Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-14
ECLI:NL:RBROT:2025:6197
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,058 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11007369 CV EXPL 24-8128
datum uitspraak: 14 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. J.J.A. Janssen,
tegen
[gedaagde] .,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [persoon A] .
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 maart 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlage;
de brief van [eiser] , met bijlagen;
de mondeling genomen akte van [gedaagde] , met bijlage;
de akte van [eiser] , met bijlage;
de akte van [gedaagde] .
1.2.
Op 16 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met [eiser] en
mr. Janssen en met de heer [persoon A] , directeur van [gedaagde] .
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiser] eist veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan hem van € 4.097,- netto aan loon, met 50% wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW en met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, plus € 534,70 aan buitengerechtelijke incassokosten. De eis wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiser] heeft voor [gedaagde] gewerkt op grond van een arbeidsovereenkomst. Het dienstverband is op 15 augustus 2022 geëindigd. Nadien is tussen partijen geprocedeerd over de financiële afwikkeling hiervan. Dit heeft geleid tot afspraken tussen partijen vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 februari 2023. Overeengekomen is dat [gedaagde] € 65.000,- bruto (waarvan € 41.430,97 transitievergoeding, € 17.335,80 schadevergoeding en het restant bedrag achterstallig loon) zou betalen aan [eiser] in twaalf gelijke maandelijkse termijnen van € 5.416,67 bruto, te betalen voor iedere eerste van de maand, voor het eerst op 1 maart 2023. Partijen hebben elkaar finale kwijting verleend na betaling van het bovenstaande.
2.3.
Vanaf februari2023 heeft [gedaagde] maandelijks steeds € 5.416,67 bruto betaald aan [eiser] . In totaal is dit twaalf maal gebeurd en aldus is € 65.000,- bruto betaald. Het netto equivalent hiervan dat [eiser] maandelijks op zijn bankrekening kreeg bijgeschreven is echter niet steeds hetzelfde geweest. Dat komt doordat [gedaagde] bij de bruto/netto-berekening wat betreft de betalingen in de maanden februari tot en met juli 2023 te weinig loonheffing heeft ingehouden doordat per abuis werd uitgegaan van de witte in plaats van de groene tabel. Kort gezegd wordt de witte tabel gebruikt voor huidig werk en de groene tabel voor vroeger werk. Voor dat laatste geldt een hoger tarief. [eiser] is hiervan op de hoogte gesteld door [gedaagde] waarbij hem te kennen is gegeven dat hij in de maanden februari tot en met juli 2023 teveel netto had ontvangen en dat dit zou worden verrekend met nog uit te betalen netto bedragen.
2.4.
De gemachtigde van [eiser] heeft op 5 oktober 2023 hierover een e-mail gestuurd naar de voormalige gemachtigde van [gedaagde] uit de eerdere procedure. Daarop is niet gereageerd.
2.5.
Vervolgens is tot dagvaarden overgegaan, met bovenvermelde eis tot loonbetaling met nevenvorderingen.
Wat vindt de kantonrechter?
Procedureel
2.6.
Op grond van artikel 111 lid 2, aanhef en onder d, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het exploot van dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden. Na lezing daarvan moet het de rechter bij voorkeur aanstonds duidelijk zijn op grond van welke feiten en juridische argumenten eiser recht heeft op hetgeen hij van gedaagde vordert. Zeker zou dat het geval moeten zijn in een op zichzelf genomen eenvoudige zaak zoals de onderhavige. Wat dit aangaat laat de dagvaarding te wensen over.
Afwijzing geëiste hoofdsom en nevenvorderingen
2.7.
[eiser] eist € 4.097,- netto aan loon. Het is de som van € 164,04 netto en
€ 3.932,96 netto. Gesteld wordt dat [gedaagde] in september 2023 € 164,04 netto (€ 984,23 -/- € 820,19) teveel heeft verrekend. Gesteld wordt ook dat € 3.932,96 netto (4 x € 983,24) zonder recht of titel is verrekend. Dit motiveert [eiser] als volgt: “Voor zover [gedaagde] heeft beoogd de beweerdelijk te weinig betaalde loonbelasting “recht te trekken” geldt dat een en ander fiscaal niet verwerkt wordt.” Dit is niet zonder meer begrijpelijk.
2.8.
[gedaagde] betwist te weinig loon te hebben uitbetaald, onder overlegging van haar e-mail van 26 september 2023 gericht aan [eiser] waarin uiteengezet is dat tot en met juli 2023 maandelijks € 820,19 netto teveel is uitbetaald. Tezamen gaat het om € 4.921,14 netto (6 x € 820,19). In de mail is meegedeeld dat dit bedrag met ingang van september 2023 in vijf termijnen van € 984,23 netto verrekend zou worden met het maandelijkse bedrag van € 2.596,10 netto, zodat in de volgende vijf maanden € 1.611,87 netto uitbetaald zou worden.
2.9.
Dat het zo is gegaan als [gedaagde] aanvoert, vindt steun in de specificaties van de betalingen die [eiser] heeft overgelegd. Door [eiser] is niet weersproken dat hij de bedragen ontvangen heeft, die vermeld worden in de mail en de specificaties. Netto heeft hij dus ontvangen waar hij recht op heeft.
2.10.
Bij de zitting en ook nadien bij akte is van de zijde van [eiser] gesteld dat de verrekening die heeft plaatsgevonden verband hield met te weinig ingehouden loonheffing door toepassing van de verkeerde tabel, dat dit bij [eiser] is gecorrigeerd, maar dat afdracht aan de belastingdienst door [gedaagde] van wat alsnog aan loonheffing is geheven achterwege is gebleven, althans dat afdrachten door [gedaagde] niet bekend zijn bij de belastingdienst. Omdat de loonheffing een voorheffing is van de inkomstenbelasting krijgt [eiser] wat te weinig is afgedragen op zijn bord, aldus zijn gemachtigde. Of dat zo is of zal zijn, laat de kantonrechter in het midden, want het is niet van belang voor de beoordeling van de eis en de grondslag daarvan zoals verwoord in de dagvaarding. Niet is gevraagd [gedaagde] te veroordelen tot het doen van afdracht van loonheffing aan de belastingdienst. [eiser] eist betaling van een nettobedrag van € 4.097,- .
2.11.
Gelet op het voorgaande wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde] het gehele overeengekomen bedrag van € 65.000,- bruto, althans het netto equivalent daarvan, betaald heeft aan [eiser] . Het gestelde biedt geen grond voor het oordeel dat [gedaagde] nog
€ 4.097,- netto aan hoofdsom verschuldigd is aan [eiser] . Daarom wordt de geëiste hoofdsom afgewezen. Dat lot treft ook de nevenvorderingen.
Proceskosten
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen vast op € 50,- aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden vastgesteld op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465