Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-05
ECLI:NL:RBROT:2025:5899
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
7,100 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/692659 / JE RK 25-95
Datum uitspraak: 5 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.M. Bossers, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 16 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
het raadsrapport van 27 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
1.4.
Aangezien de moeder en de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van E. Bakker-Gradek (40724), tolk in de Poolse taal voor de moeder en M.M. Lukomski (1989), tolk in de Poolse taal voor de vader. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolken zijn beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een (crisis)gezinshuis (geheim adres).
2.3.
Bij beschikking van 20 november 2024 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 februari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 3 december 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 20 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn opgegroeid in een omgeving die werd gekenmerkt door onveiligheid, verwaarlozing en een gebrek aan structuur. Hierdoor hebben zij lange tijd in een overlevingsstand geleefd. Dit heeft ertoe geleid dat [voornaam minderjarige 1] de rol van moeder op zich nam voor [voornaam minderjarige 2] . [voornaam minderjarige 1] moet leren weer kind te zijn. [voornaam minderjarige 2] is bezig met het inhalen van zijn achterstanden. Sinds hun plaatsing in het gezinshuis komen de kinderen steeds meer tot bloei. De ouders leggen de oorzaken van de zorgen bij anderen neer. Het moet nog onderzocht worden of de kinderen bij hun vader geplaatst kunnen worden, aangezien hij tijdens het onderzoek moeilijk te bereiken was. [voornaam minderjarige 1] is hierover echter duidelijk en geeft aan dat hij niet voor haar kan zorgen. Het is van belang dat er duidelijkheid en helderheid komt voor de kinderen.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. De kinderen zijn uit een situatie gehaald die als zeer zorgelijk kan worden omschreven. Het huis was sterk vervuild, er lagen drugsnaalden, de kinderbedjes waren door het huis verspreid en er verbleven vreemde mannen in de woning. [voornaam minderjarige 2] was niet gesocialiseerd, had de hele dag zijn speen in, was niet zindelijk en praatte niet. [voornaam minderjarige 2] ging eerst maar een uur per dag naar school en nu gaat hij hele dagen. [voornaam minderjarige 1] gedroeg zich als de moeder van [voornaam minderjarige 2] . De kinderen sliepen samen in foetushouding, inmiddels slapen zij ieder in een eigen bed. Momenteel verblijven [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een crisisgezinshuis en dat betekent dat zij hier niet langdurig kunnen blijven. Dit is schrijnend want de kinderen voelen zich daar goed en ontwikkelen zich goed. De gezinshuisouder heeft aangegeven dat de kinderen overgeplaatst moeten worden, maar er is waarschijnlijk een nieuw perspectiefbiedend gezin waar de kinderen samen geplaatst kunnen worden. Omdat de moeder in de Penitentiaire Inrichting (PI) in Venlo zat en de kinderen zich onveilig voelden bij de jeugdbeschermer in de auto, heeft er tot nu toe nog maar één keer een begeleid bezoek bij de moeder plaatsgevonden. Dit bezoek verliep positief, maar was ook ingewikkeld, omdat de moeder met de kinderen aan het smoezen was en het onduidelijk is welke boodschap zij hen heeft meegegeven. Er zijn begeleide bezoeken gepland met de vader op 13 februari aanstaande en met de moeder op 27 februari aanstaande. Er is bewust gekozen om geen bezoekmomenten te laten plaatsvinden tijdens de moeder-kinddagen binnen de PI, omdat deze dagen te druk zijn. Voordat er naar hulpverlening voor de kinderen wordt gekeken, moet er eerst rust komen voor de kinderen.
5Het standpunt van de moeder
5.1.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Primair wordt verzocht dat de kinderen bij de vader worden geplaatst. De moeder heeft het liefst dat de kinderen bij haar verblijven, maar zij kunnen vanwege hun leeftijd niet bij de moeder in de PI verblijven. De woning is schoon en verbouwd, en het is onterecht dat de vader en de kinderen gestraft worden voor iets wat bij de moeder heeft afgespeeld. Er was een periode waarin het niet goed ging met de moeder, wat leidde tot spanningen thuis. Dat de woning vervuild was is geen reden voor het uit huis plaatsen van de kinderen. De hulpverlening is niet bij de vader langsgegaan om zijn woonsituatie te onderzoeken. Subsidiair wordt verzocht dat de kinderen onmiddellijk naar een ander gezin worden geplaatst. Uit het dossier blijkt dat [voornaam minderjarige 1] bang is voor de gezinshuisvader, omdat zij zich een keer had bemoeid met de financiën. Bovendien moet er een maximaal toegestane omgangsregeling worden vastgesteld, in overeenstemming met de regels van de PI. Bij niet-nakoming hiervan dient de GI veroordeeld te worden tot het verbeuren van een dwangsom van 250 euro per kind, per keer.
6Het standpunt van de vader
6.1.
De vader geeft aan dat hij meerdere keren heeft geprobeerd contact te leggen met de GI, maar dit is niet gelukt omdat hij een verkeerd telefoonnummer had. Nadat de vader het juiste nummer van de GI had gekregen is het wel gelukt om contact op te nemen. De vader heeft nog niet de gelegenheid gehad om de kinderen te zien. Hij mist de kinderen heel erg en is in staat om alles voor zijn kinderen te doen.
Beoordeling
7.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
7.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen zijn opgegroeid in een thuissituatie waarin de ouders onvoldoende fysiek en emotioneel beschikbaar waren. De kinderen zijn getuige geweest van huiselijk geweld en alcoholmisbruik door de ouders. Tevens waren er meldingen bij de politie over een ernstig vervuilde woning. [voornaam minderjarige 1] heeft een verzorgende rol over [voornaam minderjarige 2] overgenomen en [voornaam minderjarige 2] heeft een grote achterstand in zijn algehele ontwikkeling. Daarbij komt dat de moeder een detentie van 2,5 jaar moet uitzitten waardoor zij langere tijd niet voor de kinderen kan zorgen. Vanwege deze zorgen zijn de kinderen op 20 november 2024 voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De kinderen verblijven in een (crisis)gezinshuis en hier is te zien dat de kinderen flinke sprongen vooruit maken, zich fijn voelen en goed ontwikkelen. De ouders bagatelliseren de zorgen, ook tijdens de zitting, en dit is zorgelijk. De kinderrechter acht het van groot belang dat er hulp wordt ingezet voor zowel de kinderen als voor de ouder(s). Het is daarom van belang dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft om de regie te vormen en passende hulpverlening in te zetten. De kinderrechter stelt daarom [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden.
7.3.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De moeder is niet in staat om de zorg en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op zich te nemen, aangezien zij meerdere jaren in detentie zal verblijven. De vader heeft ter zitting aangegeven open te staan voor alle nodige hulpverlening, maar er is op dit moment onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de vader en zijn opvoedvaardigheden. De kinderen zullen volgens de GI op zeer korte termijn worden overgeplaatst. Van daaruit zal de GI moeten bezien of en welke hulpverlening de kinderen nodig hebben. Verder acht de kinderrechter het van belang dat gekeken wordt naar de mogelijkheid om de kinderen bij de vader te plaatsen. Het is hierbij van belang dat de vader goed in contact blijft met de GI zodat er snel duidelijkheid komt over zijn situatie. Daarnaast moet er gekeken worden naar het contact tussen de kinderen en de ouders. Op het verzoek van de advocaat over de omgang zal de kinderrechter niet beslissen, omdat hiertoe geen schriftelijk verzoek is ingediend. Het is echter belangrijk dat de GI blijft onderzoeken wat voor de kinderen de meest passende omgangsregeling is.
7.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 5 februari 2025 tot 5 februari 2026;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 februari 2025 tot 5 augustus 2025;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/692659 / JE RK 25-95
Datum uitspraak: 5 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.M. Bossers, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 16 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
het raadsrapport van 27 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
1.4.
Aangezien de moeder en de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van E. Bakker-Gradek (40724), tolk in de Poolse taal voor de moeder en M.M. Lukomski (1989), tolk in de Poolse taal voor de vader. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolken zijn beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een (crisis)gezinshuis (geheim adres).
2.3.
Bij beschikking van 20 november 2024 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 februari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 3 december 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 20 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn opgegroeid in een omgeving die werd gekenmerkt door onveiligheid, verwaarlozing en een gebrek aan structuur. Hierdoor hebben zij lange tijd in een overlevingsstand geleefd. Dit heeft ertoe geleid dat [voornaam minderjarige 1] de rol van moeder op zich nam voor [voornaam minderjarige 2] . [voornaam minderjarige 1] moet leren weer kind te zijn. [voornaam minderjarige 2] is bezig met het inhalen van zijn achterstanden. Sinds hun plaatsing in het gezinshuis komen de kinderen steeds meer tot bloei. De ouders leggen de oorzaken van de zorgen bij anderen neer. Het moet nog onderzocht worden of de kinderen bij hun vader geplaatst kunnen worden, aangezien hij tijdens het onderzoek moeilijk te bereiken was. [voornaam minderjarige 1] is hierover echter duidelijk en geeft aan dat hij niet voor haar kan zorgen. Het is van belang dat er duidelijkheid en helderheid komt voor de kinderen.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. De kinderen zijn uit een situatie gehaald die als zeer zorgelijk kan worden omschreven. Het huis was sterk vervuild, er lagen drugsnaalden, de kinderbedjes waren door het huis verspreid en er verbleven vreemde mannen in de woning. [voornaam minderjarige 2] was niet gesocialiseerd, had de hele dag zijn speen in, was niet zindelijk en praatte niet. [voornaam minderjarige 2] ging eerst maar een uur per dag naar school en nu gaat hij hele dagen. [voornaam minderjarige 1] gedroeg zich als de moeder van [voornaam minderjarige 2] . De kinderen sliepen samen in foetushouding, inmiddels slapen zij ieder in een eigen bed. Momenteel verblijven [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een crisisgezinshuis en dat betekent dat zij hier niet langdurig kunnen blijven. Dit is schrijnend want de kinderen voelen zich daar goed en ontwikkelen zich goed. De gezinshuisouder heeft aangegeven dat de kinderen overgeplaatst moeten worden, maar er is waarschijnlijk een nieuw perspectiefbiedend gezin waar de kinderen samen geplaatst kunnen worden. Omdat de moeder in de Penitentiaire Inrichting (PI) in Venlo zat en de kinderen zich onveilig voelden bij de jeugdbeschermer in de auto, heeft er tot nu toe nog maar één keer een begeleid bezoek bij de moeder plaatsgevonden. Dit bezoek verliep positief, maar was ook ingewikkeld, omdat de moeder met de kinderen aan het smoezen was en het onduidelijk is welke boodschap zij hen heeft meegegeven. Er zijn begeleide bezoeken gepland met de vader op 13 februari aanstaande en met de moeder op 27 februari aanstaande. Er is bewust gekozen om geen bezoekmomenten te laten plaatsvinden tijdens de moeder-kinddagen binnen de PI, omdat deze dagen te druk zijn. Voordat er naar hulpverlening voor de kinderen wordt gekeken, moet er eerst rust komen voor de kinderen.
5Het standpunt van de moeder
5.1.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Primair wordt verzocht dat de kinderen bij de vader worden geplaatst. De moeder heeft het liefst dat de kinderen bij haar verblijven, maar zij kunnen vanwege hun leeftijd niet bij de moeder in de PI verblijven. De woning is schoon en verbouwd, en het is onterecht dat de vader en de kinderen gestraft worden voor iets wat bij de moeder heeft afgespeeld. Er was een periode waarin het niet goed ging met de moeder, wat leidde tot spanningen thuis. Dat de woning vervuild was is geen reden voor het uit huis plaatsen van de kinderen. De hulpverlening is niet bij de vader langsgegaan om zijn woonsituatie te onderzoeken. Subsidiair wordt verzocht dat de kinderen onmiddellijk naar een ander gezin worden geplaatst. Uit het dossier blijkt dat [voornaam minderjarige 1] bang is voor de gezinshuisvader, omdat zij zich een keer had bemoeid met de financiën. Bovendien moet er een maximaal toegestane omgangsregeling worden vastgesteld, in overeenstemming met de regels van de PI. Bij niet-nakoming hiervan dient de GI veroordeeld te worden tot het verbeuren van een dwangsom van 250 euro per kind, per keer.
6Het standpunt van de vader
6.1.
De vader geeft aan dat hij meerdere keren heeft geprobeerd contact te leggen met de GI, maar dit is niet gelukt omdat hij een verkeerd telefoonnummer had. Nadat de vader het juiste nummer van de GI had gekregen is het wel gelukt om contact op te nemen. De vader heeft nog niet de gelegenheid gehad om de kinderen te zien. Hij mist de kinderen heel erg en is in staat om alles voor zijn kinderen te doen.
Beoordeling
7.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
7.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen zijn opgegroeid in een thuissituatie waarin de ouders onvoldoende fysiek en emotioneel beschikbaar waren. De kinderen zijn getuige geweest van huiselijk geweld en alcoholmisbruik door de ouders. Tevens waren er meldingen bij de politie over een ernstig vervuilde woning. [voornaam minderjarige 1] heeft een verzorgende rol over [voornaam minderjarige 2] overgenomen en [voornaam minderjarige 2] heeft een grote achterstand in zijn algehele ontwikkeling. Daarbij komt dat de moeder een detentie van 2,5 jaar moet uitzitten waardoor zij langere tijd niet voor de kinderen kan zorgen. Vanwege deze zorgen zijn de kinderen op 20 november 2024 voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De kinderen verblijven in een (crisis)gezinshuis en hier is te zien dat de kinderen flinke sprongen vooruit maken, zich fijn voelen en goed ontwikkelen. De ouders bagatelliseren de zorgen, ook tijdens de zitting, en dit is zorgelijk. De kinderrechter acht het van groot belang dat er hulp wordt ingezet voor zowel de kinderen als voor de ouder(s). Het is daarom van belang dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft om de regie te vormen en passende hulpverlening in te zetten. De kinderrechter stelt daarom [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden.
7.3.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De moeder is niet in staat om de zorg en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op zich te nemen, aangezien zij meerdere jaren in detentie zal verblijven. De vader heeft ter zitting aangegeven open te staan voor alle nodige hulpverlening, maar er is op dit moment onvoldoende zicht op de thuissituatie bij de vader en zijn opvoedvaardigheden. De kinderen zullen volgens de GI op zeer korte termijn worden overgeplaatst. Van daaruit zal de GI moeten bezien of en welke hulpverlening de kinderen nodig hebben. Verder acht de kinderrechter het van belang dat gekeken wordt naar de mogelijkheid om de kinderen bij de vader te plaatsen. Het is hierbij van belang dat de vader goed in contact blijft met de GI zodat er snel duidelijkheid komt over zijn situatie. Daarnaast moet er gekeken worden naar het contact tussen de kinderen en de ouders. Op het verzoek van de advocaat over de omgang zal de kinderrechter niet beslissen, omdat hiertoe geen schriftelijk verzoek is ingediend. Het is echter belangrijk dat de GI blijft onderzoeken wat voor de kinderen de meest passende omgangsregeling is.
7.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 5 februari 2025 tot 5 februari 2026;
8.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 5 februari 2025 tot 5 augustus 2025;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.