Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-17
ECLI:NL:RBROT:2025:6117
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,260 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11139796 CV EXPL 24-14266
datum uitspraak: 17 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Claassen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 mei 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de mails van de gemachtigden van partijen, met bijlagen.
1.2.
Op 17 december 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met mr. Lichtenveldt voor [eiseres] en met [gedaagde] , bijgestaan door een tolk in de Turkse taal, en mr. Claassen.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] heeft aan [gedaagde] een woning verhuurd. De burgemeester van [plaats] heeft de woning gesloten voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Tijdens die periode heeft [eiseres] de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [eiseres] wil bevestiging dat de ontbinding effect heeft gehad en ook dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot ontruiming van de woning, met nevenvorderingen. De eisen worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Toewijzing verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden
2.2.
De geëiste verklaring voor recht wordt gegeven, omdat geoordeeld wordt dat de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden is. [eiseres] is bevoegd geweest de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, gelet op het bepaalde in artikel 7:231 lid 2 BW gelezen in samenhang met artikel 6:265 lid 1 BW, omdat de burgemeester de woning toen gesloten had op de voet van artikel 13b van de Opiumwet. Dat [eiseres] tot ontbinding is overgegaan, levert geen misbruik van bevoegdheid op. [eiseres] heeft dit in redelijkheid kunnen doen. Dat is meestal zo in dit soort zaken, want de bevoegdheid wordt gebruikt waarvoor deze is verleend. De belangen bij uitoefening van deze bevoegdheid wegen doorgaans ook zwaarder dan de belangen van de huurder bij voortzetting van de huurovereenkomst en bewoning. Dat is in deze zaak niet anders. De reactie van [eiseres] is niet onevenredig geweest.
2.3.
Voor een buitengerechtelijke ontbinding als bedoeld in artikel 7:231 lid 2 BW is niet nodig dat de huurder een tekortkoming kan worden verweten of dat de huurder zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde op grond waarvan tot sluiting is bevolen. In de woning van [gedaagde] is 95,3 gram hasj aangetroffen, maar ook een vuurwapen met de bijbehorende munitie, € 60.650,- aan contant geld, meerdere bankbiljetten die vanwege hun unieke serienummer gebruikt worden bij criminele transacties en diverse telefoons. [gedaagde] is naar eigen zeggen voor lange tijd naar Turkije vertrokken en heeft in de tussentijd een ander de huissleutels gegeven om de woning te renoveren, waarna die ander de sleutels aan een derde zou hebben gegeven, die de drugs en de daarmee te relateren zaken in de woning heeft gebracht. Als [gedaagde] , zoals hij aanvoert, niet op de hoogte is geweest van de in het gehuurde aangetroffen zaken, dan heeft hij onvoldoende toezicht op de handelwijze van die ander(en) in het gehuurde gehouden, althans komt dat in zijn verhouding tot [eiseres] voor zijn risico.
2.4.
Wat gebeurd is in de woning is zeer kwalijk en in strijd eigendomsbelangen van [eiseres] en haar belangen als verhuurder, waaronder het niet gesloten maar bewoond zijn van haar (schaarse) huurwoningen en de zorg voor de (veiligheid van de) woonomgeving, ook voor haar huurders. Dat heeft naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder te wegen dan het woonbelang en het belang bij een ongestoord privéleven van [gedaagde] . Wat de woning betreft, komt aan die belangen weinig gewicht toe omdat [gedaagde] vanaf juni 2023 ruim negen maanden in Turkije heeft verbleven.
2.5.
Wat verder nog is aangevoerd in het antwoord en ter zitting, brengt niet met zich dat [eiseres] niet tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft kunnen overgaan en de bewoning zou moeten blijven faciliteren.
Veroordeling tot ontruiming
2.6.
De geëiste veroordeling tot ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats] wordt toegewezen, omdat [gedaagde] daar zonder recht of titel verblijft. De ontruimingstermijn wordt gesteld op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Veroordeling tot betaling gebruiksvergoeding (schadevergoeding)
2.7.
Toegewezen wordt ook de geëiste veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 532,60 per maand aan vergoeding voor het gebruik van de woning (schadevergoeding) vanaf juni 2024 tot en met de dag van de ontruiming (artikel 7:225 BW). [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels als voor het verhogen van de huur (artikel 7:248 BW). Voor zover [gedaagde] vanaf juni 2024 voormeld bedrag gelijk aan de huur maandelijks heeft doorbetaald, hoeft hij uiteraard niet nogmaals te betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres] vast op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 776,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv), omdat de kantonrechter van oordeel is dat het belang van [eiseres] om het vonnis ten uitvoer te kunnen leggen zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om dat niet te doen, aangezien [eiseres] al geruime tijd niet over de woning kan beschikken, terwijl [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Hierbij zijn de hierboven vermelde omstandigheden meegewogen en is wat van de zijde van [gedaagde] is aangevoerd, in het bijzonder zijn woonbelang, de mogelijkheid van langdurige dakloosheid en het beroep op artikel 8 EVRM, te licht bevonden om uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege te laten. Wat is aangevoerd, is inherent aan een ontruiming van een woning. Dit betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] buitengerechtelijk is ontbonden;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 532,60 per maand te betalen, vanaf juni 2024 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt, met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden vastgesteld op € 776,72;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 3:13 BW.
Artikel 8 EVRM.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11139796 CV EXPL 24-14266
datum uitspraak: 17 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Claassen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 mei 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de mails van de gemachtigden van partijen, met bijlagen.
1.2.
Op 17 december 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken met mr. Lichtenveldt voor [eiseres] en met [gedaagde] , bijgestaan door een tolk in de Turkse taal, en mr. Claassen.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiseres] heeft aan [gedaagde] een woning verhuurd. De burgemeester van [plaats] heeft de woning gesloten voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Tijdens die periode heeft [eiseres] de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [eiseres] wil bevestiging dat de ontbinding effect heeft gehad en ook dat [gedaagde] veroordeeld wordt tot ontruiming van de woning, met nevenvorderingen. De eisen worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Toewijzing verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden
2.2.
De geëiste verklaring voor recht wordt gegeven, omdat geoordeeld wordt dat de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden is. [eiseres] is bevoegd geweest de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden, gelet op het bepaalde in artikel 7:231 lid 2 BW gelezen in samenhang met artikel 6:265 lid 1 BW, omdat de burgemeester de woning toen gesloten had op de voet van artikel 13b van de Opiumwet. Dat [eiseres] tot ontbinding is overgegaan, levert geen misbruik van bevoegdheid op. [eiseres] heeft dit in redelijkheid kunnen doen. Dat is meestal zo in dit soort zaken, want de bevoegdheid wordt gebruikt waarvoor deze is verleend. De belangen bij uitoefening van deze bevoegdheid wegen doorgaans ook zwaarder dan de belangen van de huurder bij voortzetting van de huurovereenkomst en bewoning. Dat is in deze zaak niet anders. De reactie van [eiseres] is niet onevenredig geweest.
2.3.
Voor een buitengerechtelijke ontbinding als bedoeld in artikel 7:231 lid 2 BW is niet nodig dat de huurder een tekortkoming kan worden verweten of dat de huurder zich zelf schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen in of in de onmiddellijke nabijheid van het gehuurde op grond waarvan tot sluiting is bevolen. In de woning van [gedaagde] is 95,3 gram hasj aangetroffen, maar ook een vuurwapen met de bijbehorende munitie, € 60.650,- aan contant geld, meerdere bankbiljetten die vanwege hun unieke serienummer gebruikt worden bij criminele transacties en diverse telefoons. [gedaagde] is naar eigen zeggen voor lange tijd naar Turkije vertrokken en heeft in de tussentijd een ander de huissleutels gegeven om de woning te renoveren, waarna die ander de sleutels aan een derde zou hebben gegeven, die de drugs en de daarmee te relateren zaken in de woning heeft gebracht. Als [gedaagde] , zoals hij aanvoert, niet op de hoogte is geweest van de in het gehuurde aangetroffen zaken, dan heeft hij onvoldoende toezicht op de handelwijze van die ander(en) in het gehuurde gehouden, althans komt dat in zijn verhouding tot [eiseres] voor zijn risico.
2.4.
Wat gebeurd is in de woning is zeer kwalijk en in strijd eigendomsbelangen van [eiseres] en haar belangen als verhuurder, waaronder het niet gesloten maar bewoond zijn van haar (schaarse) huurwoningen en de zorg voor de (veiligheid van de) woonomgeving, ook voor haar huurders. Dat heeft naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder te wegen dan het woonbelang en het belang bij een ongestoord privéleven van [gedaagde] . Wat de woning betreft, komt aan die belangen weinig gewicht toe omdat [gedaagde] vanaf juni 2023 ruim negen maanden in Turkije heeft verbleven.
2.5.
Wat verder nog is aangevoerd in het antwoord en ter zitting, brengt niet met zich dat [eiseres] niet tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft kunnen overgaan en de bewoning zou moeten blijven faciliteren.
Veroordeling tot ontruiming
2.6.
De geëiste veroordeling tot ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats] wordt toegewezen, omdat [gedaagde] daar zonder recht of titel verblijft. De ontruimingstermijn wordt gesteld op 14 dagen na betekening van dit vonnis.
Veroordeling tot betaling gebruiksvergoeding (schadevergoeding)
2.7.
Toegewezen wordt ook de geëiste veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 532,60 per maand aan vergoeding voor het gebruik van de woning (schadevergoeding) vanaf juni 2024 tot en met de dag van de ontruiming (artikel 7:225 BW). [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels als voor het verhogen van de huur (artikel 7:248 BW). Voor zover [gedaagde] vanaf juni 2024 voormeld bedrag gelijk aan de huur maandelijks heeft doorbetaald, hoeft hij uiteraard niet nogmaals te betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres] vast op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 776,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv), omdat de kantonrechter van oordeel is dat het belang van [eiseres] om het vonnis ten uitvoer te kunnen leggen zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om dat niet te doen, aangezien [eiseres] al geruime tijd niet over de woning kan beschikken, terwijl [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Hierbij zijn de hierboven vermelde omstandigheden meegewogen en is wat van de zijde van [gedaagde] is aangevoerd, in het bijzonder zijn woonbelang, de mogelijkheid van langdurige dakloosheid en het beroep op artikel 8 EVRM, te licht bevonden om uitvoerbaarheid bij voorraad achterwege te laten. Wat is aangevoerd, is inherent aan een ontruiming van een woning. Dit betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] buitengerechtelijk is ontbonden;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] € 532,60 per maand te betalen, vanaf juni 2024 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt, met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden vastgesteld op € 776,72;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 3:13 BW.
Artikel 8 EVRM.