee panden. De bevoegdheid voor het nemen van een sluiting van een pand is gelegen in artikel 2:35, eerste lid, van de APV, in samenhang met de artikelen 2:67 en 2:68 van de APV en artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Op grond van deze bepalingen kan de burgemeester een ‘voor het publiek openstaand gebouw’ of ‘een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte’ sluiten als dat naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist. Deze bevoegdheid is een zogenaamde discretionaire bevoegdheid: de burgemeester beschikt over beleidsvrijheid om zo’n pand al dan niet gesloten te verklaren.
4.1.
Voor de uitvoering van zijn discretionaire handhavingsbevoegdheid heeft de burgemeester beleidsregels opgesteld, die zijn neergelegd in de Beleidslijn heling voor handelaren in ongeregelde en gebruikte goederen (de Beleidslijn). Uit de Beleidslijn volgt dat met de sluiting van een pand wordt beoogd de aanzuigende werking van het pand op het inleveren van gestolen goederen te doen stoppen, dan wel in de toekomst te voorkomen. De ondernemer wordt geacht tijdens de sluiting maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde te voorkomen. Over het DOR staat het volgende in de Beleidslijn: “Niet goed bijhouden opkoopregister (waaronder identificatieplicht). Een belangrijke voorzorgsmaatregel die een handelaar kan nemen ter voorkoming van handel in gestolen goederen is het op juiste wijze registeren van goederen die de handelaar verkrijgt en verkoopt. Dit begint met de registratie in het inkoopregister bij het verkrijgen van het goed. Het op juiste wijze registreren maakt dat de aangeboden goederen en de personen die deze goederen aanbieden traceerbaar zijn voor de politie. Hiermee draagt de handelaar bij aan het opsporingsonderzoek van de politie, werpt de handelaar een barrière op voor (potentiële) delictplegers en draagt de handelaar daarmee in zijn algemeenheid bij aan de aanpak van High Impact Crime.” Over heling staat het volgende: “De beschreven overtredingen in het handhavingsarrangement dienen ter voorkoming van de handel in gestolen goederen. Bij heling, of wanneer het aannemelijk is dat de handelaar zich schuldig maakt aan heling, is sprake van een (vermoedelijk) misdrijf, waarmee de handelaar direct bijdraagt aan de handel in dit soort goederen. De handelaar stimuleert daarmee direct de hieraan voorafgaande misdrijven.” Over de belangenafweging vermeldt de Beleidslijn: “De burgemeester weegt in zijn besluitvorming over het treffen van een bestuurlijke maatregel het belang van de ondernemer en overige belanghebbenden af tegen dat van de openbare orde. De openbare orde weegt daarbij zwaar. […] Daarnaast wordt in de afweging ook meegenomen op welke wijze de inkoper aantoonbaar invulling geeft aan zijn ‘onderzoeksplicht’ voorafgaande aan de inkoop van goederen. Oftewel welke voorzorgsmaatregelen neemt een handelaar om te voorkomen dat gestolen goederen worden ingekocht. Van de handelaar mag worden verwacht dat deze de handelsmarkt in de betreffende goederen goed kent.” Verder volgt uit het Handhavingsarrangement dat bij niet naleving van het DOR na een eerdere waarschuwing tot een sluiting van twee weken wordt overgegaan. En in geval van heling bij een eerste constatering tot een sluiting van een maand.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert in beroep aan dat [adres 1] (het garagebedrijf) is ten onrechte gesloten omdat hij niet handelt in tweedehands goederen. Hij exploiteert een garagebedrijf. Hoe dan ook had de burgemeester kunnen volstaan met het maken van afspraken, of het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete. Een sluiting van een maand leidt tot onevenredige schade (omzetderving van 1/12 van een jaaromzet).
5.1.
[adres 2] is volgens eiser ten onrechte gesloten omdat de goederen op [adres 2] niet voor de exploitatie van het garagebedrijf op [adres 1] worden gebruikt. Alle goederen op [adres 2] zijn privé eigendom. Eiser verzamelt deze goederen; is een hoarder en handelt niet in deze goederen. Hij heeft dit pand al twintig jaar als opslag in gebruik en gooit nooit iets weg. Hij houdt geen inventaris bij van deze goederen omdat dat niet nodig is bij privégoederen. De onderdelen op [adres 2] worden nooit gebruikt voor de garage op [adres 1] . Ter zitting heeft eiser toegelicht dat dat praktisch gezien ook niet zou kunnen: de onderdelen zijn veelal te oud om in de huidige modellen auto’s te gebruiken en aan de klanten van de garage zou dan geen garantie gegeven kunnen worden zoals dat wel gebruikelijk is. Het zou bovendien tot boekhoudkundige complicaties leiden (inbreng van privé vermogensbestanddelen in het vermogen van de B.V.). Onderdelen voor reparaties die in de garage op [adres 1] worden uitgevoerd, worden uitsluitend op factuur besteld bij dealers/andere bedrijven en doorbelast aan de klant. Eiser heeft een overzicht uit de administratie van [bedrijf 1] overgelegd om dit aan te tonen. De burgemeester heeft een verband tussen [adres 2] en [adres 1] ook niet onderbouwd met observaties van bijvoorbeeld het verplaatsen van goederen tussen [adres 2] en [adres 1] . Ten onrechte legt de burgemeester de bewijslast bij eiser dat er geen verband is tussen [adres 2] en [adres 1] . Tot slot verwijst eiser naar een overgelegd stuk van de strafrechter waaruit volgens hem blijkt dat de strafrechter hem heeft vrijgesproken van de verplichting om het DOR bij te houden.
Wat vindt de burgemeester?
6. Aan de bevoegdheid tot sluiting van de beide panden heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat sprake is van een relatie tussen het pand [adres 2] en [adres 1] . Dit baseert de burgemeester op 1) de grote hoeveelheid auto-onderdelen, de soorten auto-onderdelen, en de sortering daarvan in [adres 2] , en 2) de postpakketten die bij [adres 2] liggen en bestemd zijn voor [adres 1] . De burgemeester vindt het onaannemelijk dat dit een (uit de hand gelopen) verzamelhobby is. Omdat het buurpand [adres 1] een autogarage is, is het aannemelijk dat de goederen (auto-onderdelen) behoren tot de bedrijfsvoorraad.
6.1.
Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat de aangetroffen gestolen scooter [adres 2] niet aan de sluitingsbevoegdheid ten grondslag is gelegd. Deze bevinding is meegewogen bij het bepalen van de wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt. Dat geldt ook voor de bevindingen rondom de aangetroffen auto met een verborgen ruimte in aanbouw, de omstandigheid dat eiser ondanks eerdere waarschuwingen ten aanzien van de naleving van het DOR eiser geen actie heeft ondernomen om de goederen op de juiste wijze te registreren, en de omstandigheid dat eiser vanuit zijn jarenlange ervaring in zijn garagebedrijf de risico’s kent van aan- en verkopen in deze branche.
Oordeel rechtbank over de sluitingsbevoegdheid
7. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank constateert in de eerste plaats dat de bevindingen van het niet bijhouden van het DOR zoals die uit het proces-verbaal van het toezicht op 19 september 2023 blijken, uitsluitend zien op goederen die in [adres 2] zijn aangetroffen. In het pand [adres 1] zijn bij dat laatste toezicht geen goederen aangetroffen die onderhevig zijn aan de verplichtingen van het DOR.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de burgemeester de panden [adres 2] en [adres 1] niet op 19 januari 2024 had mogen sluiten voor de duur van een maand. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en gelet op het geconstateerde bevoegdheidsgebrek zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit tot sluiting van de panden te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 907,-, en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108,-
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht ter hoogte van € 371,- aan eiser vergoedt;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E Jacobino, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 1
1. De handelaren, bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, […], auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, […].
Artikel 2
[…]
2. De handelaar, aangewezen in artikel 1 van dit besluit, voldoet aan de verplichting ingevolge artikel 437, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht tot het aantekening houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft verworven of voorhanden heeft indien hij een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld vermeldt:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkrijging van het goed;
c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d. de koopprijs of andere voorwaarden van verkrijging van het goed;
e. de naam en het adres van degene van wie het goed is verkregen;
f. zowel een omschrijving als het nummer van het document bedoeld in het eerste lid waarmee hij de identiteit van de aanbieder heeft vastgesteld, voor zover het de inkoop van koper en koperlegeringen betreft en de koopprijs van dat goed in contant geld wordt uitbetaald.
Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV)
Artikel 2:35 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen
1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een seksinrichting - of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
[…]
Artikel 2:66 Begripsbepaling
In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36).
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2. […]
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
1°. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
2°. van een verandering van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde adressen;
3°. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
4°. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;
aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;
een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
APV = Algemene plaatselijke verordening.
Verplicht voor handelaren in onder meer gebruikte en ongeregelde goederen, en auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen op basis van artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht en het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
ECLI:NL:RBROT:2024:190, niet gepubliceerd.
In de zin van artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.
Hetgeen strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb oplevert.
In de zin van het onder 4 genoemde toetsingskader.
In de zin van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb.