Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-22
ECLI:NL:RBROT:2025:622
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
968 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/779
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en
de Minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. H. Polat).
Procesverloop
Met een besluit van 13 juni 2023 heeft verweerder het verzoek van eiseres om schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen afgewezen.
Met een besluit van 7 december 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Met een besluit van 19 juni 2024 heeft verweerder het besluit van 7 december 2023 ingetrokken.
Met een besluit van 2 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op de besluiten van 19 juni 2024 en 2 juli 2024 (artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
2. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond dat in de beslissing op het bezwaar ten onrechte niet is beslist op haar bezwaar tegen een besluit van 29 juni 2023, ingetrokken.
3. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het haar (inmiddels) duidelijk is geworden dat alle schulden die in deze zaak aan de orde zijn, zijn overgenomen dan wel niet meer bestaan. Eiseres heeft erkend dat het belang aan het beroep is komen te ontvallen. Om die reden zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Omdat uit het dossier blijkt dat verweerder heeft erkend dat eiseres voorafgaand aan het besluit van 7 december 2023 ten onrechte niet is gehoord, zal worden bepaald dat verweerder het door eiseres betaalde griffierechte moet vergoeden en zal verweerder worden veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting met een waarde van € 907,- per punt).
Dictum
De rechtbank:
-verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
-bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
-veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van € 1.814,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.