Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-16
ECLI:NL:RBROT:2025:6099
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,802 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11539606 CV EXPL 25-3062
datum uitspraak: 16 mei 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Vereniging van Eigenaars Flatgebouw [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te Rotterdam,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigden: C.A. van Houwelingen en B. van der Heijden,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘de VvE’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 7 februari 2025, met bijlagen;
het mondelinge antwoord;
de repliek, met bijlagen.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] niet meer gereageerd op hetgeen de VvE bij repliek naar voren heeft gebracht.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] is eigenaar van het appartementsrecht dat hem recht geeft op het uitsluitend gebruik van de parkeerplaatsen aan [adres 2] in Rotterdam. [gedaagde] is als eigenaar van het appartementsrecht van rechtswege lid van de VvE en moet aan de VvE een maandelijkse bijdrage betalen. De VvE stelt dat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. De VvE eist dat [gedaagde] die betalingsachterstand aan haar moet betalen. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, is [gedaagde] volgens de VvE ook een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten en de rente aan haar verschuldigd.
2.2.
[gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de betalingsachterstand met rente en incassokosten aan de VvE betalen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet € 90,48 aan de VvE betalen.
2.3.
De vraag die in deze procedure centraal staat is of [gedaagde] op dit moment een betalingsachterstand heeft. De kantonrechter begrijpt dat tussen partijen niet in geschil is dat de maandelijkse bijdrage die [gedaagde] aan de VvE moet betalen per 1 januari 2024 is verhoogd naar € 21,48. [gedaagde] heeft in dit verband bij antwoord toegelicht dat hij niet bekend was met de verhoging en dat hij deze daarom in eerste instantie niet heeft betaald. [gedaagde] heeft in juni 2024, nadat hij naar eigen zeggen met de verhoging bekend was geraakt, een bedrag van € 84,21 aan de VvE betaald om, zo begrijpt de kantonrechter, de betalingsachterstand die was ontstaan af te betalen.
2.4.
De VvE stelt dat [gedaagde] ondanks de hiervoor genoemde betaling nog steeds een betalingsachterstand heeft. De VvE heeft ter onderbouwing van die stelling een specificatie van de in rekening gebrachte maandelijkse bijdragen en de daartegenover door [gedaagde] verrichte betalingen overgelegd. Volgens deze specificatie bedraagt de betalingsachterstand tot en met januari 2025 € 90,48.
2.5.
[gedaagde] heeft, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, de betalingsachterstand niet concreet betwist of daartegen verweer gevoerd. Voor zover [gedaagde] meent dat de betalingsachterstand niet klopt, had het op zijn weg gelegen om dit nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door aan te geven op welk punt de door de VvE overgelegde specificatie niet klopt of door betaalbewijzen over te leggen waaruit blijkt dat hij meer betalingen aan de VvE heeft verricht dan door de VvE in de berekening van de betalingsachterstand zijn meegenomen. [gedaagde] heeft dit niet gedaan.
2.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wijst de kantonrechter de eis van de VvE toe. [gedaagde] wordt veroordeeld om € 90,48 aan de VvE te betalen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 48,40 betalen
2.7.
De incassokosten van € 48,40 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat de VvE genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De VvE heeft onbetwist gesteld dat de vervallen rente tot 15 januari 2025 € 15,25 bedraagt.
[gedaagde] moet de toekomstige VvE-bijdragen van het lopende boekjaar betalen
2.9.
De eis van de VvE inzake de toekomstige, nog te vervallen VvE-bijdragen is toewijsbaar tot het einde van het ten tijde van dit vonnis lopende boekjaar. De reden van deze beperking is dat de hoogte van de VvE-bijdragen nadien nog niet vaststaat. Daarbij geldt dat [gedaagde] uiteraard geen VvE-bijdragen meer hoeft te betalen indien zijn lidmaatschap van de VvE voor het einde van het lopende boekjaar eindigt.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan de VvE moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 135,00 aan griffierecht, € 80,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 40,00) en € 20,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 381,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de VvE dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de VvE te betalen € 154,13 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 90,48 vanaf 15 januari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de VvE te betalen de toekomstige VvE-bijdragen, zodra opeisbaar, van € 21,48 per maand die vervallen vanaf februari 2025 tot het einde van het lopende boekjaar, dan wel zoveel eerder als het lidmaatschap van [gedaagde] eindigt;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van de VvE worden begroot op € 381,14;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
62828