Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-15
ECLI:NL:RBROT:2025:6108
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,604 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 15 mei 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 24 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2025.
Op verzoek van verzoeker is de behandeling van het verzoekschrift aangehouden tot 8 mei 2025.
Ter zitting van 8 mei 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
[naam 1], ex-partner van verzoeker;
mevrouw M.N. Naipal, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
[naam 2], namens Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit een WIA-uitkering, pensioen en uit een verzekring van Nationale Nederlanden. Verzoeker heeft met spoed een verzoek gedaan tot onderbewindstelling, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Verzoeker heeft een cocaïne verslaving maar wil graag hulp en heeft op 12 mei 2025 een intake gesprek bij Antes.
3Het verweer
Verzoeker heeft in de periode 2020 tot en met 2023 al eerder een schuldhulpverlenings-traject gehad. Verweerster heeft destijds haar vordering afgeboekt tegen finale kwijting. Nadat budgetbeheer was gestopt is een nieuwe achterstand in de betaling van de huurtermijnen ontstaan. Verzoeker is in maart 2024 onder beschermingsbewind gesteld. Het beschermingsbewind is – op verzoek van de toenmalig beschermingsbewindvoerder – in oktober 2024 opgeheven omdat er met verzoeker niet samen te werken viel en hij zich agressief had geuit tegen medewerkers. De huurachterstand is na beeindiging van het beschermingsbewind verder opgelopen. Verweerster heeft onvoldoende waarborgen dat de lopende huurtermijnen vanaf nu wel tijdig worden betaald. Verweerster refereert zich voor de beoordeling van het verzoek naar het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 26 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 februari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Sinds het vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2025 zijn de lopende huurtermijnen niet voldaan. Ook heeft verzoeker een cocaïne verslaving. Ter zitting is gebleken dat verzoeker voor de behandeling daarvan waarschijnlijk op korte termijn voor tenminste drie maanden zal worden opgenomen bij Antes. Dit is weliswaar een gunstige wending, maar betekent ook dat verzoeker op dit moment geen voldoende spoedeisend belang heeft om in zijn woning te blijven wonen. Daarnaast is vanwege het verloop van het recent beëindigde beschermingsbewind twijfelachtig of een nieuw beschermingsbewind wel naar behoren zal verlopen. Bovendien heeft verzoeker onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijk een nieuw verzoek tot onderbewindstelling heeft gedaan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2025.